BIJ de familie van Frederik Craets begonnen zijn herhaalde bezoeken aan de Bremers de aandacht te trekken. Zijn oom Pieter kon niet laten wat ongerust te visschen - en als hij 's avonds aan de thee zat bij tante Sophie, maakte die nieuwsgierig listige toespelingen.
Tot Frederik er op een dag ronduit over sprak.
Oom liet het zich omstandig uitleggen. ‘Wèlke Goldeweijn. Van die Zaansche Goldeweijns, dan was het een heel goede familie - niet gefortuneerd - met wie was deze getrouwd, met een juffrouw Stevensen? Kende hij niet. Had vroeger wel van een aannemer Stevensen gehoord, was het die? Daar zat geld. Maar 't meisje zoo iets bijzonders? Wel, Frederik was zóó jong niet meer - als hij het kon klaarspelen, tante Sophie zou het graag zien dat je haar een dochtertje bracht hier - hè Sophie?’
Pieter Craets zelf in zijn kinderloosheid begeerde zeer een huwelijk van Frederik. Hij die in een diepgewortelde liefde voor zijn stad, Sarphati onder zijn vrienden geteld had - en een dergenen was die het vurigst de doorgraving van Holland op zijn smalst voorstonden, om de eindelijke herleving van den Amsterdamschen handelsgeest tot een feit te maken, zag in den krachtigen tactvollen jongen medefirmant den erfgenaam van zijn oud solide huis.
Op den verjaardag van Stance werd Annètje meegenoodigd met een heel partijtje naar den Salon de Variétés van Boas en Judels, waar dezen winter het gezelschap Driessens speelde uit Antwerpen met de beroemde actrice Catharina Beersmans.
Fransje was onmiddellijk vol vuur geweest over Annètjes toilet. Zij nam haar mee naar Sinkel, en luidruchtig of ze bij haar beste vrienden was, de benevelde oogen vlak bij de stoffen, had ze een japonnetje uitgezocht, rozerood met kleine bloempjes.
Annètje zat er verheugd mee in de komedie, en rustig blij keek haar frisch-blank gezichtje met de donkere pijpekrullen uit boven al dat roze.
Frederik Craets schrok even, met kennersblik het heele slecht-gemaakte japonnetje en al zijn fouten omvattend. Maar de kleur stond haar zoo allerliefst, en 't liefste was nog de overtuigde onschuldige trots op de eigen verschijning. En Frederik, die altijd elegance het eerst van alles had geëischt in een vrouw, die critisch een Juliette Lepiteau had beschouwd, kregel om een klein vergrijp tegen kleur of snit - hij week terug met iets van eerbied voor dit gebrek aan goeden smaak. Voor geen geld zou hij de illusie verstoord willen hebben van deze onbewustheid.
‘Als ze mijn vrouw maar eerst is.’ 't Was deze ongecontroleerde gedachte, waarmee hij zich plotseling zag de beschermer van een kostbaar bezit, die hem met een gloed in zijn knap blond gezicht naar haar deed overbuigen, terwijl hij lachend een grap fluisterde over het stuk.
Annètje keek in zijn oogen. Ze begreep niet zijn toespeling - ze had zoo weinig komedie gezien en was zonder critiek. Maar ook zijn woorden zelf gingen verloren onder het plotseling weten - ze had het gezien in zijn oogen - wat te gebeuren stond.
Haar mooie kleine handen - witte vlinders in haar rozerooden schoot - klemden zich in elkaar. Haar gezonde jonge tanden beten in haar lip.
En een verwarring gonsde in haar hoofd toen aan het slot, zij op straat stonden, en zij Frederiks stem hoorde:
‘Mag ik je thuis brengen, Annètje?’ waarbij het afscheid der anderen vaag en onwezenlijk aan haar voorbij ging.
Maar nu ze met Frederik eindelijk alleen langs den Voorburgwal liep, werd ze heel kalm. En toen zijn stem kwam, haperend onzeker, zijn oogen de hare zoekende, die ze verlegen toch niet afwendde, verraste haar niet meer de vraag:
‘Annètje, wil jij mijn vrouw worden?’
Dit was het nu, waar haar leven maanden lang in onweerstaanbare vaart heen gegleden was.... Eén seconde verschoot voor haar geest een winteravond, toen zij hier in een zeldzaam geluk geloopen had naast een ander.... Dan was haar ‘ja’ zoo rustig overwogen, dat het den ouderen man naast haar uit het veld sloeg, meer dan schrik of zenuwachtigheid had kunnen doen.
Fransje schreide van vreugde. De hartelijkheid waarmee ze den schoonzoon ontving was misschien wat theatraal, maar tegelijk zoo
ongedwongen en goedgemeend, dat Frederik zich dadelijk aangetrokken voelde tot deze mooie groote vrouw, die zoo dapper haar ongeluk droeg. Méér dan tot den teruggetrokken stuggen vader, die zich op een afstand hield, hem in al zijn woorden en daden scheen te peilen en te wegen.
Oom Pieter Craets was officieel aanzoek komen doen uit naam van zijn schoonzuster, om Annètjes hand voor zijn neef Frederik.
Hij had er gezeten, wat moeilijk zich terechtvindend in dit wonderlijk milieu van uiteenloopende elementen. Maar het lieve Annètje had hij naar zich toegetrokken en vaderlijk op beide wangen gekust.
Daarna was Fransje Goldeweijn het dadelijk alle vriendinnen, die ze bereiken kon, gaan vertellen. Ook juffrouw De Roos. In den stillen winkel klonk opgewonden haar stem, waar de andere vrouw ongemerkt leunen ging tegen de boekenrijen. Toen ze eindelijk weer alleen was, moest ze gaan zitten.
‘Wat een vreugde, wat een ongeduld om het te komen vertellen,’ dacht ze bitter. Dan schrikte ze op als betrapt: Karel was uit de kamer gekomen.
‘Ik heb 't al gehoord.’ Zijn stem schoot schamper hoog uit als een snik. ‘Ik dacht het wel - - natuurlijk zoo'n echte kwast van een vent, hè?’
De moeder gaf geen antwoord. Op haar bruine japon, die Annètje lang gekend had, vielen ongezien zware tranen.
De jongen was naar de boekenkast gehinkt, stond er, de handen in de zakken, de mooie donkere kop hartstochtelijk starend voor zich uit. Ze zwegen beiden omdat er voor dit alles geen woord toereikend leek - in den winkel, op eenmaal zoo stil en verlaten, of er iemand gestorven was.