TOEN de zomer verstreek werden zij vertrouwelijker. Er kwamen de vele dingen die zij gezamenlijk doorleefden, en dit schonk Annètje de rust der saamhoorigheid die zij zoozeer behoefde.
Zij leerde ook Frederiks vrienden beter kennen, die zij ontmoetten in het zomertheater Tivoli of op de Parkconcerten, waar Frederik zijn meisje en haar moeder geregeld meenam.
Fransje nog in den lichten rouw, die haar frischheid voornaam kleedde, gedacht triomfantelijk Marie Weesburg en genoot vooral hevig het gezelschap van Amélie van Dugten die pas uit Parijs, verhaalde van hoedjes klein als horloges ergens boven op 't hoofd zwevend maar met ontzaggelijke linten en strikken - prachtige sjaals van Perrault uit Lyon op de wereldtentoonstelling.... En zij keek met een glimlach naar Annètjes rond gezichtje onder den Hollandschen hoed.
Van Dugten sprak met Frederik over de toenemende impopulariteit van den keizer. De geestelijkheid, sinds hij erin geslaagd was den paus een groot stuk van den kerkelijken staat te doen verliezen, was fel op hem gebeten. De pers werd al scherper en Hugo's Napoléon le Petit was ingeslagen. Dan sprak hij verder over de generale repetitie van Hermani in het Théatre français. Ach, verouderd. 't Mòcht bij de studenten, de democraten nog een politieken triomf halen, litterair was het dood geboren.
‘En Vondel krijgt nu zijn standbeeld in het Rij- en Wandelpark.’
‘Ja, waar volgens Huet geen vogelvlugge amazone, geen hittenwagentje zal kunnen voorbij draven op dien veengrond, zonder hemzelf op zijn zetel bedenkelijk te doen dreunen.’
‘Huet heeft meer bitters doen hooren naar aanleiding van dat
standbeeld, o.a. dat de letterkunde wier voorlooper Vondel zich gevoelde, is weggebleven,’
‘Neen, ik geloof niet dat Vondel zelf aan zoo iets gedacht heeft. Hij dichtte, eenvoudig omdat hij niet anders kòn - uit zijn natuurtalent, maar gedachten aan anderer kunst bleven hem ver. Hij heeft geen moment aandacht ook gehad voor een kunst van Rembrandt.’
Hij groette een dame en Amélie knikte levendig.
‘Mevrouw Storm van der Chijs. Die mokert op de verbetering van het lot der hedendaagsche vrouw,’ lachte Leedebour.
‘Wat zij wil is zoo onredelijk niet,’ zei Van Dugten. ‘Onze onbemiddelde meisjes uit den beschaafden stand die niet jong trouwen, zijn er meer dan slecht aan toe. In Engeland en Pruisen zijn overal vereenigingen opgericht om het arbeidsveld der vrouw uit te breiden, hen in betrekkingen te plaatsen overeenkomstig hun aard en aanleg - en ook om te zorgen voor oude, gebrekkige vrouwen. Het is een rechtvaardige zaak.’
Annètje dacht, verwonderd toeluisterend, aan juffrouw Kooistra. Die had op een avond thuis iets dergelijks gezegd, daar was iedereen toen verontwaardigd over.
‘Luister jullie nu alsjeblieft eens aandachtig naar 't Quator van Beethoven - het is werkelijk uitstekend,’ waarschuwde Frederik.
Om hen heen ging het drukke gepraat onverstoord onder de muziek door. Tot aan 't slot ieder even opschrikte - onmiddellijk daarop luid applaus weerklonk.
‘Wanneer zal men hier eens leeren niet onder het concert door te kakelen,’ zei Van Dugten. ‘Ze beschouwen de muziek als een accompagnement van hun gepraat. Ik zou zoo'n kellner het blad uit zijn handen kunnen slaan wanneer hij hardop staat af te rekenen als ik naar Beethoven luisteren wil. Zullen ze hier in Holland nooit eerbied voor muziek leeren!’
Fransje en Annètje keken hem verbaasd, verlegen aan. En hij glimlachte. ‘Lieve schepsels allebei, met net zooveel begrip van muziek als de poes.’
----------------
Voor 't raam van een armelijke bovenkamer op den Haarlemmerdijk zat Marie Weesburg, en spelde de advertenties van de zomervermakelijkheden. Dan verstelde zij, vlak voor 't raam geschoven om licht uit te sparen haar oude zijden japon, die ze verstopte onder een grof wollen sjaal als ze haar man ging bezoeken in de gevangenis. Ze had hem door haar toomelooze spilzucht tot den ondergang
gebracht; maar hij keek gretig en met de oude liefde in het vermagerde fijne vrouwengezicht, dat nooit miste op het bezoekuur, altijd nog een glimlach wist vast te houden aan den anderen kant van het hek; en alleen maar praatte, bemoedigend en hoopvol, over den tijd dat hij vrij zou zijn.