SINDS dien dag vond Annètje dikwijls haar weg naar den boekwinkel in de Warmoesstraat. Dit en die andere vriendschap met Stance Bremer waren de blijde dingen in haar kinderleven.
Er was een diepgaand en essentiëel verschil in die beide vriendschappen. Die met Karel bracht vreemd geluk - alsof zij opgetild werd in de lucht, noemde Annètje het voor zich zelf. Ze leerde er dingen waar ze nooit van gehoord had, kreeg er voldoening over eigen prestaties die ze thuis of bij Stance niet vond.
Want Karel wist zoo veel. Hij vertelde haar dat de Warmoesstraat vroeger de deftigste straat van Amsterdam was; Jan Pietersz Coen, en Van Galen hadden er ook gewoond, en in dàt huis woonde Vondel, ze wist wel, dat was een dichter. Hij nam haar een eindje mee de straat in aan zijn hand en wees haar. En Annètje voelde zich eerbiedig gestemd door Karels ernst.
Maar thuis zat Karel te vertellen, met felle donkere oogen, van den jongen Bouwmeester, die nog maar zeventien jaar al directeur was van een tooneelgezelschap op de Erwtenmarkt. Hij had hem gezien in den Franschen Schouwburg op 't Singel bij het Koningsplein in Lazaro de Veehoeder, of Misdaad en Wraak - daar speelde hij voor Juliaan de Koorenmaayer. Maar't prachtigste was ‘De gang naar de IJzersmelterij.’ Zonde dat het zoo duur was hè? Vijf-enzeventig cent.... En Karel deed Bouwmeester na, met rollende oogen en wilde gebaren, en Annètje trok hij mee, bedwelmd en verrukt in een ongekende wereld.
Achter de toonbank lazen zij samen Nelly van Dickens, en Annètje had moeite om niet te huilen bij al de rampen van de lieve kleine Nelly. Met een brok in haar keel zat ze met krampachtig opengesperde oogen, want ze was bang dat Karel het gek zou vinden als
ze huilde. En toen was er eenmaal een wonderbaarlijke gebeurtenis: Karel was naar de komedie op het Leidsche Plein geweest en had er Nelly zien spelen. En Veltman, de groote acteur Veltman, speelde voor Quilp.
Dien middag zaten moeder De Roos en Annètje met hoogroode kleuren te luisteren en te kijken naar Karels plastische voorstelling, hoè Quilp er uit zag: met zijn kromme scheeve figuur, zijn duivelsch gezicht, zijn vingers als klauwen; hoe hij zijn arme vrouw kwelde, en den anderen schurk Brass op helsche manier treiterde. En met groote eerbiedige oogen keek ze Karel aan, toen die de voorstelling eindigde met te zeggen:
‘Ik ga aan 't tooneel - dat is vast.’
De vriendschap met Stance Bremer bracht heel andere dingen. Stance gleed zoo weldadig vanzelf mee in het leven van allen dag, wat Karel niet deed want die was een jongen. En met Stance ging ze het leven in het burenhuis meeleven. De vader, kapitein bij de koopvaardij, een goede kerel, druk bewegelijk, het heele huis bij zijn thuiskomst onmiddellijk opzweepend in een voortdurende onrust. Hartstochtelijk gehecht aan zijn stad, dwaalde hij gansche dagen rond door de straten, iederen middag zijn glas bier drinkend aan de nieuwe Stadsherberg, turend over het IJ naar de schepen die dansten op het grauwblauwe water - of onder de Hooge Sluis bij Stille. Hij was ook lid van een schietcollege dat daar oefende. Eenmaal had hij, felle jonge kerel, meegebracht uit Antwerpen, zijn vrouw. Een zware Vlaamsche jonge vrouw, in de jaren geworden van een groote zwijgzame rustigheid, een melancholie broedend in haar troebele oogen om den man, dien zij telkens weer afstaan moest aan de zee - moeder van een gezin met drie dochters, waarvan Stance de jongste was.
Annètje, wier leven stil, bijna in afzondering totnogtoe vergaan was tusschen een hard werkenden, in zich zelf gekeerden vader, en een bij het uur van stemming wisselende moeder - voelde zich hier in een andere, lichtere wereld. Zij verloor hier veel van de zwaarwichtigheid van eenig kind, dat te veel begreep en meeleefde thuis. Zij zag met groote oogen de twee oudste meisjes al verloofd, met vroolijke jonge mannen waar ze heel beschroomd van terugweek. En zat er met Stance, het nakomertje, in een hoekje te genieten van vrijheid en spelletjes.
Ook wel veilig en geborgen voelde zij zich bij de groote zware moederlijke vrouw, die zoo weinig sprak, en haar als een klein kind op haar breeden schoot kon trekken en over haar krullen strijken.
Nog een derde vriendschap stond glorieus in Annètjes leven. Dat
was juffrouw Verdoes, de mooie, lieve Elize Verdoes, die ze bij den naam mocht noemen, hoewel ze al achttien jaar was. Zij schreef zelf verhaaltjes, dat vervulde Annètje met een geweldigen eerbied. En zij kon op straat verrukt opeens gaan hollen, als zij het fijne bleeke gezicht met bet lorgnetje, het krullende blonde haar en de tengere lange gestalte zag, om haar een kus te geven. En haar onschuldige oogen keken hatend Weesburg aan, toen die eens spottend zei:
‘Elize Verdoes - een savante, hè? Laat ze maar loopen. Ze is heel familiaar met heeren van de krant; ze loopt er maar wat vroolijk mee over straat.’
‘Is dat dan erg -’ dacht Annètje opstandig, ‘maar je mocht niet meepraten met groote menschen.’
Met Stance genoot Annètje mee de glorie als de vader thuis kwam, met zijn verhalen, zijn vreemde voorwerpen uit verre landen, zijn beesten voor Artis dikwijls, apen, papegaaien, die een oneindigen last gaven in het menschenvolle huis; waarbij de oudste dochters verontwaardigd tegenspartelden, de moeder kalm zich schikte, en Stance niet van hem weg te slaan was.
‘Mijn kleintje,’ zei hij trotsch. Hij liet overal op reis haar portretje zien.
's Zomers mocht Stance met Annètje mee gaan logeeren in het groote huis in Monnikendam bij opa en oma Stevensen. Zij gingen met de trekschuit, ieder met een groen trijpen reiszak, die Leentje voor hen naar de schuit bracht. In de eene tasch was verpakt al het keurige ondergoed van Annètje - in de andere het bundeltje wonderlijk ongelijksoortige tooisels dat moeder Bremer er den laatsten morgen haastig inpropte.
De reis begon met veel pret. Over het IJ, dat duurde maar kort en dan was er ook nog zoo veel te kijken - al die schepen, de botters van Marken, van Enkhuizen, waar moeder altijd van vertelde....
Maar ten slotte werd het altijd lang. En eindelijk, uitgepraat en moe gelachen, zaten ze een beetje weggezakt nog maar stil te kijken door de kleine raampjes waaraan de wereld zoetjes voorbij schoof; aan den kant in het gras liep het jaagpaard met het jagertje op den rug. Als het leeg was in de roef, zaten zij te lezen of te spelen, maar als het vol werd met veel menschen werden ze verlegen - zaten stil, blij als niemand iets tegen hen zei, of vroeg waar ze heengingen.
Als ze dan aankwamen, moest eerst doorworsteld worden de begroeting met oma, het kleine vinnige dikke vrouwtje met de Noordhollandsche kap, altijd dingen zeggend die grappen verbeeldden en naar waren - aanmerkingen op je kleeren, op je zorgvuldig gepijpte krullen - op je weinige eten. ‘Stadsbleekneuzen,’
snibde oma. En ze noemde Annètje Net, en dat vond Annètje werkelijk verschrikkelijk.
Maar als grootvader thuis kwam, als je zijn paard hoorde stilhouden voor het huis, dan werd alles dadelijk anders. Dat was meestal laat, kort voor het avondeten. Dan werd je geplaagd en aangehaald - dan werd er veel en precies gevraagd naar alles van thuis, van vader en moeder. En dat gaf ineens dan een veilig gevoel, want zelfs Stance vond 't een beetje moeilijk zoo ver van huis.
Aan tafel met het blauwe mooie servies gedekt, met veel en lekker eten, praatte en vertelde grootvader - van 't werk waaraan hij bezig was, een sluis ergens - een brug - een dijk. Dat waren de dingen waar moeder ook altijd van sprak alsof dat iets heel heerlijks was. En het kind zag hoe oma dikwijls achter grootvader staan bleef, terwijl hij praatte, haar hand op den stoelrug, en hoe haar oogen, haar heele gezicht nu niet vinnig meer waren, maar zacht en bedeesd. Zij wist ook, dat oma, zóó als zij het rijtuig hoorde, op haar korte kleine beenen de lange gang doordraafde - een rollend tonnetje - naar de voordeur.... En de oogen van het kind werden oplettend en peinzend.
Meestal speelden zij den heelen dag buiten, snoepten van de vruchten, glipten de stallen in, en aaiden, grootste heldendaad van een stadskind, een goedig paard over den neus. Maar soms ook mochten zij meerijden in de sjees met opa naar 't werk.
Stevensen genoot dit. Fransje was zijn jongste en zijn lieveling - het bleef hem altijd hinderen, dat toen zij trouwde het vet al van den ketel was. Maar heimelijk stopte hij haar toe wat hij kon. Eenmaal had hij, groote aannemer, die in Amsterdam de machtige sluizen gebouwd had, voor al zijn kinderen een ton, voor elk van zijn dochters een boerderij. Maar hij had het niet kunnen vasthouden. Zijn schoonzoons waren kerels van niets geweest, die hadden het er doorgejaagd. Drie dochters had hij begraven - zijn kinderen konden niet tegen verdriet, daarvoor hadden ze het thuis te goed gehad. Met zijn zoons was hij ook niet gelukkig geweest. De oudste, aannemer als hij, verdronk den boel, stierf jong - de tweede kwam om op zee, dat was een oppassende jongen. De derde was ingenieur in Den Bosch, had een freule getrouwd, dien zag hij nooit, zijn kleinkinderen kende hij niet.
Voor Fransje eindelijk, zijn blauwoog, zijn vroolijke luchthart, toen die tot een trouwdag kwam, vond hij Goldeweijn een saaie treurige kerel. Maar een solide jongen - hij had den schrik gekregen van al die vroolijke jongens. Een echt heertje ook, al kon dat laatste hem geen cent schelen. Hij had liever gehad dat hij goed in de duiten zat.
Ja. Eenmaal was zijn leven blij geweest, vol van een vroolijk druk gezin. Zaterdags kwamen ze hem halen aan de nieuwe Stadsherberg waar hij logeerde als hij een werk in Amsterdam had. Hàrd en veel had hij gewerkt, maar ook veel verdiend, dat verzoette alles. Dat Annètjes vader, die er nog zoo ongelukkig zwak en slecht uitzag ook, dag en nacht sloofde voor een karig bestaan, zoodat Frans zich bekrimpen moest, dàt vond hij erg. En hij had voor hen telkens de kleine verrassingen van zijn goedhartige graaggeefsche natuur: een bankje van vijf-en-twintig gestopt in een mouwtje van Annètjes jurk of nachtjaponnetje als zij naar huis ging. Een mandje peren met onderin een muntje van tien, bengelend aan een steel....
Op dat jongste kleinkind ook, met haar fijn gezichtje, haar sierlijk figuurtje, was hij trotsch. Stevig en kort gebouwd, zijn gebruind goedhartig gezicht met de groote levendige oogen stralend van plezier, ging hij met de meisjes het stadje door - en de lachende vroolijke Stance had een even grooten bijval als het stiller Annètje.
Haar neven en nichten, allen veel ouder, kende zij weinig. Fransjes zusters hadden weinig of geen kinderen gehad. Een enkel neefje, Klaas, logeerde soms gelijk met hen in Monnikendam. Een goedige jongen, die als een knechtje sjouwde voor de meisjes, hun onderdanige dienaar. Annètje mocht hem wel in Monnikendam, al dacht ze thuis nooit meer aan hem.
Zoo waren de dagen daar in den zomer vol en fleurig, in zon en vrijheid en ruimte, van ongekende heerlijkheid. Maar 's avonds lagen ze in eikaars armen, heimelijk in een bed gekropen. Door het andere dansten ze 's morgens, woelden het om of het beslapen was. En ze luisterden, met stijf-toegeknepen oogen naar het zacht zingen van den wind om het huis, het ruischen in de boomen, het kletteren van den regen op een wilde vlaag aangedreven - vreemde geruchten uit de stallen, uit den tuin. Als een wonder vertrouwd en veilig oord zagen zij in hun geest den Voorburgwal, het smalle grachtje onder de groene boomen, waar de huizen gerust vlak tegen elkaar stonden, en hun eigen huis warm geborgen in de rij.