AMSTERDAM lag rustig in den lichten Aprilavond. Over de grachten groenden de boomen in prille lente, bogen over het stille donkere grachtwater hun frisch getooide twijgen.
Goldeweijn keek ernaar met vermoeide, verstrooide oogen. Hij dacht, hoe in Rotterdam gevallen waren gesignaleerd van Aziatische cholera. Zeven gevallen, vier overleden. En in Delft een geval. In Katwijk. Hij wist, als de vijand kwam in hun stad, verspreidde hij zich in het vuile verontreinigde grachtwater - 't was niet aan te nemen dat Amsterdam zou vrij loopen, al was er duinwater in de meeste wijken. Maar de armenbuurten, wat dronken die? Het regenwater uit de smerige goten of in het gunstigste geval uit de Weesperschuit. Het zou hoog noodig zijn duinwaterkranen te plaatsen daar - hij peinsde over een ingezonden stuk in het Handelsblad om daarop te wijzen.
Tuis vond hij visite. De Weesburgen, mevrouw Bremer en Annebet Kooistra, de ongetrouwde juffer. Zijn kind Annètje zat er ingetogen tusschen, haar rond gezond blank gezichtje over haar handwerk gebogen. Ze was een beetje verlegen Annètje, voor juffrouw Kooistra, die van die vreemde dingen zeggen kon, waar niemand anders aan dacht, en waar dan spottend om gelachen werd.
Marie Weesburg zat er in een nieuw zijden foulardje. Haar donker sierlijk hoofd bewoog coquet, en haar zwarte gulzige oogen vlogen telkens over Annètjes uitbloeiende jonge schoonheid. Dan strekte zij even de klein, bruine handen en draaide haar ringen rond.
‘Dat foulard imprimé kocht je in den nieuwen Bazar tegenover de Heilige Weg,’ onderrichtte ze Fransje. Vertelde meteen luider verder: ‘Hoe ze bij van Lier Roza Szuk hadden gehoord, een wereldberoemdheid op de violoncel. En een paar dagen later een voordracht van Cremer
in Odéon van zijn overbetuwsche novellen. 't Was stampvol en hij deed het alleraardigst.’
Fransje Goldeweijn zat er bij te springen op haar stoel. Zij kwam nergens. Zij was heimelijk op een middag naar de Kalverstraat gegaan in het lokaal Diligentia, had er gezien ‘de versteende man.’ 't Was bedrog natuurlijk, maar ze had er moeten lachen met een juffrouw en een paar kinderen - dat waren haar uitjes.
‘Jullie gaan maar uit,’ zei ze wat snibbig, dat verloren ging in haar goedigen lach.
‘Ja. Blijspel: ‘Mijn vrouw gaat uit,’ maar 't drama ben ik: ‘Wie zal dat betalen,’ zei Weesburg.
Hij lachte, maar zorg broedde diep in zijn blik. Bij zijn roode congestieuse kleur trokken de oogen gelig en hol in hun kassen.
‘Het leven is duur tegenwoordig,’ zei hij nog. ‘Heb je gelezen over dat adres van de Typographen met verzoek een gelijk Nederlandsch loon te willen invoeren van negen gulden per week?’
‘Hoeveel hebben ze nu?’ vroeg Goldeweijn.
‘Gemiddeld zes. Ze kunnen er niet meer van komen zeggen ze. Ze werken bij mij zestig uur in de week, of tien uur per dag. Maar ja, voor ons is het leven evengoed duurder geworden. Alle levensmiddelen zijn met vijf-en-zeventig procent gestegen de laatste vijf-en-twintig jaren.... Dat dit voor ons ook geldt, rekenen ze maar liefst niet.’
‘Het is een gekke tijd,’ zei Marie. ‘Verbeeld je, ik las dat er een brochure is uitgekomen van eenen Piccard ‘Moet de werkzaamheid der vrouw worden uitgebreid?’
‘Een vrouw heeft genoeg te doen in haar huis,’ lachte Fransje.
‘Maar dat is ook de kwestie niet,’ zei de schuchtere Annebet Kooistra, en de vlekken op haar magere wangen werden vuriger nu al die getrouwde mannen en vrouwen haar opeens aankeken. ‘Het gaat erom of een vrouw die niet trouwt niet iets anders kan worden dan altijd onderwijzeres.’
‘Niet noodig,’ zei Goldeweijn, ‘laat een vrouw in het huishouden blijven.’
‘Maar als ze dat niet hééft -’ riep het oude meisje, en de kraaienpooten om haar donkere felle oogen trokken nerveus - ‘en niet iedereen is geschikt voor onderwijzeres....’
‘Och kom,’ lachte Weesburg. ‘Zoo'n kleinkinderschooltje, dat is nu net iets voor een vrouw.’
Mevrouw Bremer zat er zwijgend bij; haar goed moederlijk gezicht keek van Annètje naar Annebet. Ze dacht aan haar eigen dochters, jong verloofd.... Ja, als je meisjes niet trouwden, wat dàn.... Haar
gedachten gingen terug naar haar eigen zware jeugd in het Antwerpsche café - dingen waar ze nooit over sprak - een moeder waarvan ze niet wist of ze leefde of dood was....
Maar Annebet Kooistra dacht in fellen opstand, die door de conventie met geweld teruggehouden niet doorbrak:
‘Maar hemel, àls je dan niet getrouwd bent en geen kinderen hebt - als je dat allemaal niet gekregen hebt, mag je dàn niet tenminste kiezen wat er nog voor je over is!’
‘Ze lijken wel gek tegenwoordig met hun nieuwigheden - er is nu ook al een industrieschool voor meisjes geopend....’ zei Fransje.
‘Ach maar de meisjes zijn wat mans tegenwoordig!’ lachte Marie Weesburg. En ze vertelde van haar nichtje, dat notabene alleen naar Groningen was gereisd. Met den trein tot Zwolle en toen verder 's avonds laat met de diligence. 's Morgens vroeg kwam ze eindelijk in Groningen aan.
Fransje trok haar neus op. Zulke dingen deden geen fatsoenlijke vrouwen. Annètje luisterde verstomd. Goldeweijn dacht, dat Marie Weesburg geen geschikt gezelschap meer was, nu zijn dochter zoo groot werd....
Het gezelschap brak vroeg op. Annebet, die liever geen gunst afwachtte van de Weesburgen, die den anderen kant uit woonden, had zich door den kruier laten halen. En zij liep, vernederd naast het goedig factotum, dat haar al gehaald en gebracht had naar kinderpartijtjes - voor wien zij nu haar stap matigde.
‘En wat gaf het....’ peinsde ze door op het vorig gesprek. ‘Als je wat anders zoudt kunnen, als je eens leeren kòn bijvoorbeeld voor apotheker - dat zou ze zoo dolgraag willen, zelf zoo'n apotheek hebben, een echt goede - maar je zoudt toch nooit als een man zijn - je zoudt nòg met een kruier naast je moeten loopen, en in den kring van vertrouwde menschen zitten als een die nergens bij hoorde....
Ze dacht op eenmaal aan de praatjes, die ze gehoord had over Elize Verdoes. Er werd verteld, dat zij de kinderen les gaf bij de familie Coolen, en daar eigenlijk heelemaal het huishouden deed nu mevrouw Coolen in 't krankzinnigengesticht zat. 't Gaf toch geen pas voor een jong meisje werd er gezegd. Och - zij had erbij gezeten en gedacht dat zij het niet erg vond. Waarom mocht je een man en kinderen niet helpen al was je ongetrouwd. Ze was over veel dingen zoo anders gaan denken, sinds ze Multatuli las.
Zij dorst het niet te zeggen - tegen niemand, ook niet tegen moe, de lieve zou zich doodschrikken - en voor geen goud tegen haar vrienden van dezen avond - heimelijk las ze de Ideeën, 's avonds in bed bij haar kaars. Dat waren woorden van een die voor 't eerst
regelrecht tot haar sprak, alsof haar eigen diepste gedachten door hem waren aangeraakt.
Zij ging daar, een vroeg verwelkte, niet door de jaren maar door den tijdgeest tot vroegen ouderdom gedwongen vrouw. En zij wist niet, zij die nog gedeeltelijk onbewust worstelde in een donkeren eenzamen strijd, dat daar in de groote landen van Europa, in Duitschland en Engeland, maar in Frankrijk vooral haàr strijd al gestreden werd openlijk door de vrouwen. Zij wist niet van het bestaan van een Flora Tristan, de opstandige, die in haar deels mystiek, deels verwoed betoog L'Emancipation de la Femme slag leverde tegen de bestaande orde van zaken. Zij kende George Sand niet anders dan bij naam, en die naam was in Holland een vrouw, die onfatsoenlijk leefde, mannenkleeding droeg, rookte en de onzedelijkheid propageerde in haar boeken. Zij wist nog niet dat deze ongekende zuster, een der belangwekkendste figuren der eeuw, gelijk met haar opliep, gelijk en vurig met die andere beweging, die in Holland nog maar was een flauwe golfbreking op het effen strand! Die der arbeiders. Zij wist niet van Daniël Stern, Liszt's geliefde en niet van Pauline Roland, die haar aanklacht had geschreven tegen den arbeid van vrouwen en kinderen in de steenkolenmijnen. Hoe die stierf, geknakt na haar straftijd in Algiers, door Hugo onsterfelijk gemaakt. Zij had nooit gehoord van Lassalle's kruistocht door Duitschland in die dagen. Klein en bijziende leefden de mannen, de vrouwen in Holland, terwijl in laaienden hartstocht daarginds de oude gravin Von Hatzfeld met Lassalles lijk den Rijn afvoer als eenmaal de oude Nibelungen. En reeds weerlichtte Marx' geweldige figuur aan den horizon, die den arbeid van vrouwen en kinderen wilde organiseeren, die de lont ontstak in vlammende geesten als Elizabeth Barrett Browning, met haar hartstochtelijk pleidooi: The cry of the childern. En die andere vrouw Beecher - Stowe, die de schande der slavernij in ‘Uncle Toms Cabin’ uitriep.
Dit eerste ochtendgloren ook in het vrouwenbestaan was door Annebet Kooistra nog niet geweten. En zij ging daar, klein en gesmaad, eenzaam haar weg.
Binnen was Annètje aan het opruimen gegaan, nadat haar moeder nog betoogd had dat Annebet ongepaste dingen zei tegenwoordig.
Goldeweijn op het punt uit te gaan, draalde, keek tersluiks naar zijn dochtertje. Hij wist niet wat onrust plotseling in hem joeg. Was het omdat hij weer die pijn had tegenwoordig die hij niet vertrouwde en waarover hij toch niet met een collega spreken wilde....
‘Wil jij niet onderwijzeres worden, Annètje? Dan kan je toch altijd voor jezelf zorgen?’
Het meisje keek verbaasd om, waar zij lag geknield voor het buffetje.
‘Onderwijzeres??’ zei ze eindelijk gerekt. ‘Maar als ik toch troùw!....’
Fransje lachte luid.
‘Maar als je blijft zitten?’ plaagde ze.
‘Ik wil trouwen,’ zei Annètje kalm, ‘ik wil niets anders.’ En ze kuste haar ouders goedennacht.
Goldeweijn liep in zijn kraag gedoken den stillen Voorburgwal af. Bij de Geelvinck moest hij opeens uitwijken; een menigte volk stroomde naar buiten, druk pratend. Mannen uit den arbeidersstand. Goldeweijn ging er tusschen door - wrokkige ergernis trok de plooien in zijn mager gezicht dieper.
‘Dat was weer zoo'n vergadering van 't volk waar ze mekaar opruiden om loonsverhooging en regeling van arbeidsduur. Arbeidsduur, de luilakken! Wie regelde zijn arbeidsduur, hij werkte veertien uur op zijn minst, en dikwijls nog 's nachts. En dat hinderde ook niet, hij beklaagde zich niet, een mensch was op de wereld om te werken. Maar daar had het werkvolk tegenwoordig een broertje aan dood. De Typographenbond was er nu al - nu gingen al die andere kerels ook bonden oprichten, de meubelmakersbond, en de sigarenmakersbond. Omdat de levensmiddelen zoo duur werden, en de machines steeds meer menschen uitspaarden, beweerden ze. Maar 't was omdat ze àl uithuiziger werden. De café's zaten altijd vol - wat voor een tijd was het om in te leven. Arbeiders stonden op, vrouwen werden ontevreden, alles roerde zich.
Hij dacht aan zijn kind, dat in dien nieuwen tijd mensch werd...
Daar voelde hij die pijn wéér....