[p. 150]
Gheestelyke veersen Ghedicht op het woort, Letare Jerusalem &c.
Doenmen de Vasten int heymelyc hiel, alste Bruessel geen Kercken en waren voorde Catholijcken, des die goede Borgers menige traenen weenden.
- Catholijke Borgers inden Heere gepresen
- In desen dach behoorde wij blijde te wesen
- Ghelijck de Catholijke kercke altijt heeft gheleert.
- Singende Letare Jerusalem, tot die zyn bekeert,
- Ende penitentie doen voor haerlieder sonden.
- Want zij ghesuyvert zijn door Christus doot ende wonden.
- Die hij voor alle Sondaren heeft willen gedoogen
- Aent Cruyce, ghelijck onse Moedere nu leyt voor ooghen
- Haeren kinderen den goeden Catholijcken persoonen.
- Laet ons nu gheestelijck alle blijschap toonen,
- Ons verheugende int Cruyce Christi bemint.
- Bij dese verdoolde menschen nu niet bekint,
- Als een instrument daer zij aen zijn verlost,
- Niet eens dinckende hoe dier zy hebben ghecost,
- Dat Christus zyn preciose bloet ende heylich leven
- Voor alle sondige menschen heeft ghegeven.
- Bidt voor de ghene diet Cruyce versmaeden,
- Dat zij mogen bekeeren, en comen tot genaden.
- Ende crijgen vergiffenisse van hare sonden groot,
- Eer zij worden overvallen van deewige doot.
- Een rechtveirdich oordeel sal Godt gheven
- Over die Sondaers die niet en beteren haer leven.
-
- Letare Jerusalem gheeft ons ooc te verstaene
- Dat wij in deuchden behooren voort te gaene,
- Ende te blyven volherden int out gheloove goet,
- Indien dat noot waere, daer voor te storten ons bloet.
- Want eer wij mogen comen totter blijschap des Heeren
- Wij moeten altsamen ierst strijden leeren
[p. 151]
-
- Tegen den vijant, werelt, ende ons eygen vleesch
- Dwelck wij nemmermeer en mogen geven zijnen heesch.
- Want soo langhe als wij leven op deser werelt wijt
- Soo moeten wij strijden eenen ghedurigen strijt.
- Als deene temptatie wech is, dander sal beginnen
- Die wij door Godts gratie al sullen verwinnen.
- Niemant en sal van Godt worden gheloont,
- Dan die wettelyck ghestreden heeft, sal worden ghecroont.
- Die hier zijn sonden, passien ende ghebreken
- Versterft, die en sal Godt niet versteken.
- Laet ons dan tsamen tot stryden gaen stellen,
- Ende door vasten en bidden onse lichamen quellen,
- Op dat tselve den geest worde onderdaenich,
- Want door wellust wordet vleesch wederspannich
- Dwelck tvasten brengt tot suiker subiectien,
- Dat daer door versterven alle sinlijcke affectien.
-
- Letare Jerusalem vermaent ons tot bidden en waken,
- Op dat onsen gheest soude Godts soeticheyt smaken
- Die wij sullen proeven hier in dit leven,
- Indien wij ons tot allen deuchden begeven
- Alzoo ghij, hoop ick, doet mijn lieve vrindinne
- Dat ghij boven al soeckt den Heere te beminnen,
- U oeffenende int waeken, vasten en bidden,
- Daeromme sal Christus comen int midden
- Van u lieder herten, och wat groot iolijt
- Suldi dan gevoelen inden Heer gebenedijt,
- Die met zijn gracie ende Goddelijcke presencie
- Sal suyveren de smetten van uwer consciencie
- Door zijn Sacrament des autaers van crachten groot
- Sal hij bij ons blijven tot in ons doot.
- Want hij hevet gesproken tot zyn beminde
- Dat hij bij ons sal blijven totten ynde,
- Al moeten wij door de ketters nu veel lijdens doogen
- Godt sal ons bewaren, als den appel van zijn oogen
- Wat ons toecompt, droefheyt oft tegenspoet,
- Wij willent van zijn handen nemen voor goet.
[p. 152]
-
- Hij heeft door zyn woort ons seker toegeseyt,
- Dat al sal gheschieden tot onser saelicheyt.
- Letare Jerusalem verwect ons tot dancbaerheyt
- Dat de hellicht van onse vasten nu is affgeleyt.
- Nu vortaen sal ons die Heylige kercke leeren,
- Hoe wij ons sullen oeffenen int lijden ons Heeren
- Welck lijden is van soo grooter cracht,
- Dat het beneempt al onser vijanden macht,
- Die hij aent cruyce al heeft verwonnen,
- In zijn preciose bloet zijn onse sonden al verslonnen
- Laet ons nu gedachtich zijn Jesus bitter smerten,
- Ende die nemmermeer laeten scheyden uut onse herten
- Wij zullen daer door vercrijgen sulken gracie,
- Dat wij inden hemel sullen maeken onse conversatie.
- Want daer onsen schat is, daer salt herte wesen,
- Bij den medicijn die ons allen heeft genesen.
- Dan sal den Bruydegom comen bij zijnder Bruyt
- Daer die boose Geusen ons niet en sullen iagen uut.
- Oorloff tot dat ons die heylige kercke sal wijsen
- Hoe dat wij te Paesschen geestelijck moeten verrijsen,
- Ende alsdan hoop ick wat te dichten,
- Om onse droefheyt gheestelijck te verlichten.
- Wilt dit mijn scrijven in danck ontfaen,
- Want het is van goeder herten uut liefden gedaen.
|