[p. 115]
Een gheestelyck liedeken van goede begeerten op den thoon, Het was een man hy hiet Arus, hy hadde een knecht die hiet Macharus.
- Segt mij o mensche wat begeerdi - Bis
- Heer dat ic myn sonden groot en cleene
- Dicwils bitterlyck mach beweenen,
- Dat bid ick u lieve Heer.
- O mensche wat begeerdi meer
- Heere dat ic openbaer en stille
- Mach worden een mensch na uwen wille, Dat
- O mensche wat begeerdi meer
- Heer dat in myn bidden ende lesen
- Mynen geest mach met u vereenicht wesen,
- Dat bid ick u Lieve Heer. O mensche.
- Heere dat ick int hebben en derven
- Mynen wille mach versterven,
- Dat bid ick u lieve Heere. O men.
- Heere dat ick met mijn inwendige ooren
- Altijt u Goddelijck woort mach hooren,
- Dat bid ick u lief Heer. O mensce
- Heere dat ic de sonde soo moet haten,
- Datse mij teenemael mach verlaeten,
- Dat bid ick u lief heer. O mensch.
- Heere dat ick u passie en smerte
- Altijt geprint draege in mijn herte,
- Dat bid ick u lief Heer. O mensc.
- Heere dat ick met vierigen verlangen
- U heylich lichaem mach ontfangen,
- Dat bid ic u lief heer. O mensc.
- Heere dat in al mijn woorden en werken
- Uwen heyligen geest mij wil versterken,
- Dat bid ic u lief Heer. O mensce.
- Heere dat ic u liefde soo mach smaken,
- Dat ic versmade alle aertsche saeken,
- Dat bid ick u lief Heer. O mens.
[p. 116]
-
- Heer dat ick myn gebreken mach kinnen
- En door u gracie die mach verwinnen,
- Dat bid ick u lief heer.O mensc.
- Heere dat ic tot alle tijden en uren
- Mijn herteken mach in u Godtheyt sturen
- Dat bid ick u lief heer. O mensche.
- Heere dat nu in mijn oude dagen
- Alle mijn wercken u mogen behagen,
- Dat bid ick u lief heer. O mensche.
- Heer als ick van deser werelt sal scheyden,
- Dat ghij mijn ziele dan wilt geleyden,
- Dat bid ick u lief heer,
- O mensche wilt altijt tot mij vlien,
- Alle u begeerten sullen gheschien.
|