[p. 90]
Een schoon gheestelyck liedeken vander Heyliger Dryvuldicheyt, op den thoon: Een ridder en een meysken ionck, op een rivierken, &c
- O Godt almachtich vader goet,
- Mijn memorie wil ick u schinken
- Laet my u goddelyck wesen goet
- Altyt ootmoedelyck ghedinken.
- O Godt sone des vaders woordt
- Mijn verstant wil ick u gheven,
- Doet alle myn zinnen met een accoordt
- Naer uwen wille hier leven.
- O Godt der liefden heyligen gheest
- Wilt mijnen wille stercken
- Met u gave der liefden aldermeest
- Vervult ghij alle myn wercken.
- O weirdige heylige Drijvuldicheyt
- Wilt alle myn crachten regeren,
- Dat ick in mynder zielen affscheyt
- In u mach iubileren.
- O alder hoochste Maiesteyt,
- Vernielt in my u beelde:
- Maeckt myn herteken nu bereyt,
- Dat ick mach smaeken u weelde.
- O drij persoonen nochtans maer een,
- Warachtich Godt ghepresen,
- En wilt uut mynder zielen niet scheen,
- Maer altyt myn trooster wesen.
- Bidt voor die dit heeft ghedicht
- Ter eeren van haer lief daer boven,
- Dat zy dat ongheschapen licht
- Altijt mach dancken en loven.
|