BLAUW hing de damp van broeiende Augustusdagen over de stad, die met den grachtenstank de atmosfeer ondragelijk zwaar en benauwd maakte. Regens en stormen had de zomer gegeven, waarin na het koude schrale voorjaar alleen Juni droog was geweest. Degenen onder de Amsterdammers die een buiten hadden in de Meer, in het Gooi, of aan de Vecht, waren weggetrokken, en langs de grachten stonden de groote heerenhuizen verlaten en gesloten. Stof lag op de neergelaten jaloezieën, op de vensterbanken - in de van binnen door luiken afgesloten ramen weerspiegelde het trieste grijze zomergroen der stadsboomen.
In de binnenstad was het vol en levendig, maar de menchen gingen onder een druk. Wel waren de theaters open, de zomerconcerten in vollen gang, maar het volk morde, nu de kermis zou worden afgelast wijl de cholera nog steeds bleef heerschen
Over den Dam trok een stoetje armoedige vrouwen en kinderen de Warmoesstraat in naar het gebouw van warme spijsuitdeeling voor gezinsleden van cholera-lijders, of aan de ziekte overledenen. Ze stapten somber, zacht pratend met elkaar voort.
De wandelaars gingen opzij, wendden het hoofd af, uit vrees de ziekte in te ademen.
De kerels en vrouwen met handkarren vol peren, pruimen, komkommers, garnalen keken donker toe. De menschen kochten niet. Tegen overrijp ooft vooral was gewaarschuwd, en in deze dagen zat het bederf in de lucht. Wrokkend trokken ze hun karren in de schaduw, nu een enkele zonnedag de vochtige atmosfeer drukkend maakte - keken met sombere gezichten, waaruit de vrees lichtte, hun rauwe krijsch verstild - voor den tweeden keer in het half uur trok een begrafenis voorbij.
Vanwaar hij kwam, deze geesel, niemand wist het. Er werd geschreven in de kranten - sommigen zeiden van slecht drinkwater, maar niemand wist. De dreiging hing als een zware wolk in dien natten stormachtigen zomer van het jaar zes-en-zestig over de groote stad. Over de weidsche statige grachten, en door nauwe, stinkende stegen loerde de angst, sloop de ziekte, en sloeg toe. Als een spooksel drong zich de mogelijkheid van besmetting in de huizen, die niet veilig meer waren, geen vesting, geen toevlucht. Een vriend, een geliefde bracht den vijand binnen - hoè wist niemand. Aan hun tafel, vertrouwd, oase na de vijandige straat waar de ziekewagens gingen, het gevaar dreigde - aan hun eigen tafel zat op eenmaal de ziekte aan. Tusschen praat en scherts staarde zij opeens uit verglazende angstoogen, uit een groenig verbleekt in pijn zich verkrimpend, onkenbaar veranderd gelaat. De ziekte was in huis, hoe wist niemand. Naast hun tafel, in hun kamer, nog een oogenblik te voren veilig besloten, wentelde zich een stervend lichaam. En uit huis holden zij, hun bleeke angstige gezichten zelf de ziekte uitroepend, zoodat op straat de voorbijgangers uit elkaar stoven....
In Goldeweijns huis waren de gordijnen op de eerste verdieping gesloten, weerden er het toch niet straffe, omwolkte zonnelicht. En daarachter op haar oude plaats aan 't raam, waar zij gretig in het spion de gracht placht af te zoeken, zat Fransje in 't donker. Een schijnbaar onbeteekenende ontsteking aan het linker oog, die zich spoedig als een ernstige oogziekte deed kennen, hield haar reeds weken gevangen.
In het kleine huis scheen plotseling alle licht gedoofd. Er hing een tragiek om die groote levendige, bloeiende figuur, tot donker en roerloosheid gedoemd. Die krimpend van pijn - wonderlijk zij, die anders zoo spoedig en overvloedig uitklaagde - thans geen klacht uitte. Annètje schreide soms, om de afschuwelijkheid van bloedzuigers in moeders neus gezet; de walgelijke dieren die er zich vastzogen, zich verzadigd lieten vallen eindelijk, leken haar een onteerende vernedering voor haar mooie gezonde moeder. Maar Fransje, als de pijn haar even losliet, kon zelfs hierom lachen. Zoo sterk was haar aangeboren luchthartigheid, haar verzet tegen elk leed, dat zij slechts het oogenblik zelf duldde. En in de kleine donkere kamer, bij hun beider onhandig getob met compressen, weerspannige, afzichtelijke bloedzuigers, pijn en dwaze vergissingen, lachten en schreiden moeder en kind om beurten.
Goldeweijn werd stiller dan ooit. Hij was in den niet aflatenden kamp met lichamelijk lijden bij zijn patienten, wien hij zijn nooit verslappende nauwgezette zorg gaf, wat ontoegankelijk geworden
voor kleine ziektebezwaren in zijn huis. Maar na het consult met zijn ouden studiemakker, professor Laatman, die hem zei, dat Fransje's oog zoo goed als verloren was, zonk een zwaarte van leed in zijn gesloten, voor weinig vreugde vatbare ziel; om den nabijen ondergang van een verwarmende zon, die Fransjes verschijning altijd had uitgestraald - in toorn en smart, in vreugde en liefde.
Daarbij had hij het overdruk. Voor de cholerabureaux waren meestendeels gemeentegeneesheeren aangewezen, die boven het kleine salaris van vierhonderd gulden per jaar, de vijf gulden per dag extra gaarne binnenhaalden. Maar hij zat toch in de choleracommissie en zag dagelijks al de ellende die het vallen van een of meer gezinsleden nasleepte. En zijn stroeve, maar diep-innerlijk gevoelige natuur trok in deze dagen naar de volksellende - al schimpte hij tegelijk woedend over de opstandige woorden der arbeiders - meer dan naar de gegoeden in zijn eigen praktijk. Het aantal gevallen ook was in de volksbuurten aanzienlijk grooter, en hij toornde machteloos tegen het slechte drinkwater dat gebruikt werd in de Jordaan, niettegenstaande van alle kanten werd aangedrongen op het stellen van duinwaterkranen in de armenbuurten.
Hij trachtte, wat Von Baumhauer herhaaldelijk bepleitte, ontsmetting met phenylzuur in te voeren - hij was overtuigd dat wat de cholera-commissie deed, niet steeds steekhoudend en afdoende was: de ontsmetting door bleekwater en chloorkalk. Hij begreep met zijn helderen geest dat het kwaad elders school en dat dàt niet werd bereikt. Hij dacht in dezen tijd veel en verlangend aan de groote voorbeelden, die eenmaal zouden vinden wat hij nog niet wist.
----------------
En Juli, Augustus kropen voort. Aan haar raam, in 't donker, verkrompen van pijn, beluisterde Fransje het al meer veranderend leven der groote stad, door haar gehaat, en die toch haar leven machtig in zich opzoog. Het was zonderling stil op de gracht. Alleen de ziekte leefde. Als twee stemmen onder haar raam praatten, hoorde zij den naam noemen, gedempt, verstikt in de dreiging van 't gevaar.... En dikwijls, in de uren van den dag vele afgemeten stappen, een langzamen paardentred.... een begrafenis.... Zij hoorde het doodscher en stiller worden naarmate in de volgende weken, de ziekte toenam.
Zijzelf was niet bang, vreesde alleen voor Annètje en Goldeweijn. Die verkleedde zich dikwijls, hing zijn kleeren te luchten, waschte zich herhaaldelijk zorgvuldig. Maar altijd liet hem de gedachte niet los, dat hij de oorzaak niet wist, zelf misschien de ziekte al in huis had gebracht, alleen door onwetendheid....
Alle fleur van leven en vroolijkheid ook lag gebroken in dezen rampzaligen zomer. Marie Weesburg vertelde hoe leeg het was op de Parkconcerten, hoe de menschen er stil en bedrukt aan de tafeltjes zaten, zonder het gewone gezellig gepraat onder de muziek door. Want die daar nog kwamen, om zich aan den druk, den angst te onttrekken, hadden toch veelal een familielid, een vriend te betreuren en de gewone vroolijke stemming wilde niet komen. Marie Weesburg vroeg Annètje mee voor den Zondag als er een groote Gazilluminatie zou zijn, en de Fontein zou werken - maar Goldeweijn vond het niet goed. Hij zei: om het besmettingsgevaar. Maar inderdaad wilde hij niet graag dat Annètje gezien werd in 't publiek met de Weesburgen. Er gingen over de zaak van Weesburg rare praatjes. Als dat waar was, zou hij er zelf ook nog mee in zitten....
Hij zwoegde voort - weken waarin zijn werk één worsteling was met eigen onwetendheid en onwil en verzet van patienten. Het volk, verbijsterd van angst, opstandig zich verwerend dadelijk tegen elken dwangmaatregel, liep in woede en verzet te hoop bij het verplichte wegbrengen uit huis van een zieke naar het cholera-hospitaal. Elders vluchtten de gezonden, lieten een vader, een moeder, een broer alleen sterven uit vrees voor besmetting. De rijke Amsterdammers meden de stad, bleven angstvallig op hun buitens, zooveel mogelijk alle verkeer met de besmette omgeving belettend.
En Goldeweijn ging tusschen dat alles door, even onweerstaanbaar als het noodlot zelf - in zijn buitengewone magere lengte, den doodsbleeken ernst van zijn afgetobden kop - en deed zwijgzaam en stug in daden wat er te doen viel, zich rust ontzeggend en slaap - en toch zelden het woord vindend, waardoor hij de harten en genegenheid voor zich won. En tusschen het overstelpende werk dier lange, rustelooze, grauwe zomerdagen, was telkens even de gedachte met kwellenden schrik aan Fransjes oogziekte, waarvan hij tegenover haar de waarheid verzweeg.
Maar Fransje zelf wilde weten. En toen zij eens bij Professor Laatman was voor onderzoek, vroeg zij hem ronduit wat hij ervan dacht.
De medicus keek haar aan: een forsche boersche vrouw, voor hèm zonder eenige charme, hij hield alleen van fijne kleine vrouwen. Deze hier kon wel tegen een stootje, vroeg hem de waarheid eerlijk op den man af. En eerlijk onomwonden ook als tegen een man, zei hij het haar:
Er was géén hoop.
Ze ving den stoot op, schijnbaar ongeschokt. De duizeling, die haar een moment licht verbleeken deed, ontging hem. Want meteen was haar antwoord, overmoedig, ruw bijna als een blague:
‘Dan zal ik er de tering maar niet van zetten.’
Naast Annètje liep zij naar huis, met het gevoel van een aardbeving in haar bestaan. Maar eenmaal thuis, de schrik in haar sterke lichaam overwonnen, kon zij zich in eenvoudige grootheid van ziel kalm overgeven aan dit noodlot, met een waardigheid, die haar in voorspoed vreemd was geweest.
Eind Augustus begon eindelijk de ziekte de stad los te laten uit haar greep. Langzaam maar geleidelijk werden de doodenlijsten geringer - en geleidelijk maar onweerstaanbaar ook herleefde Amsterdam. De hooge grachtenhuizen openden hun vensters - het water stroomde helderder tusschen den wal, onder de vroeg verflenste boomen. Een reiner wijder zonniger hemel gaf lucht aan het bedrukte stadsgewoel - maar het volk, ontsnapt aan den angst, morde. Na al de geleden ellende reikhalsde het naar de bevrijding uit den druk, naar de vreugd van de groote kermis. Maar den twaalfden September werd, om de nog steeds opdoemende gevallen, de kermis afgelast, al mocht voor de kinderen het Beurstrommelen doorgaan.
En tot in haar donkere kamer drong het verwijderd geroffel der trommelende kinderen bij Fransje Goldeweijn door. Dàt was September. Het volk in zijn verzet om den roof van zijn kermis begreep zij. Zij zag het rumoerige buitenvolk van Noordholland langs Het Water de stad binnentrekken op vorige jaren als de kermis den tweeden Maandag van September was ingeluid van den Oudekerkstoren. Zij zag het Amstelveld met al zijn kramen, de Botermarkt waar het spel van Blanus stond, waar zij alle jaren met de Weesburgen en Annètje een keer heengingen. En de galanteriekramen, waar zij, buitenkind als zij bleef, niet van weg kon komen, de schietsalons, de poffertjeskraam, waar zij met een feestelijk gevoel naast Annètje aan de lange witgedekte tafel was aangeschikt.
Met Annètje, toen die nog klein was, ging zij ook naar de middagvoorstelling in De Vier Kronen, het nette Jan Klaassentheater ‘zonder vloeken en van zedelijk gehalte.’
Zij zelf genoot dat alles nog meer dan het kind. Zij had ook altijd zoo verlangd eens binnen te gaan in die tent ‘Een uurtje in de Hel’, op de Botermarkt, waar de boeren en boerinnen binnenstróómden, maar zij had nooit gedurfd, bang dat het niet heelemaal netjes zou zijn, en iemand haar daar zou kennen. Goldeweijn had zij het vorig jaar nog geprest haar mee te nemen naar het nieuwe café Krasnapolski. Maar het liefst liep zij eigenlijk alleen door de kermisdrukte.
Altijd ook met de kermis kwam vader in de stad en nam haar en Annètje mee. Dat werd dan een gelukkige dag - meest eindigend met
een avond naar de komedie. Maar dezen zomer leek alles verduisterd en treurig.
Naar de gezelligheid der vriendinnen hunkerde ze, die haar in het begin trouw bezoeken kwamen, meewarig, beklagend. Gespannen hoorde zij aan hun verhalen over stadsnieuws, kennissen - de ziekte. Alleen van zichzelf wilde zij niet gesproken hebben - verbluffend sloeg haar kwinkslag, haar ruwe vroolijkheid het femelend beklag af.
Het meest verlangde zij naar die vroolijke nieuwtjesjaagster: Marie Weesburg. Maar die kwam niet veel meer. Eén keer, toen Fransje een hevigen aanval van pijn had en haar niet toeliet omdat zij geen getuigen daarbij verdroeg - en één keer vroeg zij vijftig gulden te leen, wat Fransje, zelf beroofd van alle mogelijkheden voor 't moment, botweg afsloeg.
Nu was Marie Weesburg langen tijd al weggebleven. Fransje dacht dikwijls aan haar, maar haar lippen bleven opeen geperst met een haar vreemde bitterheid.
Annètje vertelde nooit aan haar moeder, hoe zij mevrouw Weesdurg had zien heengaan van dat laatste bezoek, zonderling langzaam, of het haar moeite kostte - met een ouwelijken trek van zorg en vermoeidheid, die het jeugdig gelaat haast onherkenbaar misvormde.
Al was het geen kermis, de oude Stevensen kwam naar de stad. Maar hij zat bij zijn dochter met ongekende zorg en last. De vreeselijke veepest, die den heelen veestapel dreigde uit te roeien, die nu ook in Noordholland was uitgebroken, roofde hem zijn rust.
Van alle kanten kwam de tegenslag. Hij was betrokken bij de Noordzee-visscherij en den heelen zomer hadden de Hollandsche visschers geen Engelsche havens mogen aandoen om de cholera. Er kruiste een Engelsch oorlogsschip voor de kust. Nu was er de veepest gekomen. Neen, nog niet in zijn stallen, maar het kon elk oogenblik gebeuren. En hij vloekte op de regeering, op het besluit dat waar één beest werd aangetast de heele stal moest worden afgemaakt. Groote boeren gingen eraan ten gronde.
‘Wat een jaar was dit. De cholera - de ellendige koude natte zomer die schrale slechte oogsten bracht, al het wintergewas mislukt - en nu nog die veepest. Als het zoo doorging werd de heele veestapel vernietigd met dat afmaken van gezond en ziek vee. Maar wat voelen ze ervoor in de stad; een koe is een koe, die is terug te koopen. Ze begrijpen niet, hoe de boer langzamerhand door kruising van geslacht op geslacht dàt beest verkregen heeft, dat zijn trots is. En daar gaat het.’
‘Ze zeggen,’ zei Fransje, ‘dat de boeren al het afgemaakte vee,
ziek of gezond weer opgraven en aan de slagers verkoopen. Dat wij het te eten krijgen.’
‘Natuurlijk. Is dat vleesch soms niet goed omdat het even in den grond gelegen heeft....?’
‘Maar zieke beesten.... Goldeweijn zegt....’
‘Och - jouw man is een dokter, die vinden altijd en overal wat. 't Is toch een beestenziekte - wat zou een mensch daar van krijgen! Je man zit ook in die gezondheidscommissie heb ik gezien, die de melk wil onderzocht hebben....’
‘Ja, ze hebben dertig slijters afgekeurd.’
‘De onzin!’ stoof de oude man op, in zijn driftigen kop bonsde het bloed. ‘Omdat de melk op de helft of voor een derde met water was verdund. Wie drinken er volle melk bij jullie in de stad!’
‘Maar 't was aangelengd met Burgwalwater en schuitwater. Goldeweijn zegt....’
‘Ja, ja, ik weet er alles van - die geleerde heeren, ze halen met hun nieuwerwetsigheden een buitenmensch het vel over de ooren. En ik zeg je, we zullen harde tijden gaan beleven, nu juist ook met die geldcrisis in alle landen....’
Fransje bleef verdrietig achter. Dat haar vroolijke luchthart van een vader klaagde en zorgde, leek haar onheilspellender dan zelfs alle dichtbij gevaar van de ziekte geweest was.
Maar op de Beurs trommelden als alle jaren de kinderen. Veertien dagen lang vulde het dof geroffel den Dam, de omliggende straten. Naar den burgemeester trokken ze, een bende kleine haveloozen. brachten er met stokken en trommels voor het huis hun serenade.
En achter dien jool, den leut der kinderen groeide de wrok. Trokken de arbeiders menigvuldiger, gretiger naar de vergaderingen, luisterden de typographen in de zaal van het Nut naar een voordracht van een hunner leiders over den verhoogden looneisch, de vaststelling van den arbeidsduur, en het ingeslopen kwaad inplaats van gezellen jongens aan te nemen. ‘Van het geknoei der jongens moest een dragelijk geheel gemaakt, hoopen drukfouten zijn het gevolg, de auteurs lijden eronder, maar het ergst lijden de jongens zelf, die zoodra ze hooger loon kunnen eischen door anderen worden vervangen. Aan de commissie waren vier-en-zestig gevallen bekend, die geen raad wetend, maar onder dienst gingen.’
In de Geelvinck zaten weer anderen en luisterden naar een lezing ‘De Groote en de Kleine Handwerksman.’ Hoe hun kleine winkeltje de koopers niet trok en zij de dure grondstoffen haast niet inkoopen konden. Hoe in Duitschland in het jaar vier-en-zestig al honderdveertig
grondstofvereenigingen en twintig magazijnvereenigingen waren opgericht, waar de kleine handwerksman zich vereenigd had en à contant kocht.
Zorgvolle ernstige afgebeulde gezichten luisterden gespannen, staarden op naar den spreker, die overtuigend, met cijfers, bewees. Levens zaten hier, met één lange herinnering achter zich van dagen dat in hun kleine zaak geen klant zich vertoonde, wijl de groote concurrent alles trok. Dat de hooge huur als een spooksel altijd te dreigen stond aan 't begin van elke maand, en hun onrustigen slaap verstoorde - dat zij de wissels niet konden voldoen. Het waren degenen die met de oproerigen daar buiten langs de straat, niets te maken hadden. Het waren de kleine handwerkslieden, die in een bang bestaan hadden gezwoegd en gezuinigd, getobd en gevreesd - gerekend en vertwijfeld. Die de prijzen der grondstoffen steeds zagen stijgen en hun eigen verdiensten verminderen. Zij keken hunkerend uit naar een nieuwe toekomst, naar een menschwaardiger bestaan, zonder liefdadigheid en zonder kruipende vrees.
En zij stroomden de lokalen uit in den avond, een schamele troep. Gezichten die zich hieven als een vraag naar den herfsthemel. Stemmen die opgewonden het nieuwe bespraken en betastten. Gebukt en vreesachtig speurden naar wat daar nog maar nauwelijks door hen begrepen gebeurde in de buitenlandsche arbeiderswereld. Over hun hoofden liep de lijn der intellectueelen die hetzelfde raakte. In de Gids van October kwam een artikel over den pas gestorven Lassalle, dat diens woorden citeerde uit zijn rede te Berlijn op twaalf April achttien-twee-en-zestig - de rede die werd genoemd: ‘Arbeiterprogramm’ en waarin de maatschappelijke toestand werd geschetst als een strijd tusschen de bezittende burgerij en de arbeiders.
En in haar huis zat een vrouw, en dacht met haastige stormende gedachten, hoe op het raadhuis in luchtige ruime lokalen meisjes uit de arbeidersklasse kosteloos werden opgeleid tot goede dienstboden. Maar waàr was een bloeiende inrichting voor meisjes uit den beschaafden stand? De Industrieschool, het vorig jaar geopend, was een teleurstelling gebleken. Negen leerlingen slechts in de eerste klasse voor meisjes uit den onbemiddelden middenstand. En de tragiek die tegen je opsprong uit tallooze advertenties van al de ‘juffrouwen van goeden huize,’ die zich aanboden veelal zonder salaris - kamertjes zochten. Slecht betaalde pianolessen gaven mèt vreemde talen.... Wie hielp al die ongetrouwde, buiten het leven gezette en toch nog sterke gezonde vrouwen, gedoemd tot een onwaardig bestaan!
October bracht eindelijk het vaste schoone zomerweer, dat de stad
doopte in een gloed van blauw en goud. Over het donkere stille grachtwater bogen de goudgele takken hun vracht, en tegen de stoepen, aan den wallekant, bleven de gele bladeren liggen, door geen wind opgejaagd.
De ziekte was zoo goed als geweken. De stad werd weer vroolijk en ook Goldeweijn kreeg meer rust. De zittingen der cholera-commissie werden beperkt tot eens per week, het cholera-hospitaal in de Lange Leidsche dwarsstraat was gesloten. De enkele gevallen die telkens nog weer opstaken konden in het Binnengasthuis opgenomen. Zoo kreeg hij weer meer tijd en aandacht voor zijn gezin, waar hij zijn kind zag volkomen aan huis gebonden.
Van de lessen in vreemde talen was niet meer gekomen. Annètje vond er geen tijd voor. Van haar moeder ook had zij geërfd een weerzin in alle intellectueele inspanning. Alleen wat langs den weg van haar warm hart kon gaan, en zoo tot haar helderen geest spreken, kreeg een kans.
Samen met Leentje deed ze de huiselijke bezigheden, verpleegde haar moeder. Een eng besloten leven met vele kleine zuivere vreugden nochtans, dat zich haast geheel buiten de samenleving voltrok. Van vader leeren netjes en goed een verband aanleggen - toen het October werd, de hyacinthenbollen op de gekleurde glazen zetten en elken dag eventjes de lengende wortels in het donker der kast bespieden. Een middag teekenen bij juffrouw De Roos - met Stance naar cathechisatie of een nieuw vers leeren - voor vader zijn eigen kostjes klaarmaken die hem geen maagpijn gaven. Doordat er nu geen visites konden zijn, was er ook minder wrijving en ergernis, ademde hun drieën samenzijn een kalme vredigheid. Dan waren er de rustige uren, dat Stance kwam met haar borduurwerk, en zij om beurten voorlazen. ‘De Wederzijdsche Vriend’ - Dickens' nieuwste boek - drie kinderen met roode kleuren zich verontwaardigend of bedroevend om Lize, den ondankbaren Karel, en den schijnbaar zoo onverschilligen maar toch wèl heel aardigen Eugène Wrayburn. Later de Negerhut van Oom Tom, Mary Hollis van Schimmel - het waren allemaal van die heerlijke boeken, waar je niet van scheiden kon.
In deze dagen gebeurde er iets dat Annètje een diep innerlijken schok gaf: Elize Verdoes, haar zoo vereerde oudere vriendin, werd plotseling in den kring harer ouders en kennissen een punt van verontwaardiging en afschuw: zij was bij den gescheiden man in huis getrokken, en leefde als zijn vrouw met hem en zijn kinderen.
In de kleine Amsterdamsche wereld, waartoe zij behoord had, ging een storm. Plotseling waren alle deuren voor haar gesloten. Met Coolen had men haar gezien, brutaal te zamen over straat gaande, met
een kind van hem erbij - Coolen, wiens ongelukkige vrouw zat in het krankzinnigengesticht te Utrecht....
Annètje hoorde en begreep ook niet alle bizonderheden. Ze wist alleen verward en smartelijk: die lieve Elize, op wier genegenheid ze zoo trotsch was geweest, werd door iedereen veracht. En eenmaal was er het vreeselijke, dat Annètje nooit vergat:
Op een middag hoorde zij plotseling Elize's stem vragen naar mevrouw of Annètje - en toen ze een oogenblik alles vergetend naar de voordeur had willen loopen, was daar haar vader geweest en had haar hand gegrepen om haar tegen te houden. En koel en zonder vrees ook om door Elize gehoord te worden was zijn stem:
‘Mevrouw en de jonge juffrouw zijn voor juffrouw Verdoes niet te spreken, Leentje.’
Annètje smoorde een kreet, maar hij keek haar ernstig aan en zei:
‘Dat zijn dingen waarvan jij niet behoort te weten. Juffrouw Verdoes is geen omgang meer voor jou, onthoud dat wel.’
Maar Annètje vergat nooit het gezicht waarmee Elize Leentjes boodschap ontving. Een schamper lachje vocht zich met moeite om den lieven mond, maar het heele bleeke fijne gezicht was van een onzegbare droefheid toen ze zich omwendde en de stoep afging.
En Annètje, bevend en verontwaardigd in tranen, dacht: ‘Iemand die zóó bedroefd is, kan nooit slecht zijn. Het is niet waar.’
Een paar weken later hoorde zij, dat Elize en Coolen naar Parijs waren vertrokken.
Fransje zei: ‘Wie had dàt van die Elize gedacht. 't Was altijd zoo'n lieve meid.’
‘Dat is ze dan toch nòg!’ riep Annètje.
Maar Fransje zei: ‘Neen. Ze leeft als een gemeene vrouw.’
Wat dàt was begreep Annètje niet. Maar zij vroeg niet verder. Zij verdroeg het niet over Elize kwaad te hooren, en borg de gedachte aan haar, trouw en onvertroebeld in haar hartje.
En in den donkeren boekwinkel las Karel de Roos met brandende oogen de Max Havelaar; leefde een gloeiend jongensgezicht mee in den machteloozen opstand, de pijn en vernedering van Woutertje Pieterse. Dronk hij in, gretig en zonder voorbehoud de gedachten,de taal, hetverzet tegen bekrompenheid, dufheid, egoïsme en Hollandsche kleinburger-lijkheid - beluisterde hij de echo in zijn eigen hart van de groote stem, die voor het eerst de werkelijke ontroering om schoonheid in zijn ziel bracht.
Karel doorleefde deze diepe ontroering eenzaam. Alles had hij aan Annètje kunnen meedeelen, en altijd was zij hem gevolgd
- dit, de geweldige emotie, de ommekeer, het begrip, dat alles, wat overstelpend Multatuli in hem aan het denken en voelen en oordeelen bracht - dat alles was zóó.... groot en zóó heerlijk, dat hij het niet aan een ander onder woorden brengen dorst, maar zijn hoofd in het kussen 's avonds begroef en de sentimentaliteit van zijn felbewogen onervaren jongenshart uitschreide.
----------------
Toen na de eerste periode van pijn een kleine verbetering in den toestand kwam, brak in Fransje plots een hevig verlangen uit.
‘Ik moet weer eens buiten loopen.’
‘Het kan wel,’ zei Goldeweijn in overleg met Laatman, ‘maar je moet een goed afsluitenden, donkeren bril opzetten.’
Zij werd zóó bleek als ze niet geweest was toen ze haar vonnis hoorde. Haar mooie mond trilde, en misschien besefte ze thans voor 't eerst den omvang van de ramp die haar getroffen had.
‘Haar roem. Haar zoo bizonder groote stralende, blauwe oogen.’
Vader en kind, haar ziende, verwachtten een uitbarsting. Nu zou zij dadelijk in razernij iets grijpen en kapot gooien. Op den grond vallen, met haar vuisten slaan, en jammeren....
Maar ze stond daar een poos zwijgend, heel rechtop. Toen, zich omwendend, en hen aanziend met haar droevig ontsierd gelaat, zei ze stil:
‘In Godsnaam.’
Toen ze thuiskwam, schreide ze - vernederd en beleedigd. De groote donkere bril masqueerde totaal de expressie van haar gelaat, dat te rood van inspanning, nu grof leek en zonder bekoring. Een straatjongen had een scheldwoord geroepen. Annètje schreide met haar mee. Als zij naast haar moeder ging, die trachtte te loopen met den ouden snellen statigen gang, maar dan, het gezonde oog spoedig vermoeid, plotseling schuifelend tasten kon, of tegen iemand opbotste, leed zij de ellende dieper dan schijnbaar Fransje zelf.
Deze had zich aan haar ongeluk aangepast, trachtte in huis weer bezig te zijn. Zij brak meer dan ooit, schreide er overvloedig om, en lachte een oogenblik later zich zelf uit. Zelfs haar partijtjes begon ze weer op te zetten. Alleen Marie Weesburg was er niet meer bij.
Op een dag ontmoette Annètje in de gang meneer Weesburg, die rood en warm haar vaders kamer uitkwam. Hij scheen haar niet te zien, hoewel ze staan bleef om hem te groeten, en verwonderd hem zag grijpen naast zijn stok - dan zonder omzien wegloopen. In de deur stond haar vader, somber, norsch.
Maar dien middag tierde Fransje toomeloos uit over de Wees-
burgen, en Goldeweijn zat er nog strakker, bleeker dan anders. Zijn stroeve mond vond tenslotte het smalend verwijt:
‘Dat zijn nu jouw dierbare vrienden.’
Later hoorde Annètje de waarheid, die een paar dagen als een druk over het huis hing. Meneer Weesburg had iets heel ergs gedaan. Hij had de kas bestolen van een vereeniging waarvan hij penningmeester was - hij had vader opgelicht voor een groote som om te trachten een failliet van zijn zaak te voorkomen. Nu was alles mis, hij had nog den treurigen moed gehad bij Goldeweijn te komen om hulp.
Fransje, de lippen opeen geperst, gedacht zonder het te durven uiten, de tallooze malen dat zij Marie geleend had en nooit teruggekregen. Zij schold niet meer op de vriendin, want zij voelde na de breuk met de Weesburgen een vereenzaming om zich gevallen. Met wie zou zij uitgaan, de winkelsnufjes naloopen, nu de altijd bereide, met een zelfde begeerig vermaak genietende Marie verloren was.
Het najaar van dezen rampspoedigen zomer vond haar dikwijls stil zitten voor haar raam, moeielijk turend door haar donkeren bril naar een vreemde wereld, waarin de zon, het licht, alle kleur gedempt en verflenst waren. Verduisterd in onheilspellend vreemd giftig groen lag er hun gracht, gingen er de menschen. Zij zat er, al wist zij de gekleurde glazen van haar bril de oorzaak, dikwijls lang, in een huiver te staren.
En door die spookachtige, vreemde, onwezenlijke wereld kwam op een dag de oude Stevensen aan. Hij ging langzaam en niet volkomen vast. Er was iets dat hem uit de keet bij den Westerdokdijk van zijn kaart, zijn plannen - zijn lievelingsplan: een brug over het IJ - had doen opstaan. Zijn werkdrift plotseling gekoeld, die hij den laatsten tijd hardnekkig gesteld had tegen alles wat hem in machtelooze woede het bloed naar zijn bonzenden kop joeg: één twijfelachtig geval in zijn stallen en al zijn mooie beesten, zijn prachtige gezonde dieren afgemaakt - de leege stallen waren in Noordholland niet meer te tellen. Er ging een adres naar den koning tegen dat schandelijke uitmoorden....
Dezen middag was op eenmaal de passer uit zijn hand gegleden - en in nooit gekende vermoeidheid had hij verlangd naar zijn jongste. Hij wou daarboven rustig zitten - en uitkijken....
Nu zat hij bij haar op zijn oude plaats. Hij zat er onwezenlijk, grauw en vreemd voor haar terwijl ze hem toch kleurig wist en gezond, - dat kwam van haar bril. Maar als alles wat met haar ziekte in verband stond, uitte zij ook dit niet. Aan zijn stem klampte zij zich - die was de oude.
‘En Frans, kind, hoe gaat het nu met de oogen?’
‘Och vader, ik moet me er maar in schikken.’
‘Ja meid, dat gaat zoo. Maar heb je veel pijn?’
‘Dat went ook,’ trotseerde haar lach.
‘Ach, die groote monsterlijke bril, en die eenmaal zoo prachtige oogen van Frans!’ Hij voelde de looden moeheid terugkeeren, een gewaarwording of alle vreugde voorgoed gedoofd was. Hij dacht aan zijn leege stallen, maar sprak er niet van - het leek hem alles op eenmaal nutteloos en noodeloos.
Fransje kreeg twee glaasjes uit den bonheur, een karafje. Een paar maal stootte ze....
Hij zat het aan te zien, en op eenmaal wist hij: hij was benauwd. Hij verzette zich in een angst. Hij had nog nooit wat gemankeerd - werd hij nu ziek?
Fransje zette een glas voor hem neer.
‘Dat door zoo'n bril alle gezonde menschen eruit zien of ze de tering hebben....’ zei ze.
Hij probeerde te lachen. Hij begreep nu waarom ze niets merkte. Een eenzaamheid scheen hem in te sluiten. Hij dacht aan zijn huis - dat leek onbereikbaar ver.
Daar kon hij niet meer komen!
Hij stond half op, in plotseling verzet. ‘Hij moest hier weg - zijn schoonzoon wou hij niet zien - dat was een dokter en die vonden altijd wat. 't Was niet mogelijk, dat hij ineens wat mankeerde. Net doen of... je.... niets.... voelde....’
Hij omhelsde Frans, vluchtig, gehaast - kwam toen plotseling terug en gaf haar, smartelijk aandachtig haar bloeiend gezicht beziend, een langen zoen.
Zij stond aan de deur, en zag hem door die grauwe vale wereld wegwandelen. Traag, dacht zij plotseling opmerkzaam.
Eenmaal bleef hij stilstaan, keek terug, of hij haar zoeken moest en stak groetend zijn hand op - met een vreemde, verstijfde beweging.
Zij wuifde terug, wachtte of hij nog eenmaal kijken zou....
Bleef wachten tot hij om de bocht van de Martelaars gracht verdwenen was.
Dien avond werd hij thuis gebracht, zooals zijn opzichter hem gevonden had, bewusteloos voor zijn werktafel. Zijn kleine ronde vinnige vrouw zat onafgebroken aan zijn bed, waar hij verlamd en bewusteloos lag, zijn machtelooze vingers tusschen haar warme handen gevat - haar gezicht met die wonderlijk bedeesde uitdrukking naar hem toegebogen. Fransje en Goldeweijn met Annètje waren gekomen. Zij nam geen notitie van hen.
Niemand wist wat er in haar omging. Hoe in een woeste gelaten wanhoop haar leven met hem haar voorbijtrok als de eenige levens-mogelijkheid. Hoe in dat prozaïsche onromantische omhulsel een toomeloos brandende liefdeziel den man in den dood zelfs niet opgaf.
Langzaam, terwijl twee dagen, twee nachten omgingen, boog zich haar rug, als onder een groeienden last, naast het bed. Tot op den derden morgen haar rasperig rood voorhoofd liggen bleef op zijn koud geworden hand.
Bij de begrafenis zat Annètje tusschen haar beide ouders. Zij schreide om den lieven grootvader; voor 't eerst greep de Dood in haar jong leven in. Zij keek naar haar moeder, die eigenlijk heelemaal niet schreien mòcht en zoo bedroefd was - dan naar haar grootmoeder, die stuursch-zwijgend in een onafgebroken werkzaamheid, geen practische kleinigheid verzuimend of uit het oog verliezend, alles regelde. In een strak gespannen aandacht, alsof in dit laatste samenzijn waaraan hij nog deel had, haar zorg zich uitputte. Alleen was het roode gezicht thans gelig verbleekt.
‘Dacht oma tòch wel aan opa nu, onder dat alles door?’
Zij zag in haar herinnering de oude vrouw hard de gang inloopen als opa thuis kwam - naast zijn stoel staan luisteren.... En zij verlangde plotseling, hier in al die droefheid, met een hevig verlangen naar haar vriendje Karel, om dat alles te kunnen bepraten.
Iedereen ging vroeg te ruste. Om het huis ruischten de boomen, dezelfde uit Fransjes kindertijd - zij had niet meer geslapen hier sinds lange jaren....
Maar den volgenden morgen stond de oude vrouw niet op. En zij vonden haar liggen - onverschillig starend op den rug - één arm met open hand gestrekt over de leege bedhelft.
Fran je bukte over haar.
‘Scheelt u wat, moeder?’
De kleine genepen mond opende met weerzin in het verslonken met roode aartjes doormarmerde gelig gezicht.
‘Ik ga vader na....’
Fransje, tragisch naast het bed met haar grooten bril, begon te schreien.
Vader weg - de goede, lieve, die haar gered had ontelbare keeren, haar altijd weer getrokken uit de mazen van het net. In hem had het gelukkige verleden nog geleefd, waarheen zij vluchtte als het heden te moeilijk werd.
Maar nu - nu ging opeens het heele thuis. Zij besefte het terwijl
zij zat aan het breede bed. Moeder, die niet naar haar gekéken had zelfs; die maar één ding dacht: met vader mee.
De oude vrouw stond niet meer op. Zij sprak ook niet meer. Een week later stierf zij in dezelfde houding.
Toen Fransje van de beide begrafenissen eindelijk weer thuis kwam, zat zij hulpeloos ontredderd in haar kleinen mahoniehouten salon, waar de kanarie in zijn bedekte kooitje benauwd piepend heen en weer hipte.
Maar zij sprak niet van wat haar lippen beven deed: het heele leven, het oude thuis in Monnikendam dat altijd haar steun was geweest in alle moeilijke oogenblikken - en nu plotseling haar alleen liet in een nooit gekende eenzaamheid.