terug  begin  verder
[p. 94]

XII

IN het huis op den Voorburgwal was een nieuwe geest gevaren, en Annètje onderging dien mee, zij het wat lijdzaam.

Want de huiselijke hemel, die zoolang zij zich herinneren kon, wisselend was geweest in den kortst mogelijken tijd van onweer tot zonneschijn, en immer de dreiging in zich besloten hield van een scène hier of daar, scheen met dit nieuwe element opgeklaard. Voor den galant van Annètje hield ieder zich in. En ook Frederiks goede vlotte manieren, zijn geestesbeschaving, zijn wereldkennis ondergingen alle drie als een verfrissching, hield Fransje wat kinderlijk schuchter bevangen en lokte Goldeweijn belangstellend uit zijn hoek. Zijn ingeboren wantrouwen eenmaal overwonnen, begon zijn schamel genietende aard uit het bijzijn van den schoonzoon genoegen te putten.

Den avond, nadat Frederik zijn meisje was gaan presenteeren bij zijn moeder en zusters, zat hij haar op te wachten. Fransje was met veel pijn vroeg naar bed gegaan.

Frederik bracht Annètje thuis, die maar stil aan zijn arm liep, op zijn praten nauwelijks antwoordde. De almanak wees lichte maan, maar tusschen de hooge huizen was het donker bij de bewolkte lucht; en slechts moeielijk kon hij het lieve bleeke gezicht naast zich onderscheiden.

‘Hoe heb je nu je nieuwe familie gevonden?’

Annètje trok met een schok terug.

‘Familie? die vréémde menschen....’ Ze zag aldoor nog in een afkeerigen schrik terug het breede lage huis op die Utrechtsche gracht, heel anders dan de grachten hier. In de breede kille gang al had een kou haar omvangen. De kleine grijze vrouw, in een sjaal gewikkeld, die van de sofa waarop ze lag, sinds jaren verlamd, slechts een hand

[p. 95]

naar haar had opgestoken, met koele oplettende oogen haar taxeerend.... moest ze daar eens moeder tegen zeggen! Ze had tegenover haar gezeten met een gevoel als nog nooit in haar leven. En de zusters van Frederik, veel ouder dan zij: Louise de oudste, groot en heel donker, heel mooi eigenlijk, maar zoo'n stuursch gezicht. En Adolphine, bepaald leelijk met een rooden mopneus en kleine schichtige apenoogjes. Allebei even afgemeten en stug. De jongste, blond als Frederik, klein en bewegelijk, een niets zeggend rond kinderlijk gezicht, was voortdurend bezig in den tuin de duiven te voeren.

Op Frederik waren vooral de twee oudsten dol - dat zag ze. Neen ze vond die meisjes niet aardig. Ze had zich, eenig kind, een beetje opgewonden voorgesteld dat ze nu ineens aardige zusters zou krijgen, zoo iets als Stance. Maar zij wist niets tegen deze meisjes te zeggen, en zij deden ook meestal of zij er niet was. En voor hun koel vorschende oogen, hun onverschillig aanhooren, was zij tenslotte gaan zwijgen, nadat zij verteld had wat haar hier in Utrecht belangrijk leek: dat moeder voor haar oogziekte naar professor Donders zou gaan.

Louise had gevraagd:

‘Ga je veel uit?’

‘'t Gaat nog al - soms wel eens naar een danspartij. En dan bij mijn vriendin....’

‘Je hebt zeker veel kennissen in Amsterdam?’ vroeg Adolphine.

‘O - 't gaat nog al....’

‘Ben je dezen winter veel naar bals geweest?’

‘Ze is zooveel thuis gebleven om haar moeder te verplegen, hè Annètje,’ zei Frederik met een liefkoozenden blik.

Hun vorschende oogen gingen van den broeder naar het meisje. Er scheen iets aan haar jurk te haperen, dacht Annètje, daar hadden ze dadelijk zoo naar gekeken. En aan de koffietafel, die in een aparte eetkamer was aangericht, waar een lange donkere knecht als een standbeeld naast het buffet stond, kon Annètje, in het vooruitzicht van nòg zoo'n maaltijd en een middag zonder eind, haast niets eten.

Na de koffie zei Frederik: ‘Nu ga ik je de Maliebaan laten zien.’

Annètje dacht: ‘De Maliebaan kan opvliegen. Was ik maar thuis.’

In de kamer keken de moeder en zusters elkaar aan.

‘Een burgerkind.’

‘Hoe komt hij daàr aan....’

‘Is dat nu iets voor onzen jongen, die ieder meisje krijgen kan...’

 

Het werd een trage, eindelooze dag. Annètje had haast niets meer gezegd nadat ze van de wandeling thuis kwamen. De Maliebaan vond

[p. 96]

ze naar, wat was daar voor moois aan te zien, en Utrecht was heelemaal een nare stad - die gracht was naar, en het huis was naar....

Bleek, zóó bleek was ze geworden, dat Frederik vol onrust haar telkens aankeek, en haar innig kuste in de gang toen ze thuiskwamen, om wat leven in haar gezichtje terug te brengen.

Van den verderen dag bleef iets in Annètje hangen, waaraan ze telkens denken moest. Haar taschje willende halen uit de eetkamer, had ze een verkeerde deur geopend en belandde plotseling in een afgesloten stuk gang. Onthutst keerde ze terug, vergiste zich opnieuw - wat waren dat hier in Utrecht ook voor ellendige huizen - en terwijl zij eindelijk de goede deur vond, zich al omkeerde om weg te gaan, werd haar oor getroffen door twee fluisterende stemmen, een manne- en een vrouwestem. Dan plotseling de vrouwestem, die in schrik uitschoot: ‘Is daar iemand?’ En opeens had voor Annètje gestaan de lange Marcel, de donkere huisknecht, die onbewegelijk uit de hoogte op haar neerkeek.

‘Ik ben verkeerd geloopen,’ zei het meisje, koel geprikkeld.

‘O pardon juffrouw, ik zal u even den weg wel wijzen.’

Maar aan tafel, de lange knecht weer roerloos naast 't buffet, ving Annètje tot tweemaal toe Adolphine's zonderling scherp vragenden blik. En opeens, in een verbijstering wist ze:

‘Die andere stem was Adolphine's stem geweest. Maar waarom keek die haar telkens zoo aan? Akelige menschen allemaal....’

 

Nu met Frederik eindelijk weer in Amsterdam op weg naar haar eigen huis, had ze een sterken grief tegen hem, al was hij ook aldoor lief voor haar geweest. En zijn vraag joeg opeens de golven hoog.

‘Hoe vondt je je nieuwe familie?’

‘Ze waren niet aardig tegen me.’

Hij zweeg even, versteld. Hij had in die weken van zijn engagement al lang iets geleerd: zijn Annètje was niet alleen het heel lieve zachte geestige kind. Zij was ook een onthutsend eerlijke en heel dikwijls onverbiddelijk koel afwerende natuur tegenover al wat haar niet aanstond. Evenmin in haar genegenheden als in haar antipathie te buigen noch te beïnvloeden. Hij had met schrik bemerkt, dat naarmate de dag verliep, Annètje stugger en koeler werd; en dat uit haar aanvankelijk tegemoetkomende liefheid een haast vijandige strak-heid groeide, die zich zelfs over hem uitstrekte.

‘Maar jij was ook niet als anders. Ik herkende mijn meisje haast niet.’

Ze luisterde ondanks haar toorn geboeid naar dien liefkoozenden toon, die haar overmeesterd had. Zij zèlf kende zich zoo niet, dacht

[p. 97]

ze bedroefd en verontwaardigd. Die menschen maàkten haar zoo! Nooit immers had ze zóó alleen in vreemden kring gezeten, zoo weg van al wat lief en vertrouwd was. En ze begon toch moedig, had alles ten beste gewild. Maar ze had gedacht dat een lieve oude mevrouw haar innig en geroerd zou omhelzen en ‘mijn dochtertje’ zeggen - iets van het theatrale van haar moeder leefde in Annètje - zoo had moeder toch ook bij Frederik gedaan. Maar deze onvriendelijke oude vrouw, die hoogmoedige oude juffrouwen van zusters, hadden haar heelemaal uit het veld geslagen meteen. En zelfs Frederik was haar daar een vreemde gaan lijken.

Bij het afscheid kuste Frederik haar innig. Hij kende haar zoo niet, en haar koelheid gaf hem opeens grooten angst haar te verliezen. 't Was hem of hij nooit geweten had, dat hij dit kind eenvoudig niet zou kunnen missen. Maar haar wederkus bleef koel, en zonder een woord meer sloot zij de deur.

Boven vond zij haar vader. Het trof haar hoe ingezonken, vaal en moe hij eruit zag. Ze liep op hem toe, vleide zich tegen hem aan, zich warmen willend aan dit allereerste van thuis.

Hij maakte zich zacht los of 't hem hinderde.

‘Hebt u pijn?’ vroeg ze.

‘Ik heb altijd pijn tegenwoordig. Ze zeggen dat het beter zou gaan als ik rust nam.... maar dat kan ik niet.... Vanavond heb ik zitten denken, als jij eens 't huis uit bent, hoe moet 't dan met moeder...’

‘Ik ben nog niet weg.’

‘Neen, maar Frederik zal niet lang willen wachten. Waarom ook. Hij heeft een positie. Hoe heb je 't gehad daar?’

‘Afschuwelijk.’

‘'t Is gelukkig ver weg, je bent niet met hèn getrouwd,’ troostte hij nuchter. ‘Nu, wel te rusten kind, ga maar slapen.’

 

Midden in den nacht werd Annètje wakker van de bel - de stem van haar vader uit 't raam.

Op de stille gracht krabde een paardenhoef.

‘Een kraamvrouw - en vader had zijn rust zoo noodig.... Maar wat zouden ze daàr in spanning wachten. Zij zou goddank haar eigen vader hebben als....’

Een gloed schoot op in haar gezicht - over hals en schouders. Vanavond had zij zeker gedacht dat zij niet hield van Frederik - den Frederik die tusschen al die nare menschen hoorde. Nu was 't opeens weg - nu leek alles tusschen hen beiden goed en natuurlijk. Frederik, haar man....

[p. 98]

Ze moest aldoor denken aan die vrouw, al kende ze haar niet eens - wat voor 'n kindje zou 't zijn - dan zag zij weer haar moeder in haar gebloemde japon bij juffrouw De Roos praten over den kleinen Pieter....

Eindelijk soesde ze weg. Schrikte pas wakker door een rijtuig voor 't huis. Door de gordijnen kierde de grauwe dag.

Ze hoorde haar vader langzaam naar boven sloffen. Dan zijn stem tegen haar moeder: ‘Ja, heel voorspoedig - een eerste kind.’ En zijn zucht van vermoeidheid.

Annètje keerde zich om voor een nieuwen slaap. Ze glimlachte onbewust in het donker - haar wang vleide zich tegen haar blooten arm als een liefkoozing.

Toen sliep ze zwaar en diep.

terug  begin  verder