terug  begin  verder
[p. 110]

XVI

ONDER een strakken warmen Octoberhemel stond Amsterdam in vlaggentooi. Een feestende stad met duizenden op de been, die opdromden naar de Nieuwe kerk waar Van Lennep - hij was de groote man met zijn Vondeluitgave, voorzitter der commissie, en om hem te zien en te hooren drong men harder dan voor Nederlands grootsten dichter - bij Vondels graf zou spreken, vóór de onthulling van het monument in het nieuwe Wandelpark.

Annètje zat er, met haar ouders en Frederik. Voor al de feestelijkheden had Frederik van Van Dugten als lid van het comité, voor zijn meisje en haar moeder gereserveerde plaatsen. Goldeweijn wilde alleen mee naar de kerk - hij wou Van Lennep wel eens hooren, maar kon zijn werk niet laten.

Wat Van Lennep zei, ging tot zijn hart: de weinig eervolle historie van Vondels graf, eerst jaren na zijn dood door een eenvoudig monument aangeduid, toen de enkele woorden door zijn vriend Bleesing op den lijksteen gegriffeld al haast waren uitgesleten.

Van de Nieuwe kerk uit, waar een allegorische optocht voorafgegaan door corporatiën met banieren zich opstelde, draafden de menschen mee met den stoet op zijn langzamen weg naar het Wandelpark; stelden zich op de hooge stoepen, voor de ramen, bij het hek van het Wandelpark, en om het afgezette gedeelte bij het monument.

Annètje reed trotsch en gelukkig in een open rijtuigje met Frederik en haar moeder erheen. Annètje, nu waarlijk zelf met zoo'n uiterst kleinen Parijschen hoed, een cadeau van Frederik door bemiddeling van Amélie van Dugten bemachtigd. Ze durfde hem eerst haast niet op zetten - nog werden die kleine modellen in Amsterdam niet gedragen - en watverlegen had zij den vorigen avond bij het Parkconcert, dat de rij

[p. 111]

der feestelijkheden opende, de aandachtig verwonderde blikken der vrouwen gevoeld.

Annètje had het een heerlijke avond gevonden.

Verhulst dirigeerde er zijn eigen compositie op woorden van Hofdijk, zijn ouverture Gysbregt van Aemstel en Wildzang - daarna kwam een cantate van den jongen Richard Hol....

Ja het was echt feestelijk vond Annètje. In de versierde zaal waar het opschrift hen ontving:

Ik wensch de goe gemeent en trouwe burgerije
In Liefd' te zijn vereent....

waren de menschen allen zoo vroolijk dat je soms van de muziek haast niets hoorde, en verwonderd had zij opgekeken naar Amélie van Dugtens verontwaardiging, toen de jonge Hol op de tribune verscheen, met Verhulst en Hofdijk.

‘Hij had niet behooren te komen! Niemand heeft geluisterd. Ze kletsten er maar doorheen. Ik had niet willen bedanken daarvoor. Maar Hol is iemand. Onthoud dat, hij is nog jong maar hij is een ziel in ons muziekleven....’

Annètje rijdend door de hier en daar feestelijk vlaggende straten, de dichte menschenrijen - genoot voor 't eerst echt haar positie als verloofd meisje. Zij dacht alleen telkens even aan haar vader, die daar nu weer bleek en koud en moe als altijd tegenwoordig, zijn patiënten afreed, en aan het feest geen deel had. Hij had ook wat stroef hen goedendag gezegd, vond het een dwaasheid van Frederik een rijtuig te nemen - een weeldezucht die hem bij zijn schoonzoon verontrustte. Jonge menschen moesten zuinig zijn, ze waren toch alle drie gezond, konden best loopen.

Maar Frederik vond het te ver voor de dames. Het Wandelpark lag heelemaal buiten de stad. Wie lièp er van de Nieuwe kerk naar de Leidsche Barrière! En hij wilde zijn meisje en schoonmoeder niet moe en geëchauffeerd laten verschijnen.

Voor Fransje viel de hemel open. In haar lichten rouw, de leelijke bril roekeloos thuisgelaten, zat zij er niettegenstaande het misvormd zieke oog, mooi en vorstelijk groot tegenover haar schoonzoon, die verliefd telkens Annètje aankeek. En haar glimlach deed niet vermoeden, dat al het leven der zonnige straat voor haar in pijn en mist onderging.

Geen van beiden zag den donkeren jongen, die met zijn moeder bij den ingang van het Wandelpark uitweek voor hun rijtuig, en met gloeiende oogen uit zijn plots vaal verbleekt gezicht staarde naar het kleine gezelschap dat daar vroolijk langs reed. Ook juffrouw De

[p. 112]

Roos had gezien. ‘Ja daar ging ze nu, dat Annètje - en haar arme jongen die hier alleen stond.’

Maar Annètje reed onbewust en gelukkig voort. Op de tribune vonden zij oom Pieter en tante Sophie, en van Dugten, die druk pratend tusschen de comitéleden van verre hen groette. Amélie een paar rijen voor hen met Leedebour en zijn zuster. En Frederik - terwijl onder de nog warme zon de dames overal hun parasols opstaken, bang met één slag de moeilijk veroverde modieuse bleekheid te verliezen, waarvoor ze zoo trouw azijn dronken - wees Annètje verschillende personen:

‘Dat was Alberdingk Thym die daar met Van Lennep stond - en daàr Pierson. Dat was De Veer van de Trou-ringh - die daar net inkwam kende ze wel, dat was Hofdijk, hij is de zoon van een zilversmid uit Alkmaar.... En daar Schimmel ook. Douwes Dekker schijnt in Keulen te zijn met een trekpleister naar ze vertellen - die heilige van je vriend uit de Warmoesstraat. - Ik zag Potgieter ook met zijn zuster, maar niet mevrouw Bosboom, die zal er toch wel wezen. Ken je Quack, daar met dien geestigen kleinen kop - en daar zit de Brusselsche commissie - en daar: Thorbecke, de steen des aanstoots van oom Pieter.’

De jonge Cloese van Berchem, een der meest bekende uitgaande jonge heeren, met Frederik bevriend geraakt tijdens een verblijf in Parijs, kwam hen aanspreken, zijn donker knap gezicht lachend:

‘Daar komt de stoet! De Faam is gekanteld op den hoek van de Keizersgracht, ze heeft haar hoofd gebroken en kan nu de trompet niet steken. Droevig en bedenkelijk voor dit feest.’

Hij lachte tegen Annètje, wat ze gezellig vond. Hij was maar weinig ouder dan zij, en onder al de vrienden van Frederik bleef deze jonge man haar 't meest vertrouwd. Maar hij verliet hen meteen weer, want Van Lennep, zijn grijze fijne kop blinkend in de Octoberzon, begon te spreken.

‘Hoe bij de onthulling van Tollens' standbeeld de helaas te vroeg ontslapen Bakhuyzen van den Brink in bezielende woorden er de feestvierenden aan herinnerd had, dat Nederlands grootste dichter nog altijd zònder monument bleef. Hij herinnerde in zijn dank aan de vele buitenlandsche medewerking, tevens aan het feit dat Vondels geboortestad zich van alle deelneming had onthouden. Dat kinderen hun moeder verloochenen is méér beleefd. Dat een moeder haar zoon verloochent is een unicum dat voor Keulen bewaard bleef.’

Het bleef stil onder de honderden, toen Van Lennep het monument plechtig overdroeg aan de stad Amsterdam - een stilte die dieper

[p. 113]

werd toen, nadat de burgemeester had bedankt, de minister begon te spreken:

‘Al was het standbeeld tegen veler zin geplaatst buiten de stad, hij hoopte en verwachtte dat binnenkort Amsterdam rondom het monument zou komen te staan,’ en overhandigde tenslotte Van Lennep het commandeurskruis van de Orde van den Nederlandschen Leeuw....

Gejubel brak los op de tribune, onder de toeschouwers. Van Lennep glimlachte, zich zonnend in zijn populariteit.

‘Wie,’ zei Leedebour bij het weggaan tegen Frederik - ‘wie wordt hier gevierd - Vondel of Van Lennep?’

Maar Frederik keek naar zijn meisje. Ze genoot zoo argeloos, zoo onvermengd van het feest. Waarmee ze één was als mooi, heel jong verloofd meisje, met een flatteerenden Parijschen hoed als niemand nog droeg haast - met moeder die zoo'n plezier had - met allemaal aardige menschen die haar complimentjes zeiden, en dat alles bij het heerlijkste weer. Een lang stil leven op den achtergrond viel in deze uren weg. Fransje aan Frederiks arm dacht weer aan Marie Weesburg.

En nòg, zeiden moeder en dochter tegen elkaar, was aan de vreugd geen einde.

Want 's avonds zaten zij weer in den schouwburg bij de Galavoorstelling, die opende met het tafereel: ‘Een dichter in de Bank van Leening.’

Hier voelde Annètje zich even verlegen, want maar heel eenvoudig wist zij zich zitten in haar wit japonnetje tusschen al die zijden toiletten. En zij keek van de vrouwen uit de haute volée met hun diamanten en paarlen, hun zeer wijde crinolines, parures in de hoog optorende coiffures, naar Amélie van Dugten, uitzonderlijke verschijning in haar zeer laag décolleté, die, glimlachend groetend, met haar langen sleep de rijen door laveerde.

Maar Frederiks oogen, gewend aan schitterender schouwspel, lieten verrukt en verliefd Annètjes zuivere hals en schouders niet los, die ontroerend jong en frisch de eenvoudige jurk tot een omlijsting maakten en niets meer dan dat.

‘Je hals en armen zijn mooi - die heb je van mij geërfd,’ had Fransje gezegd.

‘Wat een zonde dat niemand uw prachtigen hals ooit ziet,’ zei Annètje. Maar Fransje lachte. ‘Je vader ziet hem toch?’ En ze knoopte kuisch haar zwart met lila hoog gesloten japon over een vlekkeloos schoon gevormden hals en boezem dicht.

Annètje meegesleept, ging op in de voorstelling. Dat de Bank van Leening Vondels eigen stoel voor de vertooning had afgestaan,

[p. 114]

boeide haar zeer. En ze droomde weg, geschokt: als haar eigen lieve vader die ook zoo knap was, het eens zoo ellendig had als hij oud werd....

Om haar heen ging het publiek, nu aangedaan, dan schaterend, mee met de geregelde wisseling in ernst en luim van Van Lenneps geest.

‘Dit,’ zei Frederik tegen Amélie van Dugten, die voor hem zat, toen de schrijver ten tooneele geroepen dankte voor een luid juichende geestdriftige zaal, ‘vergeef ik Van Lennep nooit. Dat hij om zijn eigen grappen te plaatsen, Vondel heeft gemaakt tot een moppen tappenden ouden grootvader.’

Ik klem me nog aan de tafreelen uit Lucifer, in de hoop dat we dàn eindelijk iets van Vondels geest zullen ervaren.’

‘Rederijkers....’

Maar een ziedend verontwaardigde Amélie, met haar lachenden echtgenoot achter zich, liep de zaal uit na het Slot-Tableau Hulde van Cornelis Loots.

‘Mijn hemel - dat kon in achttien honderd achttien geslikt worden, maar niet meer in onzen tijd!’

Frederik nam Annètje mee. Hij zag uit den droom opschrikkende oogen, en wou voor geen geld haar argeloos genoegen bedorven zien.

 

Oom Pieter drong er op aan, dat Frederik zich deze dagen geheel aan zijn meisje zou wijden - en zoo voeren zij den tweeden feestdag op de met vlaggen versierde boot naar het Muiderslot. De jonge Cloese die een hekel had aan varen, reed met zijn moeder in hun eigen equipage naar Muiden - de Van Dugtens voeren in een groot gezelschap bewimpelde boeiers over het IJ. En in den koelen zonnigen Octobermorgen gleed de groote boot langzaam het breede water op, week de stad met zijn torens en kanteelen weg in den blauwen ochtenddamp.

‘Onze stad,’ zei Frederik trotsch.

Maar Fransje Goldeweijn had zich omgekeerd. Zij zoog in een diep verlangen den zilten, buitenschen geur op van weiden en groen, die over het wijde water aandreef. Zij vulde haar sterke borst met die frischheid, en kreeg een moment het wanhopig besef van een gevangenschap, na dezen dag weer wachtend tusschen steenen muren. Hà! dat heerlijke IJ! Varen als vroeger in een klein bootje, zooals daar dansten al die vroolijk bevlagde dingen op het water. Nog maar eens de deining voelen....

Maar de groote boot sneed snel en lustig de golfjes en voer feestelijk op naar Muiden.

[p. 115]

Annètje staarde vol verlangen. Haast was haar de tijd dat ze toefden om de sluizen binnen te komen, te lang.

Grijs en stoer stak het Muiderslot op tegen den blauwen herfsthemel, waar de witzilveren stapelwolken zeilden voor den wind. Onder het gezelschap wandelaars, waarbij zich nu voegden die waren gekomen in eigen boeiers, of gereden kwamen langs den Muiderstraatweg, en nu langzaam het Muidensche grachtje afdrentelden, pratend en lachend, elkaar groetend en kennis makend, ging Annètje stil van verwachting. Een sprookje ging ze beleven, een oud verhaal, maar een oogenblik keek ze wat verward en ontnuchterd over het met frisch groen geheel versierde binnenplein, waar de nissen waren bedekt met schilden en opschriften uit Vondels werken.

Stil ook blééf ze in de statiezaal, waar onder Vondels borstbeeld het gordijn verschoof, en daar stonden in het costuum van den tijd: Hooft en Tesselschade, Fransesca Duarte en Huygens met Barlaeus... en zongen een lied, door Heinze gecomponeerd - Heinze die zelf accompagneerde als Sweelinck.

‘Van wie zijn de woorden?’ vroeg Frederik.

‘Van Alberdingk Thym.’

‘Hoe vindt je het, Annètje?’ vroeg de jonge Cloese, toen het gezelschap zich verstrooide en nieuwe hoorders werden binnengelaten - zijn jong knap gezicht keek haar opmerkzaam aan.

‘Och ik wou!’ riep ze hartstochtelijk - ‘dat alle menschen wèg waren! En dàn 't slot doorloopen en door de ramen kijken - en denken wat die hier vroeger woonden gezien hebben en gedacht.... Floris de Vijfde toen hij hier gevangen zat, en Vondel.... en....’

Verrast glimlachten Amélie en Van Dugten, en Frederik zei teeder:

‘Ze is een kleine romanticus, dat meisje van mij.’

Maar Annètje kreeg een kleur. De groote strik van haar zeer kleinen Parijschen hoed flapte driftig in den wind - dit was niet 't soort antwoord dat zij gewend was als zij eens een enkelen keer zich uitte over dingen die zij dacht. Niet één die gelijk met haar opdacht - ze glimlachten maar liefjes en goedkeurend....

‘Hebt u 't kunnen zien?’ vroeg Amélie goedhartig, toen zij terugwandelden naar de boot, aan Fransje.

En die zei dapper met haar glimlach: ‘Alles. En dat mooie zingen. Een heerlijke dag.’

----------------

Aan den avond van dien dag toen zij thuis kwamen - na het diner in het Paleis, waar moeder en dochter hadden mee aangezeten, stil verrukt - waar Annètje doodelijk verlegen door den lachenden Van Dugten was in kennis gebracht met Van Lennep, die geïnteres-

[p. 116]

seerd uit de verte soms naar dat allerliefste gezichtje gekeken had - en zij tenslotte uit de lucht gevallen, constateerde dat een beroemde schrijver net praatte als iedere andere gewone meneer - toen was daar eindelijk wonderlijk stil en besloten, maar ook voor hun vermoeide hoofden zoo veilig, gemakkelijk en bekend, na al het gewirwar van vreemde gezichten, een vreemde wereld in licht en zon - het kleine huis, de smalle trap, de achterkamer met de groote Voorbeelden op het donkere behang, waar vader, bleek en mager hen met een zeldzaam verheugd lachje opwachtte - en terwijl hij lag op de zwarte paarden haren canapé wel graag luisterde naar hun verhalen.

Want stil en uitgestorven was het om hem heen geweest deze dagen, en hij had zich eenzaam gevoeld en verlaten.

Fransje, haar oogen buitensporig vermoeid en pijnlijk nu, had meteen haar donkersten bril op gezet, en zat er congestieus rood maar tevreden en blij, niet tobbend over het vele, vele, dat haar zelfs op kleinen afstand was ontgaan. En Annètje, opgebloeid en ontloken ondermenigvuldige openlijke bewondering, scheen een andere. Een bewuste vrouwelijkheid hing als een geur om haar.

De moede man, terwijl hij zich laafde aan die beiden, dacht opeens aan de lange jaren in dit huis, waarin zijn vrouw en zijn kind zoo weinig afleiding genoten hadden. En hij begreep voor 't eerst, dat het gemis van die genoegens, welke hij veracht had, minderwaardig èn ook wel te kostbaar had geoordeeld, een tekort aan levensvreugde moesten hebben beteekend voor hen.

terug  begin  verder