terug  begin  verder
[p. 67]

VIII

DE Goldeweijns waren door den dood van Fransje's ouders in betere omstandigheden gekomen. Hoe veel verloren was, de erfenis stelde hen in staat wat ruimer en makkelijker te leven. Maar Fransje schreide in stilte bittere tranen bij de zilveren trommeltjes, het blauwe servies, door Goldeweijn uit den inboedel gekocht.

Toch, zij bleef bij al haar leed een gelukkige ziel. Zij kon overvloedig schreien, maar haar kleine genoegens, makkelijk en veelvuldig te behalen, droegen haar van oogenblik tot oogenblik over de groote rampen heen.

Zoo wist zij wonderlijk goed aan te passen haar leven aan haar verminderd gezichtsvermogen. Zij kon niet makkelijk meer uitgaan, maar zij reed nu met Goldeweijn dikwijls mee. In vreezen en beven nochtans. Zij die haar heele jeugd onbezorgd wilde paarden zelf gereden had, gevlogen was langs smalle hooge dijken, had een wonderlijken angst gekregen voor het rijden met een mak vigelantepaard in het stadsgewoel. Zij tuurde, vóór zij instapte, met haar goede oog nauwkeurig naar de ooren van het beest of die niet zenuwachtig stonden, en er was maar één koetsier met wien zij rijden wilde: Arie met den baard.

En naar de winkels ook wist zij te komen. Het dierbare oude leven waaraan ze zich nauw verbonden bleef voelen, was afgestorven - van dit leven begeerde ze nog alle kleine kansen. Gretig, het hoofd op, alsof zij iets zocht op te vangen, ging zij door de straten.

Want in de laatste dagen van November was Sint-Niklaas al in de stad. Van over het IJ dromden de boerinnen den Nieuwendijk af om te belanden bij Sinkel, bij Heymans en in de Kalverstraat. In de koekebakkerswinkels stonden zij en kochten er hun poppen van speculaas en taai-taai, waar de heele stad naar geurde.

[p. 68]

Annètje, op haar weg naar de Warmoesstraat, snoof de lucht in als iets feestelijks - ze bedacht even bezorgd of de schoenmaker wel haar vaders pantoffels, die ze geborduurd had, voor de Sint-Niklaas klaar zou hebben....

Dan - met het blije gevoel dat haar altijd vervulde bij de De Roozen - liep ze even later den winkel door naar de achterkamer, schoof onmiddellijk vertrouwd aan bij de tafel met het roodzwarte kleed, waar Karel zat achter een stapeltje knipsels.

‘Kijk, Annètje....’

‘O prachtig jongen, heb jij die gemaakt?’

‘Ja.’ Hij haperde even, kleurde licht: ‘Weet je, ik heb een plan, maar 't gaat misschien niet.... Ik wou een paar van deze knipsels in lijstjes zetten - en dan tegen Sint-Niklaas in de kast....’

‘Om te verkoopen....’

‘Ja - probeeren.’ Hij stokte even, zei dan zacht: ‘Met de boeken gaat het soms zoo slecht. Niet altijd. Maar we kunnen zoo goed wat geld gebruiken. Als dit nu eens lukte....’

‘Wàt voor lijstje....’ was Annètje er dadelijk in.

‘Sommige rond, en andere vierkant - het hangt af van de knipsels, denk je niet?’

Annètje knikte. Het overrompelde haar: de De Roozen die geld noodig hadden - die waren dus arm.... Karel zei de dingen altijd zoo.... wijzig, maar 't zou wel waar zijn.

Een idee schoot in haar op:

‘O Karel, ik wéét ineens wat! 't Hoeven toch niet allemaal schilderijtjes te worden! Dat kleine mooie vogeltje - daar maken we een bladwijzer van. En van dat vlindertje - dat bloemetje....’

‘Dat is gewoon prachtig!’ riep de jongen. ‘Maar Annètje, daar moet jij dan aan helpen.’

‘Mag dat?’

Annètje danste. Iets maken, dat voor de winkelramen zou liggen! Waar je buiten voor zou staan en bij je zelf zeggen: ‘Dat heb ik gemaakt.’

‘Ik weet nòg wat: 't hoeft niet aldoor zwart op wit. 't Kan ook andersom....’

‘Of 't is uitgespaard,’ viel Karel in.

‘Of blauw op goud, of rood op zilver....’

‘Wat 'n idée heeft zij zoo maar ineens, hè moeder?’

‘Ja,’ glimlachte juffrouw De Roos, ‘nu moet ze het ook zèlf doen. 't Is haàr idee.’

Annètje, de wangen gelukkig overbloosd, knipte voorzichtig en handig. Hier nu was weer de echte blijheid, die temidden van

[p. 69]

pret en vroolijkheid en veel menschen maar nooit komen wilde. Zelfs niet bij de Bremers. En die lachten steeds goedmoedig om haar onbezweken trouwe gehechtheid aan de De Roozen.

‘Die jongen heeft een mooi gezicht,’ zei Stance eens, ‘jammer dat hij mank is.’

‘Dat merk je niet,’ had Annètje onschuldig gezegd, en ze begreep niet waarom de anderen daar zoo bij lachten.

‘Maar wat wàs het,’ peinsde zij, terwijl zij zorgzaam uitpeuterend knipte met haar puntige kleine schaar, ‘wat haar hier een gevoel gaf als nergens anders. Van klein kind af al. Haar hoofd zoo helder maakte, dat ze vlugger en beter en verstandiger dacht. Hier ook was ze een andere dan het wel goede kind thuis, dat moeder verpleegde en het huishouden deed, of bij de Bremers schijn-vroolijk mee aanzat.’

En toèn - zij begreep zelf niet wat haar dreef - begon Annètje op eenmaal te vertellen van de groote danspartij waar ze was geweest de vorige week, op de Keizersgracht bij meneer en mevrouw Van Juchten.

‘Was het prettig? In dat mooie, groote huis? Deftig zeker alles?’

Juffrouw De Roos vouwde de handen op tafel in elkaar, keek in gespannen aandacht.

Annètje trok wat koel hoogmoedig de schouders op. Ze wist heel best, dat ze er geen oogenblik de diepe blijheid had gekend van hier. En toch was er iets in haar, dat haar dreef midden in deze blijheid te babbelen over die partij.

‘Heb je aldoor gedanst, kind?’

‘O aldoor ja.’ En de dansmeester had haar uitgezocht voor den cotillon. Het leek haar achteraf werkelijk prettig geweest en ze praatte door met iets van de opgewonden radheid van tong van haar moeder. Tot plotseling het besef van een leegte rondom, haar terugriep naar de werkelijkheid. Niemand zei meer wat. Voor haar zat Karel, een knipsel stil in zijn handen, waar hij op neerkeek, stug. En juffrouw De Roos staarde de enge binnenplaats op met iets verdrietigs in haar gezicht.

Annètje zweeg opeens. Ze schaamde zich onbestemd, knipte verlegen.

Om hen viel de schemer. Boven het binnenplaatsje kleurde een streepje lucht rozerood, en de kachelbuik begon rood te gloeien....

Toen was Annètje plotseling weer terug in dit wereldje, dat haar als met liefdevolle armen omvatte. En ze zei zachtjes, over het werk gebogen:

‘Maar.... ik weet niet, ik hòu er toch niet van. 't Kan me niets schelen. Ik ben veel liever hier.’

[p. 70]

En opkijkend, zag ze Karels oogen wijd en glanzend in de hare.

 

Toen ze naar huis ging begon het donker te worden. Annètje haastte zich, gegeneerd; bang een kennis tegen te komen: een meisje dat alleen in donker over straat ging.... En ze liep snel, gevleugeld op de herinnering aan den gelukkigen middag.

Thuis vond ze haar moeder op de canapé, rood en geagiteerd, met een compres op het zieke oog. Leentje vertelde, mevrouw had in de keuken wat willen klaarmaken, maar ze had gemorst en gebroken....

Aan tafel vroeg Fransje echter weer opgewekt naar Annètjes middag. En het meisje vertelde zacht verheugd over het plan van de De Roozen - de knipsels....

‘Ik mocht ze zèlf mee maken....’

Fransje begon te lachen.

Jij ze maken en zij ze verkoopen!’

Annètje keek verstoord - een rimpel van boosheid trok in haar glad voorhoofd.

‘Maar ik.... neen u begrijpt het verkeerd, anders zoudt u het zóó niet zeggen: het is omdat ik het bedacht had.’

Zij zweeg machteloos. Dat waar zij zoo trotsch op was.... had ze er hier maar niets van verteld!

Haar vader keek op van zijn bord.

‘Als je die menschen er nu mee helpt. 't Zijn fatsoenlijke knappe menschen en ze hebben het moeielijk....’

Annètje had moeite niet in snikken uit te barsten.

 

Toch, de vreugde blééf. Op elken vrijen middag tegen Sint-Niklaas trok zij naar de Warmoesstraat, en in de achterkamer sneden en knipten ze de fijne silhouetten die Karel eerst zoo mooi geteekend had.

Later op den middag las Karel dan voor. Uit de gedichten van den Schoolmeester ditmaal. En Annètje luisterde verbaasd naar die toomelooze dwaasheid, met zijn basis van diep verstopten weemoed. Zij wist er geen weg mee, vond de verzen van haar dominee mooier.. Maar bij den laatsten regel van den Goudzoeker:

‘Want de kinders zijn weg en je moeder is dood,’ schrikte ze op, kleurend als van pijn.

‘Dat was ineens zoo iets treurigs, en dat begreep je ook....’

Op den avond vóór Sint-Niklaas achter de gesloten luiken, met juffrouw De Roos en Annètje als aandachtige toeschouwsters, schikte Karel een gracieuse kleine uitstalling van vlinderachtig fijn en luchtig werk - met de goud en zilver, paars en rood gekleurde bladwijzers tusschen het wit en zwart der silhouetten.

[p. 71]

En daarna - het blijde geheim nog veilig besloten bij hèn drieën alleen - zaten ze stil, eerbiedig haast; Karel en Annètje op de toonbank - juffrouw De Roos op het matten stoeltje ervoor, de handen gevouwen, een glimlach op haar vermoeid, geelbleek gezicht onder de verfomfaaide mutsenlinten.

Ze spraken haast niet. Maar in het spaarzame schijnsel van de olielamp die de winkel maar nauwelijks verlichtte, keken stil triomfantelijk hun warme gelukkige gezichten elkaar aan.

Karel bracht Annètje naar huis. Ook nu zeiden ze haast niets. Zij gingen langzaam naast elkaar in een volkomen jong gelukkig zijn met elkaar. Het was stil en donker op straat, en schuchter legde Karel Annètjes arm in den zijnen. En Annètje vond dat heel natuurlijk....

Op Sint-Niklaasmorgen slipte Annètje, een boodschapje verzinnend, heimelijk vlug naar de Warmoesstraat. Van verre al zag zij menschen voor den winkel staan, en schuw alsof zij zichzelf vreesde te verraden, gluurde zij tusschen de vreemden door naar ‘bun eigen werk’. Wat wonderlijk dat het daar nu lag voor iedereen te kijk! En zoo alles wist zij ervan. Elk krulletje, elk blaadje, elke moeielijkheid.... Kijk dat dametje, ja, hoe lastig waren haar voetjes geweest.... Daàr bij het waaiertje was haar schaartje uitgegleden, en toen ze haast schreide van ontsteltenis, had Karel het haar zacht uit handen genomen, en een nieuwe getand randje eraan geknipt. Ze keek er verteederd naar: beeldig was het juist dáárdoor geworden. Hoe van iets dat je een ongeluk dacht, iets moois kon komen.

Blij duwde ze de deur open. Bij het rinkelen van de bel schoof juffrouw De Roos het gordijntje op zij, kwam den winkel in.

‘Annètje, verbeeld je, we hebben er vanmorgen al zes verkocht.’

 

Op Sint-Niklaasavond werd voor Annètje een pakje bezorgd. Leentje, glunder, verklapte niet dat het gebracht was door dien jongen van De Roos uit de Warmoesstraat.

Bij moeders moeielijk meeturende, nieuwsgierige oogen, opende Annètje het. Een silhouet in lijstje: een scheepje met een man en een meisje aan boord. Er stond een versje onder geschreven in fraai geteekende letters:

 
‘'t Is morgen. Daar varen wij beiden.
 
Waarheen, dat weten we niet.
 
De zeilen staan bol. Wij glijden
 
Naar een blinkend en ver verschiet.’

Een goudpapieren bladwijzer viel er langs uit. Met een kleine blauwe bloem uitgespaard.’

‘Vergeet mij niet,’ zei Fransje vlug.

[p. 72]

Annètje zei niets. Voor geen geld ter wereld had zij het hardop gezegd. En voor haar moeders goedig beteekenisvollen lach borg zij het weg, met een warm geluk in haar hart.

Toen zij den volgenden dag Karel bedankte, waren zij beiden verlegen.

 

‘Nu Sint-Niklaas voorbij is, moet je niet meer zoo aldoor naar die De Roozen loopen,’ zei Fransje een paar dagen later.

‘Waarom niet?’ schrok Annètje geprikkeld op.

‘Och, dat is toch geen conversatie. Wie ontmoet je daar nu?’

‘Niemand ontmoet ik er.’

‘Nu juist. En je kan toch maar niet altijd bij zoo'n jongen zitten. Je bent al zoo groot....’

In haar hart vond Fransje Goldeweijn haar kind een beetje saai. Ze wou haar fleuriger hebben, uitbundiger. Zij had 's winters lange vroolijke schaatsentochten gemaakt - wat een wilde meid was zij geweest, en wat een aanbidders had zij gehad! Wat had haar Annètje nu voor plezier....’

Sint-Niklaas leverde in den kleinen boekwinkel een aardig voordeeltje op. Maar tegen 't eind van 't jaar zaten moeder en zoon moeizaam te rekenen.

‘'t Gaàt. U zal zien 't gaat.’ zei de jongen overtuigd. ‘Ik zal les in boekhouden nemen, dan doe ik 's avonds er een paar boekhouderijtjes bij - dat helpt allemaal.’

De moeder keek naar hem. Van zijn getob, de bitterheden van zijn trotschen aard om zijn hinderlijk gebrek, wist zij niet veel. Alles deelden zij samen, maar die dingen vertelde hij niet. Nu wist zij iets anders nog, dat hij haar niet vertelde; hij was groot geworden ook, een knappe jongen....

Een droefheid trok haar mond strak neer, de jongen moest zich niets in zijn hoofd halen - die dingen wist zij veel te goed.

‘Als ik erbij verdien, kunnen we ook eens wat wagen - en dan breiden we zoo geleidelijk uit. Want als ik trouw, moeten wij èn u ervan leven.’

Ze durfde hem niet aanzien. Ze zat doelloos cijfertjes te maken. Den naam waarop hij hoopte en wachtte, noemde zij niet.

terug  begin  verder