KAPITEIN Bremer was binnengevallen met zijn schip De Schoone Verwachting en veroorzaakte in zijn gezin onmiddellijk groote opschudding. Want buiten de menschelijke equipage bracht hij triomfantelijk voor zijn geliefd Artis aan: een tijger, twee luipaarden, twee groote apen, een Javaansch stekelvarken en een Indischen oor-uil; en eischte van zijn vrouw en dochters hetzelfde enthousiasme voor zijn logés. Den eenen aap bracht hij mee in huis, die had zich aan hem gehecht als een kind; en tot ontzetting en verontwaardiging van de oudere meisjes, zat het ongure beest, kwaadaardig tandenblikkerend in de huiskamer naast de kachel, die expres in deze luwe voorjaarsdagen voor hem moest worden gestookt, terwijl de groote schoonmaak juist voorbij en al de gordijnen pas gewasschen waren. Alleen moeder Bremer lachte haar berustend, goedig lachje. Ze sloot met Jobsgeduld vriendschap met het nijdige dier, haar zware figuur gehurkt om hem te doen eten, zooals ze haar kinderen gevoerd had.
Bremer zat van zijn menagerie te vertellen. Den tijger had hij van den resident van Probolingo - de rest had hij zelf gekocht of gevangen. Het was een heel ding geweest. Je zat met het vleesch aan boord.... Ten slotte hadden ze de melkkoe moeten opofferen om den tijger koest te houden....
Er stond in de bladen een vleiende advertentie van Artis vol dankbetuiging aan den gezagvoerder van De Schoone Verwachting, en iederen dag liep Bremer bezorgd naar de Plantage om den droefgeestig kwijnenden aap te troosten, die zich nog niet aan zijn oppasser had gehecht. Stance, de eenige van zijn dochters die zijn zorg en trots deelde, stapte vroolijk aan zijn arm mee, inmiddels honderd uit vragend over Indië
Want Stance was plotseling vurig gaan belangstellen in Indië, sinds een met verlof zijnd controleur, De Block, die haar vader in Batavia had leeren kennen, ijverig visites maakte bij zijn terugkomst. Stance, plotseling uitgebloeid tot een stralende schoonheid, een vrouw waarnaast Annètje nog gansch een kind leek in houding en manieren, vertrouwde in uren van intiem samenzijn haar vriendin toe: ‘Dit was de man waar zij op gewacht had.’
Annètje luisterde verbaasd en ontzet naar een Stance die zij niet kende. Die opeens was weggehold van hun gezamenlijk tam weggetje, dingen zei, woorden vond, die een vreemde wereld voor haar openden. En verrast, een beetje kregel ook bezag ze den veel ouderen, hautain sarcastischen man, dien zij zoo'n wonder niet vinden kon; en die, dat ondervond zij gekrenkt, haar eenvoudig niet zag. Met den lichtelijk spottenden blik van zijn grijze oogen alleen Stance, de groote bloeiende lachende Stance overal volgde.
De schok maakte nochtans niets in Annètje wakker. Liefde, dat was: brieven met een blauw lint bij elkaar gebonden - een medaillon met zijn portret om je hals - dat was heel droevig alles en roerend als hij dood ging of weg - er hoorde ook maneschijn bij, en wandelen in een bosch.... en dan een kus.... Liefde was óók wat Leentje scheen te bezielen als de lange Janus Vink aan de deur was geweest, waarna Leen zoo'n dag hartroerend het eene lied na het andere galmen moest beneden in haar keuken....
Maar Annètje liep even onbevangen, een beetje méér verlangend nog, naar Karel, om alle dingen met hem te bepraten uit haar kleine leven; zonder dat dit en het andere zich bewust in haar gevoel met elkaar verbond.
Stance aan den arm van haar drukken vader, zwierf door de stad die zijn trots was, waaraan hij wat glorie had kunnen toevoegen door zijn geschenk. Zij gingen naar den heimwee-zieken aap, en hij vertelde haar hoe hij Artis nog gekend had zooals het in acht-en-dertig begon: met de buitenplaats Middenhof. Een vijver en een orangerie. Later kochten Westerman en zijn mede-directeuren de buitenplaats Vrede is mijn Lust erbij, aan den anderen kant van de Prinsengracht. En wat een pracht was het nu! Met pas weer dat nieuwe nijlpaarden-bassin.... Zij gingen naar het juist aangelegde Wandelpark, waar een standbeeld van Vondel zou komen. En het plan moest hij zien van een straat die recht over de Leidsche Barrière kwam te liggen en Vondelstraat zou heeten. Zij liepen door de Reguliersbreestraat en stonden er gelijkelijk sentimenteel, geboeid te luisteren naar de dikke orgelvrouw uit den Duvelshoek, die zong met haar hooge, heldere stem:
‘Is dan de Liefde, soon swaare sonde....’
En naar de opvoering van Gysbregt moest hij met al zijn vrouwen als elk jaar in Januari, wanneer hij in het land was....
Maar naar een verkooping bij Frederik Muller ging hij alleen - zat op te bieden voor een groot plaatwerk: ‘Oiseaux d'Afrique’ van Vaillant - een spanning van begeerte in heel zijn wezen.
Tot hij merkte, dat een andere, steeds dezelfde stem, opjoeg. En toen hij geërgerd eindelijk driftig-zoekend omkeek, zag hij in een gezicht dat hij kende van zooveel andere verkoopingen. En meteen wist hij teleurgesteld: ‘Aflaten. Dan ging het hem toch te hoog.’
Wat uit zijn humeur drong hij na afloop door de volte naar zijn gelukkigen mededinger.
‘Excuseer, is uw naam niet Craets?’
‘Craets, ja. Met wie - e....’
‘Ik ben Bremer. U kent me zeker niet meer. U hebt met me gevaren van Genua terug verleden jaar -’
‘O Kapitein Bremer, ja - hoe maakt u het?’ zei Frederik Craets vormelijk, met matige belangstelling. Hij keek in 't bruine eerlijke gezicht, dat met een begin van toorn om zijn nonchalance hem aanstaarde. En plots ontdooide hij met een lach.
‘Ik heb uw vogels weggekaapt - wilt u ze nog? Ik wist niet wien ik daar zoo dwars zat. 't Is een liefhebberij van me.’
‘De mijne ook.’
Verbroederd wandelden ze op.
Bij 't afscheid zei Bremer:
‘Ik heb mijn huis vol meisjes. Twee verloofd, en mijn kleintje nog thuis. Komt u eens aan, u bent welkom.’
‘Heel graag,’ zei Craets.
Maar 't werd voorjaar eer hij aan de invitatie dacht.
Toen kapitein Bremer alles van zijn stad gezien had - toen hij thuis gezeten had op zijn oude plaats tegenover zijn zwijgende groote vrouw, die naar hem opkeek van haar breiwerk met denzelfden vollen zwaren blik, waarmee ze in Antwerpen in het kleine café over het buffet den jongen zeeman had aangezien - toen hij zijn huis doorgeloopen had van den kelder naar de vliering en voor 't zolderraam al de torens van Amsterdam gezocht - begon een vreemd en dringend haken in hem naar zijn schip. Altijd was hij gegaan met vroolijken verlangenden moed. Dit keer ging hij anders. Hij zag zijn stad, zijn huis, zijn vrouw, zijn kinderen in een zonderlinge helderheid, zooals hij de Hollandsche ree zag wanneer 't schip wegvoer: als een die er al ver van staat.
Nadat hij van de reederij terugkwam, had hij het onherroepelijk,
vereenzaamde gevoel, dat een melancholie in zijn lichte oogen dreef: of hij nu nog maar alléén hoorde bij zijn schip.
Toen hij afscheid nam, wist hij lang Stance's geheim.
‘Kind, mijn kleintje, als ik niet terug kom, weet je dat ik het goed vind.’
Ze gaf een gil, klemde hem vast.
‘O vader! dat denkt u toch niet!’
Hij duwde haar zacht van zich af, en keek den kring van zijn dochters rond, ook Annètje Goldeweijn stond erbij. Zijn vrouw bracht hem nooit weg. Ze nam afscheid in de huiskamer, haar groot lichaam tegen het zijne, haar zacht groot gezicht aan zijn harde wang gevleid - met gesloten oogen zijn laatsten kus nemend. Hij zag ze, zijn meisjes, bloeiende knappe vrouwen, langer dan hij. Hij stond er tusschen, klein, breed, stevig, grijs.
‘Goed voor jullie moeder zijn.... beloof me dat. Allemaal.’
Hij omhelsde ze - ze schreiden ontdaan. En hij zag hen nog lang met zijn scherpe oogen op de kade staan, met hun mannen. De vriend stond naast Stance.
Het was het laatste waarnaar de kapitein tuurde, tot zijn oogen dof werden.
----------------
Otto De Block praatte zacht tegen de schreiende Stance. En zij keek naar hem op, plotseling vertroost, in een gelukkigen glimlach die haar tranen te niet deed.
Toen sloop Annètje weg van haar vriendin. Alleen en vergeten liep ze in den regen naar huis.