terug  begin  verder
[p. 101]

XIV

DOOR Amsterdam gierde den heelen morgen de wind, die de boomen rameide, in den namiddag tot een storm was aangezwollen.

Annètje met Stance voortgevlogen, hoorde verschrikt, dat moeder uit was. Een lage lucht hing grauw en dreigend boven de huizen, en gierend joeg plotseling de straffe storm een pan van de daken die neerkletterde op straat - een tak knapte.

Stance werd stil. Ze wachtten De Schoone Verwachting al sinds een week. Maar de berichten bleven komen over zware stormen bij de golf van Biscaye - in het Kanaal. De visschers die uitzeilden waren teruggekeerd.... Bij de reederij maakte men zich nog niet bezorgd.

Voor het raam zat mevrouw Bremer. Zij zag bleek, schoof het venster op.

‘Zwaar weer -’ zei ze, haar stem was dof - ‘ik zit 't hier al een uur aan te zien - kom jullie binnen?’

‘Moeder is uit,’ weigerde Annètje ongerust. ‘Bij juffrouw Kooistra - ik ga haar tegemoet.’

Een windstoot sloeg haar haast van de been bij de Molsteeg. Maar in de straat zag zij midden op de Torensluis de groote figuur van haar moeder, vechtend tegen den storm. Haar zwarte rouwsjaal wapperde losgerukt als een zeil recht boven haar hoofd. Haar crinoline ving wind, stond naar voren.... Even worstelde ze op de plek, radeloos verblind....

Toen vloog Annètje op haar toe - en opeens begon Fransje te lachen als een kind om het avontuur, terwijl zij samen stijf gearmd naar huis liepen.

[p. 102]

Voor 't raam van de Bremers, wuifden zij lachend, rood van den wind, naar binnen.

‘Lekker frisch buiten!’ riep Fransje.

Maar de zware vrouw binnen voor het raam antwoordde niet. Strak en stom zat zij uit te staren in het noodweer.

----------------

Drie dagen later zat Annètje beschreid en bedroefd in het burenhuis, haar handje vastgehouden in den zwarten breeden schoot van moeder Bremer. En Fransje zat er, eerbiedig stil en ernstig. Voor het eerst sinds ze hen kenden waren bij de Bremers de jalouzieën neer; versleten en stroef waren zij onwillig neergerateld, om de ramen te dekken in rouw. De Schoone Verwachting was binnengevallen zonder haar kapitein. Van de reederij was bericht gekomen: een stortzee had hem in den laatsten zwaren storm in het Kanaal over boord geslagen van de brug. Zijn eerste officier had hem meteen zien wegzinken, zonder strijd, zonder verweer - in den grijzen kop de oogen gesloten - als op een verwacht en vertrouwd bed.

In de kamer die een vreemde leek in het ongewone geelachtig licht, zat mevrouw Bremer met haar dochters. Achter haar vervallen trekken worstelde wanhopig de vraag die zij nooit had opgelost: wàt de geweldige macht was, die altijd weer den man zóó gewillig had weggevoerd van haar liefde, uit haar armen, van de kinderen, zijn huis, al waar hij aan hechtte toch. Die hem nu vasthield in den dood, ver van haar....

Zij zat er zwijgend, geweldig haast van kalmte, den ganschen dag. Maar in den schemer ging langzaam haar zware gestalte het huis door - zoekend de plekken waar zij hem altijd had geweten als hij thuis was. En uit het zoldervenster keek haar verwoest, groot, troosteloos gelaat naar de torens van de stad....

Annètje zag met iets van schuwe bevreemding hoe volkomen en hartstochtelijk Stance troost zocht en vond, niet bij haar moeder, maar bij Otto. Als 't nu Karel was dien ze altijd gekend had.... die gedachte sprong onverhoeds uit zijn hardnekkig afgedekten schuilhoek te voorschijn. Maar even snel drong zij haar terug, als iets waarover zij zich te schamen had. Want er was dat waarover zij telkens denken moèst, waarom ze Stance soms ontweek, als die zoo eindeloos en verrukt kon praten over Otto, en zij zelf zoo weinig te zeggen had. Stance's heele wezen, opbloeiend in een zeldzame schoonheid, straalde van zoo'n geluk dat het Annètje verlamde. Dan wist zij: zoo verrukt was zij niet in haar verloving. En hoe kwam dat? Frederik was stellig knapper, geestiger, belangrijker - veel liever ook dan de stille Otto.

[p. 103]

Ach - zij hield veel van Frederik - met de ernstige, zachte, langzaam groeiende gehechtheid van haar trouwe ziel. Maar zóó verliefd en gelukkig als Stance in Otto's armen vloog - zoo.... verlangend, onderscheidde Annètje pijndoend scherp - was zij niet.

Dikwijls was er een diepe vermoeidheid in haar, die zij zichzelf niet verklaren kon. Nog altijd door werd zij los gemaakt - voortdurend losgemaakt uit haar oude sfeer - of er altijd aan haar gewerkt en veranderd werd.

Op een avond toen zij aan een sluimerrol borduurde voor haar vader, en het patroon haar niet beviel, zij dit uithaalde, veranderde, omzette naar eigen idee, zag zij dat nu het wel beter paste voor het doel, maar tegelijk veel van de schoonheid had ingeboet. En de plotselinge gedachte liep door haar hoofd dat zij eigenlijk net zoo'n eenvoudig borduurpatroontje was, waaraan verfraaid en gebeuzeld werd, en dat er tenslotte niet bij won.

Zulke gedachten had zij alleen tegen Karel kunnen uiten. En zij herinnerde zich dat die eens gezegd had:

‘Je bent eigenlijk een dichteres.’

‘En ik maak heelemaal geen verzen!’

‘Dat is ook niet noodig.’

Ze had verbaasd gezwegen. Dikwijls begreep ze Karel niet, maar 't was zoo'n rust te weten dat hij haàr altijd begreep.

Met Frederik was ze ook naar de De Roozen gegaan.

‘Is dat nu noodig?’ had Frederik gevraagd. ‘Naar zoo'n winkeltje in de Warmoesstraat?’

Maar Annètjes gezicht was verstarkt in de koelheid die hij had leeren ontzien in zijn korte verloving. Soms greep hem een vreemde onmacht, dat hij nooit geheel dat schijnbaar zachte kind bezat. Dat zij hem tijden lang ontglipte in een eigen leven, waaraan hij geen deel had.

Het bezoek liet bij Annètje een pijnlijke herinnering. Zij zaten er in de oude vertrouwde achterkamer - bij juffrouw De Roos met haar lintenmuts. En wèl was er de zachte moederlijke warmte waarmee zij Annètje aankeek telkens, al leek zij niet vroolijk als anders.... maar Frederik werd hier de deftige jonge man die het belachelijk vond dat zijn meisje zulke kennissen had. En dat gaf een kilte, een terughouding aan zijn manieren, aan zijn stem, die Annètje onderging als een beleediging tegenover haar eenvoudige vrienden.

Toen kwam Karel binnen. Hij liep erger mank dan vroeger, vond Annètje, en het deed haàr lichamelijk pijn dat hij zich verstapte bij het verlegen handengeven. Nu zij hier zaten met zijn vieren om de tafel,

[p. 104]

waarop eens tusschen hun drieër gebogen hoofden de silhouetjes gelegen hadden op het rood en zwarte kleed, viel ongecontroleerd in Annètje de gedachte dat deze vierde hier niet hoorde. En zij samen met dien vierden ook niet meer. Een heete kleur stroomde op over haar gezichtje tot aan haar haren, onder den minachtenden vijandigen blik waarmee de jongen tegenover haar - een ander dan haar eigen oude Karel - den man naast haar opnam.

Naar haàr keek hij heelemaal niet....

Juffrouw De Roos hield moeilijk het gesprek gaande, antwoordde op Frederiks beleefde vraag, dat zij het zeker altijd wel druk had in de zaak:

‘Ja - een vrouw staat voor alles tegelijk dan, niewaar? Maar mijn zoon is mijn groote steun - hij is dol op alles wat boeken is - nu heeft hij weer Multatuli, waar hij dag en nacht in leest.’

‘Kènt u hem?’ vroeg Karel fel aan Frederik.

‘Multatuli? Ja, ik heb wel van hem gelezen, - mooie taal, maar ik kan niet zeggen dat ik hem overigens zoo bewonder. Hij heeft daar in Indië de boel eigenlijk wat in de lappen laten liggen, en kraait hier nu zoo'n beetje oproer over Indische toestanden en nog wat. Nogal gevaarlijk zoo'n geest, omdat hij den grooten hoop achter zich krijgt met zijn hokus pokus.’

‘Gevaarlijk zeker, maar in een anderen zin dan u bedoelt,’ wierp Karel altijd even vijandig fel tegen. ‘Gevaarlijk voor al die hartelooze slaapmutsen hier, die hun geld jaarlijks maar makkelijk opstrijken uit Indië, en er nog nooit over gedacht hebben wat er aan kleefde van bloed en zweet. Hoe daar menschen worden uitgebuit en vermoord. Koloniën hebben is een schandelijk onrecht.’

‘Ach heusch. En als ik vragen mag, hoe zou onze handel nog bestaan zonder koloniën?’

‘Maar handel - handel is toch niet het voornaamste in het leven,’ stotterde Karel verwoed - ‘handel is iets smerigs - wat Multatuli...’

‘Ja, ja,’ onderbrak Frederik, ‘'t is heel makkelijk voor zoo'n meneer achter zijn schrijftafel om dergelijke, onbekookte ideeën de wereld in te sturen, en proselieten te maken. Ik heb trouwens gehoord dat hij bij al zijn medelijden met die arme Indiërs zijn vrouw allerschandelijkst heeft behandeld.’

‘Dat heeft met zijn werk niets te maken. Rousseau, als u met alle geweld geen Hollander wilt, heeft ook prachtige dingen geleerd, en hij legde al zijn kinderen te vondeling....’

‘Ja, ja zeker Rousseau,’ zei Frederik verveeld met zoo'n ongaren burgerjongen te moeten discussieeren - ‘ik lees liever de romanciers dan al die theorieën....’

[p. 105]

Annètje werd warm en prikkelbaar. Ze kon zelfs niet meer praten tegen juffrouw De Roos, die verdrietig, vriendelijk een afleidend gesprekje nog poogde. Zij wilde alleen weg. Ze had een hekel aan Karel, een hekel aan Frederik, die daar maar tegen elkaar zaten te vechten - Karel zoo verwoed, Frederik zoo onverdragelijk uit de hoogte. En het verschrikkelijk besef hoe hier nu voorgoed iets in stukken viel, dat was verbonden geweest met de beste, gelukkigste oogenblikken uit haar heele jeugd.

----------------

Toen zij op straat liepen, trok Frederik haar arm vast door den zijnen.

‘Dat heertje is niet zuinig eigenwijs. Eigenlijk nogal een vlegel. Wat deedt je toch bij die menschen? Dàt begrijp ik niet.’

Maar in Annètje was iets gebroken. Hard en onvriendelijk was Karel geweest, als een vreemde tegenover haar. Verbijsterd zag zij hem zoo terug. Ze hield niet meer van hem. Zij hield niet meer van den winkel, van zijn moeder, van niets meer. Maar ze haatte op dat oogenblik bijna Frederik, die haar dat zóó deed voelen. En de drift van haar moeder greep haar.

‘Ik verdraag het niet dat jij op mijn vrienden schimpt! Denk jij, dat je zooveel meer bent dan zij - omdat je geld hebt, en zoogenaamd van deftige familie!? Jij weet veel minder dan Karel en zijn moeder. En ze zijn goed - ze zijn veel te goed om met den nek te worden aangezien door jou. Ik ben wel met jou naar Utrecht gegaan - ik heb daar verdragen dat ze uit de hoogte en onvriendelijk tegen me deden. Ik heb een hekel aan ze. En nu ga ik er nooit meer heen, nu jij zoo leelijk durft te doen tegen die goede menschen, waar ik van gehouden heb - mijn heele leven.’

Ze liepen op den Dam. In veel later jaren nog zou Annètje zich alles precies herinneren van deze scène. Hoe ze snikkend van drift langs haar vriend met de geleerde honden en kanarievogels vloog, en de man haar midden in een uithaal verstomd aankeek en nazag.

Frederik wist niets te zeggen. In al zijn eigen boosheid merkte hij op dat haar stem zacht en gedempt bleef. Maar deze onverwachte woede overrompelde hem zoo in zijn geruste hooghartigheid van deftig Amsterdammer, dat hij geen woord vond en snel met haar mee voortliep.

Geërgerd was Frederik Craets en gekrenkt. Geërgerd dat zijn meisje er zulke conversatie blijkbaar met voorliefde op nahield - geërgerd ook dat zij dit duidelijk stelde boven den kring waarin hij haar bracht - waarin hij trotsch en verheugd hoopte haar een sieraad te doen worden. Gekrenkt dat zij dit alles verwierp als minderwaardig, hèm

[p. 106]

een scène maakte terwille van die winkelmenschen. En hij dacht aan haar moeder: die maakte ook scènes en niet malsch, dat wist hij nu al. Hij had het toevallig eens bijgewoond. Was dàt zijn toekomst? En wat hem een prikkel was geweest, dat vroeg hij zich plotseling in twijfel af:

Wàs hij eigenlijk wel zeker van haar? Hield zij werkelijk wel van hem? Soms als hij Stance met Otto zag, dacht hij dat Annètje nooit zoo warm was....

Zijn trots van verwenden jongen in het vrouwenhuishouden te Utrecht brak uit - van gefortuneerden, knappen man waar de moeders naar hengelden, de dochters om draaiden. Hij behoefde geen alsjeblieft te spelen tegenover een eenvoudig meiske met neigingen die in hùn kringen niet pasten. Die ouder geworden misschien het evenbeeld van haar moeder zou zijn. Een hinderpaal in plaats van een steun in zijn wereld.

Maar toen hij vertoornd keek naar haar, waar zij liep op haar kleine smalle voetjes, haar wijde rok met strookjes gracelijk deinend op haar snellen veerkrachtigen gang, en het fiere, slanke, rechte meisjeslijf daarboven - toen hij den trots zag op dat ernstige, blozende, frissche gezichtje, wist hij in een hem totaal vreemde wanhoop, dat hij haar al zou ze hem duizendmaal ergeren, nooit missen kon.

En in die zwakheid vond hij het woord:

‘Annètje, je hòudt toch wel van me??’

Ze keek op, plotseling tot zichzelf gebracht. Ze zag zijn gezichnu weer zooals zij het kende, waaraan zij zich eenmaal had toet vertrouwd.

Door een vreemde diepe droefenis heen, thans pas volkomen bewust dat zij achter moest laten onherroepelijk wat niet te vereenigen was met dat machtige, nieuwe in haar - dat haar trok in Frederiks liefkoozende stem, zijn teedere handen en den diepen dwingenden blik van zijn oogen - keerde zij zich thans weer geheel tot hem. En het was met een plotselinge verandering, een geheel aandoenlijke zachtheid, een bange hulpeloosheid ook in haar wijde jonge oogen, dat zij zeide:

‘Als ik niét van je hield, wat zou ik dàn moeten?!’

terug  begin  verder