[p. 48]
Een geestelyck liedeken tegen de ketters op den toon, Il y avoit une fillette, &c.
- Hoort toe ick zal ons singen
- Een nieu liet
- Die ketters willen ons dwingen
- En doen leven in verdriet,
- Hebt goeden moet want ziet
- Ten zal niet lange dueren
- Ons zal corts troost gebeuren
- Altsaemen tot Godt vliet.
-
- Al die ons nu met pynen
- Houden en hen bedwanck,
- Die zuldy noch zien verdwynen
- Als eenen vuylen stanck,
- Want Godt zal ons eerlanck
- Verlossen vuyten handen
- Van Calvinus Tyranden
- Tegen haeren danck.
-
- Sy en weten nu wat versieren
- Zy raesen als verwoet,
- Zy willen al domineren
- Opt gheestelycke goet,
- Ten zal hen die dit doet
- Altsaemen nyet veel baeten
- Want zy zullent moeten verlaeten
- Op eenen staende voet.
-
- Calvinus meynt Bruessel te houwen
- Op zyn cracht,
- Maer hij sal wel verflouwen
- Voor Godt, en sConincx macht.
- Die nu dus ombedacht
- Derren liegen en stouffen,
- Zij sullen corts moeten houffen
- Hier uut op eenen nacht.
-
[p. 49]
-
- Ghij geestelijcke Vrouwen
- Neempt eenen moet,
- Stelt in Godt u betrouwen,
- Want hij is goet:
- Hy is den man diet doet,
- Tes al in zynen handen,
- Hij sal ons bewaren van schanden
- Door zyn ghenaede zoet.
-
- Ghij condt dit wel versinnen
- Dat ghij in desen tijt
- Noch woont te Bruessel binnen
- In u gheestelijck habijt:
- Den Heer ghebenedijt
- Bewaert u daer noch stille,
- Het is soo zijnen wille,
- Looft Godt tot alder tijt.
-
- Al moet ghij nu al wercken
- Met grooter pijn,
- Den Heere die zal u stercken
- Dinckt dat zoe moet zyn,
- Want den tyt is quaet,
- Elck moet hem nu geneeren,
- Maer ick hope wy zullen keeren
- In onsen yersten staet.
-
- Oirlof myn vriendinnen
- Op dit termyn,
- U wordt geschoncken vuyt minnen
- Dit nieu liedekyn,
- Ick wille altyt zyn
- U dinersse ende blyven,
- Bidt dat ick mach beclyven
- In Godts liefde fyn.
|