FRANSJE GOLDEWEIJN had een van haar koffievisites gegeven - die uitgebreide partijen waarbij zij een groot aantal dames verzocht uit haar voortdurend wisselenden vrien-dinnenkring.
Annètje, staande bij de deur waar zij met Leentje de visite hielp aankleeden, zag vervuld van denzelfden diepen afkeer als haar vader, den kring der liefdoenerige, opgewonden, kwezelende vrouwen aan. In de kamer hing de wee zoete lucht van de karafjes en glaasjes die na de koffie op tafel waren gekomen; en het meisje trok met een beweging van afweer haar hoofd terug toen mevrouw Weesburg femelde:
‘En Annètje wordt maar een knap meisje.’
‘Ja, ja, ze aardt naar haar moeder -’
‘Nou krijg maar geen kleur, Frans!’
‘Als ze maar goed en braaf is, dat is toch het voornaamste, wat zeg jij, kind....’
Annètje luisterde nauwelijks. Zij moest dien avond op een danspartij, en bedacht popelend, of Leentje met al die drukte nu wel haar witte jurk gestreken had. Dan opschrikkend keek ze haar moeder aan: wat lachte moeder opgewonden en uitgelaten! En gepraat had ze! Dingen, die Annètje voor geen derde part waar wist. Zou moeder dat nu zelf niet weten?
Met verbazing bedacht Annètje altijd weer op die visites, waarbij zij grooter geworden nu moest mee aanzitten - zij was vroeg van school thuis gekomen, ze hield niet van leeren, en alleen nam ze nog lessen in vreemde talen, - dat haar moeder weinig onderscheid maakte tusschen menschen. Iedereen was haar goed, die vroolijk en gezellig kon zijn. Bij haàr ging het altijd zoo langzaam en
moeilijk, ze kon 't alleen maar prettig hebben met enkelen. En dan ook weer: zonder spijt kon moeder menschen, die ze had aangehaald en uitgenoodigd, waarmee ze vertrouwelijk was geweest, verliezen en vergeten. En voor zulken draafde zij dan een heelen morgen om maar alles in de puntjes te hebben.
Nu - ze waren weg. Luid pratend en giegelend nog tot op de stoep. Mevrouw Weesburg het laatst. En Annètje bij de deur hoorde opeens haar moeder halfluid zeggen:
‘Zeg Marie, toe geef me nu meteen even dat geld van de handschoenen?’
‘De handschoenen.... o wat ben ik dom geweest - nu heb ik het toch vergeten. Morgen hoor.’
‘Neen, ik moet het nu hebben.’ Er was angst in moeders stem.
‘Morgen. Bepaald.’
Wat wàs dat nu weer met die handschoenen? Annètje haatte dat mensch. Waarvoor was moeder bang? Gisteren waren zij samen nog uit geweest....
Met den afkeer van haar vader, gaf Annètje de kleine elegante vrouw haar groet stug terug.
Fransje was naar binnen gegaan. Driftig, te hard, begon ze de glaasjes, de schoteltjes bij elkaar te zetten. Warm en prikkelbaar was zij opeens. Gisteren.... had Marie Weesburg haar meegetroond naar 't Brusselsche Crinolinehuis op 't Korte Spui - daar lagen zulke beeldige glacé handschoenen. Maar te duur dacht Fransje, haar geld was toch al haast op en de maand nog lang niet om.
Toen had Marie geplaagd: had haar man dàt niet eens voor haar over - een paar behoorlijke handschoenen.... ‘Die je nu aan hebt geven zulke groote handen.’
‘Hij heeft alles voor me over - meer dan jouw man voor jou! Maar de mijne moet er hard voor werken!’ was ze opgestoven.
Toch, eenmaal in den winkel, terwijl zij de paren betastte en bekeek, ze vergeleek bij de goedkoopere van fil d'Ecosse, was ze bezweken. Haar groote handen waren een teer punt, maar toen ze betaald had, trok Marie opeens verschrikt haar hand uit haar reticule terug:
‘Mijn beurs vergeten! Schiet jij even voor, je krijgt het morgen terug.’
Zij had betaald den dubbelen koop, die een gat sloeg in haar schamel restje financiën. Maar ze wou den vroolijken middag niet bederven - zeuren deed ze nooit. Pas toen ze thuis haar donkere trap weer opging, bedacht ze kregel hoe dikwijls zij den laatsten tijd Marie Weesburg had voorgeschoten en nooit 't geld teruggekregen. Zij dorst het
Goldeweijn niet klagen, bang dat hij haar de vriendschap verbieden zou, zij beroofd zou zijn van de vroolijke tochten langs de winkels met Marie. Zooals zij zich altijd vergiste in haar te kleurige opzichtige kleeding waarmee ze in onschuldigen trots over straat flaneerde, onbewust van eenig tekort, zoo greep zij ook nooit het juiste vermaak, de juiste vriendschap.
De handschoenen had zij weggeborgen, ze niet durvend toonen nog. Maar gisteravond bij het concert in het Park waar ze eens bij uitzondering heen waren gegaan, had Marie gezeten, keurig geganteerd met den nieuwkoop. Goldeweijn en Weesburg hadden er beiden iets vleiends over gezegd en Marie lachte, keek plagend naar Fransje. Die zat er, de lippen op elkaar, in een woede van jaloezie en gekweldheid. Met gróóte handen.
Nu had zij het geld tòch niet gegeven.
Haar volbloedigheid deed haar blozen, warm en geagiteerd van opwinding, van de twee glaasjes anisette. Ze begon rumoerig op te ruimen.
Op de gracht liep Goldeweijn tegen de laatste gasten, Marie Weesburg en juffrouw Kooistra, aan. Elegant deinend in haar wijde crinoline met de dure sjaal, liep Marie te glimlachen. Hij groette humeurig.
Hij was moe. Hij had geen tijd gehad koffie te drinken, was maar doorgeloopen van den een naar den ander. Allemaal dingen die hem veel tijd kostten. Op de suikerfabriek van Tetterode een kerel in de kokende suiker gevallen - een ander een versplinterden arm. Hij had eigenlijk moeten rijden, maar 't liep zoo op. Er moest iets uitgevonden worden dat je zelf op twee wielen voortvloog. Zoo iets als die dingen, die je met je voeten voorttrapte, - op de Schans bij de Zaagpoort kon je ze huren, maar je mocht eerst wel voor acrobaat studeeren eer je dààr op rijden kon!
Toen had Kraetzen uit de Garnalen Doelen hem vastgehouden met zijn klachten, zijn ergernissen. Acht-en-twintig jaar had hij zijn zaak gedreven, drie duizend gulden huur betaald 's jaars, en nu werd hem de huur opgezegd en hij broodeloos gemaakt, omdat zij zijn perceel noodig hadden voor een gemeentelijke universiteit.
‘Zoo'n haast had de Amsterdamsche wetenschap om Leiden, Utrecht en Groningen te gaan verduisteren!’ had hij schamper gezegd.
Goldeweijn had niet veel geantwoord. Maar naar huis loopend, ging zijn hart open bij de idee, dat zijn stad een eigen universiteit zou hebben, waar al, wat zijn liefde en eerbied had, zou worden onderwezen.
Slechts zijn vrouw en zijn kind wisten van die eene groote vereering, diep als een religie in zijn leven, voor de grooten in de
medische wetenschap. Fransje wist het, en het deed haar voorzichtig de lijsten afstoffen van de portretten boven de zwart paardenharen canapé. Leeuwenhoek, Spallanzani, Pasteur.
En Annètje wist het. Op een avond, toen zij, kleiner nog, gevraagd had: ‘Wie zijn dat toch vader?’ had hij zoo ernstig dat het kind het nooit vergat, gezegd:
‘Dàt - dàt zijn onze groote voorbeelden in de wetenschap. En je vader doet zijn best Annètje, door zijn heele leven te geven aan hetgeen zij ons nalieten, hun tenminste waardig te zijn. Dàt is de eenige wijze, waarop ik hen kan eeren.’
Zijn grootste genoegen was nu en dan naar den Hortus te wandelen, waarheen hij Annètje soms meenam. Hij noemde haar Commelijn en Burman, die zooveel gedaan hadden voor den teelt van geneeskundige kruiden. En klein al kende zij het zware boek, ‘Naamlijst der geneesrijke Plantgewassen in den Amsterdamschen Kruidtuin’ van Professor Vrolik.
Maar dit jaar was de Hortus heelemaal veranderd. Met gefronsd voorhoofd liep Goldeweijn er door, en zocht zijn oude geliefde vrienden onder de planten. Honderdtachtig jaar had de tuin de eigen gedaante behouden, nu was hij plotseling gemoderniseerd.
Goldeweijn was verontwaardigd. Hij vond er de stijve elzenhagen omgehakt, de bedden geneeskundige kruiden omgespit - slechts enkele gespaard, die dienen moesten voor de studie der aanstaande pharmaceuten. En verder.... verder waren het perken en gazons geworden - een orangerie, alles voor siergewassen. Hij herkende zijn ouden Hortus niet meer - het was heelemaal een bloemtuin geworden....
Zoo weinig waren zijn genoegens, zijn gehechtheden, dat hij moeilijk over het verlies van een enkele heen kwam. Maar het schaarsche geluk waartoe hij vatbaar was, drong zich bij hem samen in 't bezit van zijn vrouw en zijn kind, hoe weinig hij het mocht toonen.
Tegen zijn vrouw, over al haar onvolkomenheden, speelde hij op, omdat dit nu eenmaal zijn manier was als zijn ongenoegen gewekt werd, maar hij had haar op zijn stroeve, weinig demonstratieve wijze, lief. Hij was trotsch op haar, al had hij haar een minuut te voren om haar uithuizigheid bevit, als hij haar zag wegwandelen, blij als een ontsnapte groote sierlijke vogel, met haar snellen statigen gang, vorstelijk rechtop - in den zonderlingen opschik van felle kleuren en grootbloemige patronen - in al de bekoring nochtans die uitging van haar lach, haar vertrouwende vriendelijkheid jegens iedereen.
Hij had haar zeer lief over het geheel genomen - alleen de momenten verdroeg hij niet. En ook nu met de lugubere overblijfselen
van het gewezen festijn voor oogen, stootte hij humeurig de kamerdeur verder open.
Fransje, omziende, liet een bordje uit haar handen glijden.
Hij zag haar te roode kleur en werd opeens driftig.
‘Heb je weer al die wijven in huis gehaald? Je bent zoo opgewonden dat je den boel uit je handen laat vallen. Jij zal ons nog tot den bedelstaf brengen!’
Annètje kwam er tusschen: ‘Vader....’ Maar tegelijk zag zij wat haar versteende, met wijde oogen van schrik:
Moeder had het heele stapeltje bordjes gegrepen en smeet ze achter elkaar vader in scherven voor de voeten.
‘Daàr - daàr - daàr! ik zàl je leeren op te spelen over één onnoozel bordje!’
Annètje gaf een gil.
‘Moeder! o moeder!’
't Leek haar het laatste oordeel: moeder, die haar eigen boeltje, waar zij zóó op gesteld was, in stukken gooide. Schreiend ontzet bukte zij zich naar de scherven. Maar de razende vrouw, duizelig van opwinding, hoorde niet. Op de canapé neergevallen, jammerde haar hooge heldere stem stikkend in snikken haar klacht:
‘Jij hebt me ongelukkig gemaakt! Je hebt me van thuis weggehaald. Er is in de heele stad niet een zoo ongelukkig schepsel als ik....’
Goldeweijn, inderdaad tot zwijgen gebracht, was woedend weggeloopen. En Fransje schreide voort met dikke tranen in haar netjes opgevouwen grooten witten zakdoek - beeld van zoo roerende droefheid dat Annètjes toorn en schrik ervan versmolten - zij in 't diepste medelijden begon te liefkoozen en te troosten.
Op haar teenen, redderde Leentje, zwijgend en ontdaan de scherven weg.
----------------
Annètje had even gefluisterd om de keukendeur: ‘Mijn jurk, Leen?’ En die had gewenkt: ‘In orde, jongejuffrouw - hij hangt al boven, hoor.’
Dan aarzelend was ze naar binnen gegaan, maar aan tafel praatte Fransje al lang gekalmeerd vol belangstelling over Annètjes partij. De vader zweeg. En Annètje ook antwoordde karig, in een stil verwijt om den onnoodigen diepen schrik die nog natrilde in haar knieën.
‘Ik heb in de heele partij geen eens meer zin,’ dacht zij.
Maar om kwart voor acht, in de mooie witte jurk - hoe keurig had Leentje de strookjes gestreken - en hoe mooi ook had moeder haar haren in krullen gezet - stapte Annètje tòch weer verblijd in het
toesleedje, waar ze niet in mocht gaan zitten om de strooken niet te kreuken. En, haar witte garen handschoentjes zorgvuldig uitgespreid, stak zij in haar eentje van wal.
Sinds zij meer naar ‘partijen’ ging, waren het deze tochten heen en terug, die haar meer boeiden dan de avond zelf. En alleen aan Karel kon ze hiervan het bizondere doen verstaan. Maar dat kwam omdat Karel àlles begreep, dacht Annètje, terwijl ze in haar sleedje hotste over de hobbelige keien door de donkere straten naar den Buitenkant. Zij keek naar het haar nu al vertrouwd geworden gezicht van den grijzen sleeper, haar gezel op meer dergelijke vaarten, die telkens behendig voor het sleedje zijn smeerlap mikte....
Of je verre, verre reizen deedt. Of je een prinses was die reed in haar gouden koets door de wereld. Alle menschen liepen, maar zij, Annètje Goldeweijn was nu een hooger wezen - een andere dan 't gewone kind dat maar vlug langs de straat trippelde. Je liep ook niet graag alleen over straat als meisje - ze keken je zoo aan....
Maar nu reed ze - rééd ze - en ze wou wel dat het kon duren....
Maar ineenen was daar de bons, de schok waarbij je haast tuimelde - stond het sleedje. En je stapte uit. Je wist nu al, het was altijd hetzelfde: daar ging je binnen in de zaal - aan den eenen kant grinne-kende harkerige jongens, aan den anderen gichelende, luid babbelende meisjes. En zijzelf, eventjes verlegen wel, begon daar tusschen door te loopen met den statigen veerenden gang van haar moeder.
‘Wat veel licht,’ dacht je nog, en voelde meteen even aan je krullen - en dan liep je tot je stondt voor een vriendelijke meneer en mevrouw, en je maakte netjes je compliment....
Was Stance er ook, dan was het metéén prettig. Dan klitte je samen, kritiseerend en ginnegappend - dan voelde je je samen machtig....
Maar als je alleen was, zooals nu.... Daar stevende al een lange jongen aan, verlegen met groote stappen, en achter hem weer een - en de een na den ander. Met zijn arm stevig om je ceintuurtje danste je weg....
En nu herkende Annètje ook in plotselinge blijheid haar eigen dansmeester van school, den knorrigen strengen ouden heer, die driftig elk vergrijp tegen de maat aftikte op zijn viool. Maar Annètje wist, ze danste goed - en verheugd ving zij den goedkeurenden blik waarmee hij van haar sierlijke kleine vlugge voeten naar haar kalm frisch blank gezichtje keek. En alsof ze nog op school was, zoo ijverig deed ze haar best met haar danseurtje.
----------------
Maar na de laatste polka om tien uur - na het glaasje wijn met
een taartje - was er weer het prettigste van den heelen avond. Nòg prettiger dan bij het heengaan, als je toch even beklemde de gedachte hoe het zijn zou.... Ze had véél gedanst, de jongens hadden om haar heen gestaan.... haar gezichtje gloeide warm en voldaan....
En nu was er weer dat wonderlijke: hotsend en bonkend vloog je op je sleedje de donkere straten door - zoo laat al. Je mocht nu zitten, want je jurk was toch verkreukeld - en haar vriend met den smeerlap liep naast haar raampje....
Toen plotseling dacht Annètje weer aan thuis. Hoe zou het daar zijn.
Maar toen zij het huis inkwam, deed haar moeder de kamerdeur al open, en vroolijk riep haar hooge heldere stem:
‘Ik ben nog hier, me kind! Kom maar gauw!’
En nauwelijks was Annètje de deur in, of Fransje zei gelukkig:
‘Grootvader is er geweest den heelen avond.’
Zij zat er, een ander wezen dan hier geschreid en geraasd had. Verlost, bevrijd voor het oogenblik weer van allen geldnood. Als zij vader niet gehad had!
Dikwijls als zij ontmoedigd van het loopen door de Amsterdamsche straten waar honderd dingen voor je oogen dansten die je tòch nooit koopen kon, thuis kwam - vond zij hem op haar wachten. Die met denzelfden lach, dezelfde vroolijkheid als de hare, de zorgen wegdreef en haar alle mogelijkheden van het oogenblik weer in de hand stak. Die als zij stil thuis zat, met afkeer turend in het spion over de straat, of over het groene grachtwater waarboven het vuilnis uitstak, plotseling de trap opstommelde en luid om haar riep.
Zoo ook was hij nu gekomen op dezen droeven avond - toen zij eenzaam, verdrietig zat - het kleine, haar altijd te stille huis vullend met zijn grappen, zijn jovialen gezelligen praat. O, vader was Monnikendam, was gezonde frissche buitenlucht, was vroolijk vrij leven. Altijd als hij kwam hing er een gloed van verwachting in de kamer om de een of andere verrassing: kaarten voor de komedie, een cadeautje in geld, stof of zij voor een japon....
Nu hadden ze zoo rustig gelukkig samen gezeten, elk verteld van zijn leven. Frans klaagde nooit, dacht de vader. Neen dat deed zij niet. Jammeren, verwijten mocht zij tegen haar man; zelfs tegen haar vader zou haar nooit een klacht ontsnappen, in een trouw, alles over-heerschend gevoel van saamhoorigheid.
Maar toen zij, terwijl zij theeschonk, hem geheimzinnig frutselen zag in haar naaitafeltje, wist zij dat zij weer gered was. En die vreugde en verlichting maakten haar stralend, terwijl zij tegenover Annètje zat en alles verlangde te weten van de partij.
‘Dit was ook al een prettig slot,’ dacht het meisje - ‘moeder
die zóó meeleefde in den avond of zij zelf nog een meisje was.’
‘Kan u ook dansen?’
Fransje met haar lach, vertelde goedmoedig van den dansmeester die in de kleine gelagkamer van het logement hun de schotsche drei leerde.
En op eenmaal, haar wijde rokken coquet opgenomen, danste Fransje, groot en lenig door de kleine stijf mahoniehouten kamer, tot zij ademloos, de hand op haar dungeregen middel geperst, op het canapeetje neerviel.
Zij lachten samen, moeder en kind; de droeve vervelende middag lag ver achter hen.