Men noemt geen koe bont of er is een vlekje aan, luidt de zegswijze waarmee men wil aangeven dat voor een slechte reputatie altijd wel enige grond is. De Hoornse schipper Willem IJsbrantsz Bontekoe mag evenwel al eeuwen lang niet klagen over een slechte reputatie, dankzij zijn hoofdrol als vrome held in het Journaal van Bontekoe.
Er is geen reisverhaal dat zich eeuwenlang in meer populariteit kon verheugen dan juist dit boek. Bontekoe's relaas mag dan ‘ongekunsteld’ zijn, het is wel een kunstwerk. Het is de vraag in hoeverre het van Bontekoe's hand was. Van de schipper Bontekoe is één eigenhandig geschreven brief bekend van 4 januari 1623 aan Jan Pieterszoon Coen, waaruit blijkt dat hij geen geoefend schrijver is geweest. Het is daarom logisch dat we op zoek gaan naar degene die zijn relaas met een literaire saus heeft overgoten en dat we willen weten welke elementen deze ‘redacteur’ heeft ingelast. Ik zal proberen aannemelijk te maken dat vooral de Hoornse uitgever zijn redactionele vaardigheden op het boek heeft losgelaten.

Titelpagina van de eerste druk van het Journaal,
met een panorama van Hoorn en het devies van de rederijkerskamer
De Rood' Angieren: Wilt Hooren 't Woort.
Sinds kort weten we dat Bontekoe een gelovig remonstrant was en daarmee behoorde hij tot een religieuze minderheid. Deze minderheid is in de jaren dat Bontekoe het zeegat uit was vaak heftig vervolgd door de orthodoxe partij, die aan de
macht was. Deze calvinistische rechtgelovigen werden niet voor niets contraremonstranten genoemd, want het waren de remonstranten met wie ze het aan de stok hadden. In vroomheid evenwel deden beide groeperingen nauwelijks voor elkaar onder. Bontekoe zelf klaagde in een brief aan Jan Pietersz Coen over het gebrek aan gebedsvreugde bijcommandeur Van Nijenrode. Deze ‘heeft geen vermaecken int gebet’ schrijft Bontekoe, want hij geeft de bemanning geen bevel te bidden, tenzij ik hem ertoe aanzet. Deze klacht over zijn directe meerdere aan zijn hoogste chef, maakt onze vrome remonstrant er niet sympathieker op.
Recente archiefvondsten laten zien dat Bontekoe na zijn terugkeer in patria in 1625, toen hij handelde in hout en zijn geld investeerde in schepen, een man was die met evenveel verve slepende processen voerde over financiële kwesties als over onbenulligheden. Met de vrome schipper was het kwaad kersen eten, want hij lijkt geneigd te zijn geweest om bij het minste geringste op zijn strepen te gaan staan. Daar staat als een prettige kwaliteit tegenover dat hij een rasverteller is geweest. Het heeft weliswaar meer dan twintig jaar geduurd eer de belevenissen van Bontekoe in een boek te lezen waren, maar een nadeel hoeft dat niet te zijn. We stellen ons de schipper gaarne voor als iemand die in de tussentijd zijn belevenissen steeds smeuïger wist op te dissen in de kroegen bij de Hoofdtoren. Zijn verteltrant was daardoor veel levendiger geworden dan die van het gemiddelde scheepsjournaal.
Het Journaal van Bontekoe bezit literaire kwaliteiten, maar meestal wordt daaraan voorbijgegaan in onze literatuurgeschiedenissen van deze eeuw. G.A. van Es is de enige die enthousiaste bladzijden wijdt aan deze ‘kostelijke volkslectuur’. Over de stijl ervan merkt hij echter in de Geschiedenis van de Letterkunde der Nederlanden op: ‘Nu, een keurig verzorgden stijl had de schipper zeker niet’.

In de havenkroegen rond de Hoofdtoren in Hoorn moet
Bontekoe zijn avonturen menigmaal hebben verteld aan een gretig
gehoor.
Waarop hij vervolgens Bontekoe's stijl beschrijft in bewoordingen die voor een flink deel ook opgaan voor de prozastijl van P.C. Hooft, een tijdgenoot van Bontekoe. Maar daarover later meer.
G. Knuvelder noemt het boek slechts terloops in zijn Handboek tot de Geschiedenis der Nederlandse
Letterkunde. Reisverhalen vindt hij ‘in al hun ongekunsteldheid, boèiend vertelde verhalen’. Verder verdienen ze kennelijk niet veel aandacht. De meer recente Nederlandse Literatuur, een geschiedenis is iets genereuzer, maarBontekoe blijft karig bedeeld. De specifiek literaire kenmerken van Bontekoe's Journaal zijn evenwel eigenaardig genoeg om er wat uitvoeriger bij stil te staan.
In zijn opdracht van 16 juli 1646 aan de bewindhebbers (de plaatselijke directie) van de VOC te Hoorn schrijft de Hoornse uitgever Jan Jansz Deutel dat hem enige jaren eerder een handschrift van Bontekoe onder ogen was gekomen over diens reis naar Oost-Indië. Toen Deutel aan Bontekoe vroeg of hij diens relaas mocht uitgeven, aarzelde deze. Bontekoe gaf twee redenen voor zijn terughoudendheid. De eerste was dat hij geen oude koeien uit de sloot wilde halen. In moderne ogen is dat niet onbegrijpelijk: een schipper, wiens schip door onvoorzichtigheid in brand raakt met het gevolg dat het in de lucht vliegt, is bepaald geen voorbeeld voor de natie.
De tweede reden is dat Bontekoe de stijl van zijn relaas niet geschikt vond voor de druk. We vinden nergens beschreven op grond van welke argumenten Bontekoe toch is gezwicht voor de vurige wens van zijn uitgever. Deutel schrijft:
Eyndelijck, nae veel vriendelijcke versoeckinghe en aenmaninghe van eenighe sijnder goede vrienden, bewillighde hy het selfde. Welcke beschrijvinghe ick met eenighe figuren verçiert hebbende, datelijcken onder de parsse bracht.
Op grond hiervan schets ik een mogelijk scenario: aan Bontekoe's eerste bezwaar wistDeutel tegemoet te komen door enkele vrienden vanBontekoe in te schakelen, die de schipper moeten hebben verzekerd dat de uitgever weliswaar alle eer aan God zou geven, maar dat hij Bontekoe als persoon evenmin tekort zou doen. Uit de doorstane rampen zou blijken dat slechts het vertrouwen op God steeds uitkomst had gebracht, waardoor lezers zouden worden gesticht. Zodoende kon de heldhaftige Hoornse schipper iedereen tot voorbeeld strekken en hij droeg er tevens toe bij om Hoorn op te stoten in de vaart der Hollandse steden. Het tweede bezwaar, dat van de zwakke stijl, zal Deutel hebben weggewuifd met de mededeling dat hij zelf de redactionele werkzaamheden op zich zou nemen. Mogelijk heeft hij Bontekoe ook laten weten dat hij het boek op diens aanwijzingen rijkelijk zou laten illustreren met kopergravures. Deze prenten zouden ongetwijfeld ieders aandacht trekken, waardoor tekortkomingen in de schrijfstijl minder zouden opvallen. Hoewel daar natuurlijk met geen woord over gerept wordt in de opdracht aan de bewindhebbers van de VOC, lijkt het me waarschijnlijk dat de financiële vergoeding die de uitgever aan Bontekoe in het vooruitzicht stelde, doorslaggevend is geweest om de Hoornse schipper tot medewerking te bewegen. Het blijft intussen onduidelijk wie deze vergoeding en de kosten voor de uitgave heeft gedragen. Het is zeer de vraag of Deutel dat in zijn eentje kon bolwerken.
De eerste uitgave door Deutel van Bontekoe's Journaal verscheen in 1646, ruim twintig jaar na de beschreven gebeurtenissen. Het boek bevat het verslag van drie reizen. De eerste was de heenreis naar Batavia met de Nieuw Hoorn. Het onfortuinlijke
schip, bemand met 206 ‘eters’, begon zijn reis op 28 december 1618 vanaf Texel. Van die eters arriveerde na veel gruwelijke wederwaardigheden begin 1620 slechts een kwart in Batavia. De brand in het schip, de ontploffing van het buskruit, de ontberingen in de sloepen en de gevechten met de menseneters hadden een zware tol geëist. Dat het aantal resterende bemanningsleden nergens in het boek wordt genoemd, moet bewust zijn gebeurd. Van die heenreis en de volgende anderhalf jaar dat Bontekoe opdrachten van Jan Pieterszoon Coen uitvoerde in de Indische archipel, bestaat geen verslag van Bontekoe's hand. Op 19 november 1619, niet ver van Straat Sunda, was Bontekoe's scheepsjournaal met de Nieuw Hoorn in de lucht gevlogen. Bij aankomst heeft Bontekoe mondeling verslag uitgebracht aan gouverneur-generaal Coen. De neerslag van Bontekoe's mondelinge verslag vinden we in een rapport dat Coen op 22 januari 1620 aan de bewindhebbers der VOC heeft gestuurd. Daarin wordt bijvoorbeeld het aantal van 57 overlevenden genoemd.

Brief van Bontekoe aan Jan Pieterszoon Coen, 4 januari
1623. Bontekoe bericht de gouverneur-generaal over de expeditie naar de kust
van China.
Een handschrift met het volledige verslag van Bontekoe's belevenissen in de periode 1618-1625 is tot nu toe niet gevonden, hoewel Deutel in zijn opdracht aan de Hoornse VOC-bewindhebbers melding maakt van een beschrijving van de Oostindische reis die hij enkele jaren voordien in handen had gekregen. Toen hij Bontekoe's relaas las, schrijft Deutel, vond hij het zo waardevol dat hij meende dat het behouden moest blijven voor tijdgenoten en nazaten. Maar het ziet ernaar uit dat de uiteindelijke levendigheid van het boek vooral te danken is aan gesprekken die Deutel met Bontekoe zelf over de reis heeft gevoerd.
Behalve de reeds vermelde brief aan Jan Pietersz Coen van 4 januari 1623 bezitten we twee handschriften, maar die betreffen niet de spectaculaire
heenreis, die de lezers het meest heeft aangesproken. Bovendien zijn het geen eigenhandige handschriften van de schipper, maar afschriften.

Twee pagina's uit het manuscript-journaal van Bontekoe's
reizen. Dit manuscript bevindt zich in het VOC-archief in Den Haag.
In het eerste afschrift wordt de expeditie naar de Chinese zuidkust beschreven, het tweede beschrijft de terugreis naar het vaderland.
Wanneer we het Journaal met deze handschriften vergelijken, springen allerlei verschillen in het oog. Over het eerste handschrift, het relaas van de expeditie naar China, kunnen we vaststellen dat allerlei zeevaartkundige wetenswaardigheden als windrichtingen, ligging en diepte van goede ankergronden, en de gevolgde koers in het gedrukte equivalent zijn verdwenen. Daar staat tegenover dat de gedrukte versie dramatischer is gemaakt door inlassing van anekdotes en beschrijvingen waarin de voorliefde voor gruwelijkheden treffend is. Deze tekstgedeelten berusten waarschijnlijk op verhalen die doorBontekoe aan Deutel zijn verteld. Zo is daar de mislukte bestorming van Macao op 24 juni 1622. In het handschrift wordt wel vermeld dat de Hollanders 130 van de 600 man verloren, maar hoe dit laatste kon gebeuren, vindt men alleen in de gedrukte versie. Bij de aanvallen op de Portugezen ontplofte namelijk per ongeluk het buskruit van de Hollanders. Japanse overlopers meldden dat meteen aan de Portugese vijand, die daarop flink huishield onder de weerloze aanvallers.
Een dramatisch effect heeft ook het veelvuldig gebruik van de directe rede in de gedrukte versie. In het handschrift staat bijvoorbeeld: ‘den coopman Nieuwroode wilde mett gewelt '(t) touw af laten houwen, maer ick wilde hett niet consenteeren’. In de gedrukte versie wordt dat:
De coopman Nieuwenroode by my staende seyde: ‘Schipper, laet het tou afhouwen’. Ick onderrechte hem, dat het niet gheraden was het tou af te houwen, terwijl wy op de wal lagen, en nootsaeckelijck het schip souden moeten verliesen, en dat de jonck ons niet begaen kon (= zich geen meester kon maken van ons schip).

Gegraveerd portret van
Willem IJsbrantsz Bontekoe, in de
eerste druk van het Journaal uit 1646. Het vers is van de
hand van uitgever
Jan Jansz Deutel. Op de voorgrond de
attributen van de schipper: globe, passer en graadstok.
De tekstverschillen in de gedrukte versie bestaan vaak uit anecdotes die het relaas smeuïger en dramatischer maken. Dramatisch is het geval van de jonge matroos die besluit te gaan plassen en in zijn been wordt geschoten. Dat gebeurt wanneer twee onoplettende matrozen een kanon willen uitproberen dat ze op een nieuw affuit hadden geplaatst. De jongeman overlijdt vier dagen later, een uur nadat zijn been is afgezet. Komisch voor ons - maar wellicht anders bedoeld - is het geval van de scheepspredikant die op paaszaterdag slaags raakt met zijn assistent-koopman (‘Terwijl de Maets doende waren, plock-haerden onse Domine met een Assistent’). Ze worden beiden door Bontekoe in de boeien geslagen, maar aangezien de predikant de Paasdienst moet leiden, stelt de schipper hen de volgende dag al weer in vrijheid.
Ook het tweede afschrift, de terugreis naar patria, vertoont afwijkingen van de gedrukte versie. Deze laatste versie bevat zelfs - in vergelijking met de versie in handschrift - allerlei verkeerde gegevens, wat de chronologie en de tussentijdse aanlegplaatsen betreft. Het lijkt wel of Deutel niet over die gegevens beschikte. Heeft hij ze zelf erbij verzonnen? Verder is opnieuw de gedrukte versie veel dramatischer dan het handschrift, zoals bij de beschrijving van de cycloon, waarin de thuisreizigers een van de drie schepen verliezen. Bovendien heeft Deutel twee lijkdichtjes opgenomen, geschreven ter ere van commandeur
Cornelis Reijersz en de Hoornse zeeheld Willem Cornelisz Schouten. Deze poëtische inlassingen zijn waarschijnlijk van Deutels hand, maar ze zijn ongesigneerd. Dit laatste staat in tegenstelling tot het kwatrijn onder Bontekoe's portret dat wel door de Hoornse uitgever is ondertekend.
De Hoornse uitgever en boekverkoper had wel eens eerder de pen op papier gezet. In 1641 publiceerde hij De Huwelyckx Weegh-schaal, een moraliserend gedicht in de trant van Cats, voorzien van illustraties. In 1670 verscheen Een kort tractaetje tegen de toovery, al in 1638 op papier gezet en postuum gepubliceerd door Deutels zoon. Bovendien was Deutel actief in de Hoornse rederijkerskamer De Rood' Angieren (De rode anjers). Zijn devies luidde ‘Tracht nae 't goede’ en dat heeft hij nageleefd.
In hetzelfde jaar dat hij Bontekoe's Journaal uitgaf, won hij de eerste prijs in een rederijkerswedstrijd te Hoorn. Deelnemers aan de wedstrijd moesten een antwoord geven op de volgende vraag: wat zijn de drie belangrijkste zaken uit ons verleden waarmee men Hoorn beroemd kan maken? Deutel stelde de volgende gebeurtenissen voor: de uitvinding van het haringnet, de ontdekking van de nieuwe zeeroute naar Indië doorWillem Schouten via Kaap Hoorn (1615-1617) en de Slag op de Zuiderzee op 11 oktober 1573. In die zeeslag versloeg een geuzenvloot de Spaansgezinde stadhouderBossu, waarna deze te Hoorn gevangen werd gezet.

In 1646 organiseerde de Hoornse rederijkerskamer een
prijsvraag over de vraag: wat zijn de drie belangrijkste historische feiten
waarmee men de stad Hoorn beroemd kan maken? De antwoorden,
waaronder dat van
Jan Jansz Deutel, verschenen in
boekvorm.
Ook in Deutels opdracht aan de bewindhebbers van de VOC in het Journaal van Bontekoe wordt de nadruk op de roem van Hoorn gelegd. Die opdracht is dus in dezelfde geest geschreven als
die van het thema van de Hoornse rederijkerswedstrijd. Deutels medekameristen zullen trouwens met genoegen hebben gezien, dat Deutel op de titelpagina van zijn Journaal het devies van de kamer, ‘Wilt Hooren 't Woort’, liet afdrukken. Ze droegen dan ook hun steentje bij tot het succes door het boek lovende drempeldichten van hun hand mee te geven. Mogelijk hebben ze ook aan de finaciering van deze uitgave bijgedragen?
Mijn indruk is dat literatuurhistorici in het verleden ervan uit zijn gegaan dat Bontekoe's schrijftrant geen kunstzinnige kwaliteiten vertoonde, juist omdat dit het werk van een ‘eenvoudige schipper’ was. Nu blijkt dat de Hoornse rederijkers zich met het werk hebben bemoeid, is er reden om wat zorgvuldiger naar die stijl te kijken dan tot dusver is gebeurd.
De stijl van sommige Nederlandse prozawerken halverwege de zeventiende eeuw kenmerkt zich door eigenaardigheden die hun oorsprong vinden in de Klassieke Oudheid. In navolging van de Romeinse auteurs Tacitus en Seneca had de humanist Justus Lipsius (1547-1606) bij ons een eigen stijl voor het moderne Latijnse proza ontwikkeld. Deze beroemdheid van Europees formaat had de standaard-edities van beide Romeinse auteurs bezorgd met commentaar en was als geen ander in hun stijlopvattingen thuis. De Lipsiaanse stijl kenmerkte zich door het gebruik van vele korte zinnen, pittige spreuken, woordspelingen en tegenstellingen. Kortom, het is een kernachtige stijl met behulp waarvan de emoties eerder worden gesuggereerd dan verwoord.
De bekendste vertegenwoordiger van deze prozastijl in het Nederlands is P.C. Hooft geweest. Hooft was erg gesteld op het werk van de Romeinse historicus Tacitus. Hij gebruikte de Tacitus-editie van Lipsius, toen hij zijn geliefde auteur vertaalde. Hij was bovendien thuis in de werken van Lipsius zelf en vertaalde bijvoorbeeld diens samenvatting van Tacitus' Annales in het Nederlands. Aan zijn Tacitus-vertaling werkte Hooft in de jaren 1629-1636, in dezelfde tijd dat hij zijn Nederlandsche Historiën schreef. Hij wilde namelijk Tacitus' stijl goed in de vingers krijgen. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat Hoofts Nederlandse proza zich onderscheidt door gedrongenheid en pittige, spreukachtige gezegden. Het eerste deel van de Nederlandsche Historiën, dat begint met de troonsafstand van Karel V in 1555 en dat eindigt met de moord op Willem van Oranje in 1584, verscheen in 1642. Het lijkt me niet ver gezocht te menen dat Jan Jansz Deutel, die zeer verzot was op de vaderlandse historie, dit werk in zijn bezit had en daar enige stilistische eigenaardigheden aan heeft ontleend. In zijn kwatrijn onder het portret van Bontekoe herinnert de volgende versregel aan die stijl: ‘Mits hij de Doodt ontgingh, self midden inde Doodt’. Het Journaal van Bontekoe vertoont eveneens die kernachtige stijl. De volgende passage beschrijft de honger en dorst van de schipbreukelingen na de scheepsramp en is nogal suggestief:
Hier gingh de tijdt in en de noot was soo groot, dat wy 't niet wel langher harden konden. Wy dochten dicwils: waren wy aen landt dat wy maer gras mochten eten, wat noodt wast. Ick vermaende het volck met soo veel troostelijcke reden als ick op die tijdt konde bijbrenghen. Seyde datse doch goed moedts souden wesen; dat de Heer het versien soude; doch was self kleynmoedigh; soude een ander troosten en behoefde self wel ghetroost te worden. Sprack menigh woordt boven 't hert. Verdroegen en leden alsoo met malcander, dat wy soo moe en mat wierden, dat wy qualijck macht hadden op te staen.
We treffen ook voortdurend compacte, aan het Latijn ontleende constructies met een tegenwoordig deelwoord aan:
In 't Water leggende, kreegh ick sulcke nieuwe couragie, gelijck of ick een nieuw Mensche hadde gheweest. Toe siende, soo lagh de groote Mast aen mijn eene zijd', en de Focke-mast aen mijn ander zijd'.
Deze stijl verschilt zo weinig van die van het Journaal van Dirck Albertsz Raven (dat Deutel in 1646 samen met Bontekoe's Journaal uitgaf), dat het als argument kan gelden ten voordele van Deutels redactionele en stilistische ingrepen in beide boeken. Toch is het niet zo dat Deutel Bontekoe's verteltrant zodanig heeft bewerkt dat het oorspronkelijke geluid niet meer te horen is. Ook de stijl van de schipper heeft iets gedrongens, zoals blijkt uit de enige autograaf die we van hem hebben, de brief aanJan Pieterszoon Coen van 4 januari 1623:
doch ick meen dat den Commanduer Corneel niet an lant heeft geweest, maer word Int landen doer zyn buyck geschoeten een dootelyck wonde (...) hebben oock meede wat Onvoorsichtich tee werck gegaen. Souden Soe veel volck niet verloren hebben. (...) Jan Jansen, die Schepper van die beer, met 17 mannen met haer boot verloeren, maeckte gissinge dat haer die See Oeverstolpt heeft ende verdroncken zijn, doch geen wissicheyt ...
Het is mogelijk dat Deutel heel goed aansluit bij de oorspronkelijke verteltrant van Bontekoe zelf. Dit sluit niet uit dat hij toch tegelijkertijd Hoofts literaire prozastijl probeerde na te volgen. Hoofts stijl was immers uitermate geschikt voor de beschrijving van de lotgevallen van vaderlandse helden.
Een belangrijk compositorisch element in Bontekoe's Journaal is het opwekken van spanning door afschuwelijke gebeurtenissen te verhalen. Bij de ontploffing op het schip worden ongeveer zestig matrozen ‘aen hutspot geslaghen’, de uitgehongerde matrozen laten het begerige oog vallen op de scheepsjongens, de uitgeputte overlevenden voeren strijd op leven en dood met de inheemse bevolking. Het zijn allemaal ingrediënten die de toenmalige liefhebbers van het gruweltoneel bekend voorkwamen.
Het Nederlandse barokdrama, zoals de Aran en Titus (1641) van Jan Vos, deed het publiek sidderen en had de hoogste recettes. Ook andere drama's uit die tijd vertonen de wandaden die we in Bontekoe's Journaal terugvinden. Moorden en branden, aanrandingen en verkrachtingen, het uitsteken van ogen, het afhakken van handen en het onwetend verorberen van het eigen kroost, smakelijk toebereid door je vijand, dat alles was de hele eeuw door op het toneel te zien.
Hoewel Deutel - voor zover we weten - nooit zelf voor het toneel heeft geschreven, zullen de gruwelen van het barokdrama hem niet zijn ontgaan. De Amsterdamse schouwburg lag wel een eind weg van Hoorn, maar was ook weer niet helemaal onbereikbaar voor de West-Friezen en wellicht voerden de rederijkers van de De Rood' Angieren zelf wel eens een gruwelstuk op tijdens de Hoornse kermis. Bovendien verschenen die toneelstukken in druk en was het voor een boekhandelaar als Deutel vrij gemakkelijk om eraan te komen.

Lofdicht uit de eerste druk van het Journaal door
I.W. Paeuw, net als uitgever Deutel een Hoornse rederijker. Het gedicht is
gedrukt in een ‘civilité’-letter, die was gebaseerd op
zestiende-eeuws handschrift.
De functie van die gruwelscènes was waarschijnlijk toen niet veel anders dan nu. De angst mag de toeschouwer en de lezer om het hart zijn geslagen, ze genoten tevens van de spanning. Voor een tijdje althans konden ze zich daardoor onttrekken aan de dagelijkse werkelijkheid. De lezer van een reisverhaal, zoals het Journaal van Bontekoe, maakte ongeveer hetzelfde door als de bezoeker van een barokdrama. Wat Bontekoe en de zijnen allemaal hadden doorstaan, troostte die lezer in zijn eigen dagelijkse wederwaardigheden, die ook niet altijd even vrolijk waren.
In het barokdrama is de held een toonbeeld van klassieke en christelijke deugden. Volgens het Journaal was Bontekoe ook zo'n held. Hij treedt naar voren als een rechtvaardig, wijs, moedig en gematigd man en is zodoende een held volgens de normen uit de Klassieke Oudheid. Ook van de christelijke deugden als geloof, hoop en liefde is hij een toonbeeld. Wellicht is Bontekoe zelf ten dele verantwoordelijk geweest voor dat beeld, maar het is aannemelijk dat redactionele ingrepen van de uitgever dit beeld op zijn minst hebben versterkt.
In moderne ogen heeft Bontekoe meer iets van een brokkenpiloot, in die zin dat hem telkens ongelukken overkwamen. Maar misschien zullen zijn vijanden ook zo over hem hebben gedacht? Goed, het kan pech zijn geweest dat hij in het jaar vóór zijn reis naar Indië een schip had verspeeld aan Algerijnse zeerovers. Toegegeven, misschien was het een ongelukje dat de Nieuw Hoorn op de heenreis naar Indië in de lucht vloog. Wat een geluk nog dat niet zijn schip, maar een ander tijdens de terugreis in een cycloon verging! Al met
al maakt hij in de ogen van kwaadwilligen geen geslaagde indruk als schipper.
In het boek komen intussen slechts zijn kwaliteiten tot uiting. Ze zouden niet hebben misstaan bij een positieve held uit het toenmalige drama. Die kwaliteiten of deugden krijgen in het boek niet allemaal hetzelfde gewicht. Eén christelijke deugd (Bontekoe als gelovig man) en één klassieke deugd (zijn wijsheid) blijven de lezer het meeste bij. Deze laatste deugd prudentia (wijsheid, voorzichtigheid of vooruitziendheid) uit zich in slimmigheden, het geven van waarschuwingen aan zijn matrozen voor de gevolgen van ondoordachte handelingen en het tijdig treffen van voorzieningen om het schip te behouden. Tijdens de cycloon op de terugreis is het schip Middelburg al zijn masten en tuigage kwijt geraakt. De vooruitziende Bontekoe evenwel heeft op zijn schip alle zeilen laten strijken, toen de wind opstak en verloor daardoor alleen zijn grote mast.
Wanneer op de terugreis zijn bemanning zich te goed doet in de kroegen van het Ierse Kinsale, kan Bontekoe zijn thuisreis niet voortzetten en moet hij zijn toevlucht nemen tot een list. Hij vraagt eerst aan de de ‘Meyer’ (de schout) hoe hij zijn matrozen aan boord kan krijgen, maar die weet niets te verzinnen. Nadat de schipper aan de vrouw van de schout ‘een stuckje fijn lijnwaet’ cadeau heeft gedaan, krijgt de laatste eindelijk een lumineus idee. Hij stuurt onmiddellijk een aantal bodes met trommels erop uit om overal bekend te maken dat elke middenstander bij wie de Hollanders voor een bedrag van meer dan zeven shilling in het krijt staan, zijn geld kwijt zal zijn. Daarop worden de meeste matrozen de Ierse kroegen uitgewerkt, want hun schuld zit flink boven het vermelde bedrag. Ze komen schoorvoetend aanzetten in de richting van het schip, maar het is duidelijk dat hun hart er niet bij is.
Ick liet daer op de anckers op-winden, de seylen los maecken en begost het gat uytwaert aen te seylen. Doe vielen sy in schuyten en ander vaer-tuygh als mieren, en quamen aen boort. De waerden en waerdinnen quamen oock aen boordt, spraken om haer gelt, 't welck ick haer dede geven en op yders reeckeningh te boeck aen-teeckenen. Hadden doe al ons volck weder scheep, behalve 3 a 4 man, die haer met vrou-volck verlooft hadden, die sy daer nae trouden; die lieten wy daer blijven.
Het is goed mogelijk dat Willem IJsbrantsz Bontekoe een geboren verteller is geweest. Toch moeten we ertoe besluiten dat voor de literaire saus waarmee deze stof is overgoten, iemand verantwoordelijk moet zijn geweest die de literaire mode van het moment goed kende en die daar zijn voordeel mee deed, ook zijn financiële voordeel. De meest voor de hand liggende kandidaat voor de redactionele ingrepen is de Hoornse uitgever, boekhandelaar en rederijker Jan Jansz Deutel. Maar voor de belevenissen zelf staat Deutel in het krijt bij de Hoornse schipper, evenals alle lezers van het Journaal. Terecht gaat daarom alle eer naar de held van het bloedstollende drama, om nog eens Deutel citeren: door God ‘wonderlijk bewaert (...) In 't Water, Vuer in Moordt in Dorst en Hongersnoodt’.