terug  begin  verder
[p. 117]

XVII

HET jaar dreef naar het eind. In November gierde dagenlang een zware noordwesterstorm, die het water in de Zuiderzee hoog dreef en vreezen deed voor de dijken - en de dubbele rij pas geplante kastanjes op de Spuistraat dreigde uit te rukken. Fransje dacht aan Monnikendam - nu zou het water in het oude huis de gang inkomen.... en aan haar raam zat mevrouw Bremer, de gevouwen handen in den schoot, en staarde naar buiten.

Maar begin December dreef de vorst het water terug, en op de grachten reden in 't midden der maand de Amsterdammers schaatsen.

Frederik, die het in die dagen druk kreeg op kantoor, dacht aan trouwen. Hij verlangde in dit nieuwe jaar met Annètje te leven in eigen huis. Oom Pieter had hem mooie voorstellen gedaan, maar nog kwam Frederik er niet toe met zijn meisje te spreken. Want met al haar liefheid scheen zij dikwijls ver van hem weg, nog altijd. Op een concert laatst nog in Felix Meritis, had hij duidelijk gemerkt hoe zij niet luisterde, weggedwaald te droomen zat, met een pijnlijk zoekende uitdrukking in haar gezichtje.

‘Waar denk je zoo aan?’ fluisterde hij soms.

Dan bloosde zij als betrapt en gehinderd, maar antwoordde niet. En hij wist niet dat zij zweeg, wijl zij het te kinderachtige dingen vond om te zeggen tegen hèm. Soms ook zat zij stilletjes bij zichzelf een vers op te zeggen.

Ze waren veel uit geweest. Bij Van Lier had Madame Bulyowski Maria Stuart gespeeld en La dame aux camélias - en de tooneel-liefhebbers hadden ook nu weer vergelijking gemaakt met Seebach en Ristori - een beetje verveeld geconstateerd tenslotte: al die sterren kwamen altijd weer met dezelfde stukken.

[p. 118]

Leedebour mopperde: Wàt nieuwe stukken - als 't spèl maar wat nieuws gaf! En dat deed Bulyowski!

Annètje had het deze maand heel druk; samen met Stance borduurden zij elk voor hun verloofde een sluimerrol. De schalksche Stance borduurde er een klein tafereel op van eigen vinding: twee poezen, een groote en een kleine, voor een vlammend vuurtje.

Annètje, toen ze dit vergeleek met haar eigen braaf bouquetje moest opeens driftig denken waarom zij nooit meer zulke dingen, uitdacht, zooals vroeger met Karel. Eigenlijk was ze een dom, suf kind geworden. Ze zocht troost in den bundel gedichten Bloemen dien ze van Frederik met Sint-Niklaas gekregen had, waar veel in stond wat zij mooi vond: Het Haantje van den Toren, Het Vogelschieten van Staring. Wijs Klaertje op 't ijs. De hoofdige boer.... Zij liet Frederik met iets van verlossing alleen gaan naar het concert van Caecilia; en hij, wel even teleurgesteld, gaf zich, eenmaal in den schouwburg, tevreden over aan de muziek. Hier tenminste geen tafeltjes, geen geloop, maar ongestoord kunnen luisteren naar de Eroïca en de symfonie van Gade Michel Angelo.

----------------

Op oudejaarsavond zaten Frederik en Annètje samen te wachten beneden; tot moeder zou roepen voor het souper. Vreemd beklemd voelde Annètje zich dan altijd even. Je was in huis nooit alleen samen, als verloofden hoorde dat niet. Maar zij dacht dikwijls stil in zichzelf: Waarom eigenlijk niet? Want je praatte dadelijk heel anders als er geen anderen bij waren. En dikwijls overwoog zij met een sneller kloppen van haar hart dat zij Frederik weinig kende, al vertelde ze hem nu langzamerhand wel de kleine gebeurtenissen uit haar leven. Dezen avond voelde zij zich plechtig gestemd. Dit was de eerste oudejaar met Frederik erbij. Andere jaren....

Maar toen ineens nam Frederik haar hand.

‘Annètje, liefste hoor eens - we willen toch niet lang meer wachten??’

Het meisje keek hem aan. Onder haar strak zittend japonlijf, zag hij haar kleinen ronden boezem snel op en neer gaan als in schrik.

‘Zullen we van den zomer een eigen nestje gaan maken, Annètje?’

Hij had haar aan zich getrokken, en in die vaste omarming gaf zij zich plotseling willig, in vertrouwen over. Het roerend vertrouwen, dat toen hij haar lang kuste, uit haar jonge, bange, wijde oogen tot hem sprak.

Boven ging een deur. De geur van gebraad, van bisschop.... en Fransjes vroolijke luide stem die hen riep.

----------------

[p. 119]

Met zijn rustige, blijde energie, nog gewassen sinds zijn verloving. zocht Frederik in den zomer een huis.

Op de Weteringschans vond hij een groot bovenhuis, hoog en vrij, met het uitzicht ver over groene weiden achter de Wetering, en een klein plantsoen voor de deur. De ruime voorkamer had openslaande deuren met balkons. En hij keek in de kleine achterkamer: dat zou de huiskamer zijn, vertrouwd en besloten, uitkijkend op de smalle Lijnbaangracht en de brug naar de Weteringstraat.

Toen hij voor 't eerst Annètje er bracht, was zij verbijsterd.

‘Zoo groot - zoo groot is het!’ zei ze telkens.

Al was het dan maar een bovenhuis, hoe ruim, vergeleken bij hun heel huis op den Voorburgwal. Het wijde uitzicht over niets dan weiland gaf haar, stadskind, gewend aan de engte der hooge huizen in de binnenstad, een gevoel van eenzaamheid. Of ze naar een ander land ging in die vreemde buurt. Maar naarmate zij er in den zomer meer en meer kwam, werd het haar vertrouwd. Het liefst van al toch als iets dat het dichtst bij het bekende stond, de kleine huiskamer die uitkeek op het smalle echt Amsterdamsche grachtje.

Fransjes vriendinnenschaar met wie zij overvloedig de huizen-kwestie behandelde sloeg de handen ineen:

‘Zoo ver weg. Wel een half uur loopen van den Dam! Wie ging daàr wonen!’

----------------

Midden in hun vroolijk samenwerken aan ‘het huis,’ werd Frederik plotseling naar Utrecht geroepen. Ook oom Pieter ging. Tante Sophie bij wie Annètje dien middag een visite maakte, dribbelde onrustig rond, keek hulpeloos het meisje aan, vergat waar zij over aan 't spreken was....

Maar Frederik bij zijn thuiskomst vertelde het Annètje zoo ver-schoonend mogelijk:

‘Er was iets heel ergs gebeurd thuis. Het betrof Adolphine. Zij scheen zich in een verhouding te hebben begeven met den langen Marcel, den huisknecht, dien ze sinds 't vorig jaar hadden. Den kerel was 't natuurlijk alleen om afpersing te doen....

Mama had Marcel meteen weggejaagd en was heel hard uitgevallen tegen Adolphine, die eindelijk was weggehold naar boven. Mama had een flauwte gekregen, maar dat was niet het ergste. Louise, Phine missend, ging ongerust naar boven, en had haar gevonden op zolder. Ze had geprobeerd zich op te hangen, maar 't koord was gebroken, goddank....’

Hij had plotseling gezwegen, want Annètje was zóó doodsbleek

[p. 120]

geworden, ijskoud en bevend.... En in angstig zelfverwijt - hoe teeder en onschuldig was zijn meisje, zoo totaal onwetend van wat er in de wereld te koop was - als hij dacht aan die ongelukkige Phine, zijn zuster toch.... had hij haar gerustgesteld - er wàs niets gebeurd.

‘Adolphine zou een maand of wat naar buiten gaan, ze was totaal overspannen....’

Annètje met wild kloppend hart, en een wee gevoel in haar hoofd, moest denken aan het afgesloten portaal waar zij dien dag plotseling tegenover den langen Marcel had gestaan, en Adolphines scherp ondervragende oogen aan het diner.

Gebèurden er zulke dingen - zulke vreeselijke dingen in de wereld - en waren dàt die trotsche, hoogmoedige meisjes - zoo oud ook al - misschien dertig jaar - hoe kòn zoo iets....

 

Een week later bracht Frederik samen met tante Sophie Adolphine naar het afgelegen dorp op de Veluwe, waar zij bij den dominee eenige maanden zou verblijven.

Een stuk menschelijke ellende, had zij gezeten eerst in den trein, later in het rijtuig.... en op tante Sophie's lieve bekommerde zorg geen woord geuit. In de pastorie vluchtte ze meteen naar haar kamer. Maar toen ze die wilde sluiten was er géén sleutel geweest....

Beneden had vooral de domineesche gepraat. Zij kregen hier dikwijls dergelijke gevallen - dat zij kieschheidshalve niet vermeed dit zoo te noemen ergerde tante Sophie hoogelijk - zij werden hier gauw rustig. Ze moest meewerken in de huishouding - ook in den tuin - werken was het beste geneesmiddel.

Tante Sophie, beklemd de harde stem onderbrekend, bedacht opeens dat zij in de pastorie nergens een dienstbode had gezien. En zij keek recht in de grijze oogen, die in den zalvenden glimlach zich niet verzachtten.

‘U zult toch vooral in de eerste plaats wel bedenken dat juffrouw Craets patiënte is?’

‘Natuurlijk. Daarom trachten we juist te genezen, nietwaar?’

‘Ja maar,’ tante Sophie stokte, ‘werken is goed, maar ze heeft vooral liefde noodig.’

‘Aan liefde heeft het ons nooit ontbroken,’ zei de domineesche hoog. Haar glimlach wees terecht. ‘Dit huis is een huis van liefde - maar ook van genezing naar Gods gebod.’

Boven aan Adolphines bed had tante Sophie daarna gezeten, terwijl Frederik beneden het zakelijke regelde - haar goede moederlijke hand streelend over het piekige in de kussens gedoken hoofd.

‘Kind - Phientje - als je 't hier naar vindt, haal ik je terug....’

[p. 121]

Maar met een kreet als van bezeerd dier had Adolphine haar hoofd weggetrokken en zich naar den muur gewend.

In den trein zweeg tante Sophie bekommerd. Zij moest denken aan vroeger, toen de twee oudste kinderen bij haar logeerden - hoe het kleine leelijke Phientje, thuis altijd achtergeschoven bij het mooie zusje, hongerig zich kon laten vertroetelen. En de verontwaardiging tegen haar schoonzuster liep hoog. ‘Een moeder, die geen moeder was, en toch maar vier kinderen gekregen had!’ dacht Sophie Craets in opstand.

‘Met liefde zou zij de stumper bij zich genomen hebben.’ Zij was er expres voor naar Utrecht gereisd om Adolphines moeder over te halen. Maar die, zich driftig opwindend, huilend in zelfbeklag, had geweigerd.

‘Dat iedereen in Amsterdam de schande, die haar dochter over de familie bracht, zou weten zeker! Zoo ver mogelijk weg, en dadelijk - onder vreemden die haar hard aanpakten....’

Tegen Pieter, haar man, had ze haar verontwaardiging geuit, toen ze warm en ontdaan van de reis weer thuis kwam. Die had nuchter en practisch zijn hoofd geschud.

‘Eveline is een beest van liefdeloosheid, dat weet je nu eenmaal. Maar ik vraag je, waar wou jij hier dat wurm laten als 't geboren wordt. Je wou toch niet zeggen, dat het ons als Sarah en Abraham door den engel was aangekondigd?’

‘Ik zou.... er wat op vinden,’ zei tante Sophie dapper. ‘Ik zou haar helpen voor haar kind te zorgen.’

‘Dat gaat niet, vrouw. We moeten toch altijd nog hopen dat 't arme schepsel eens trouwt....’

Aan dat alles dacht tante Sophie in den trein tegenover den vrien-delijken vroolijken wereldschen Frederik gezeten, die vervuld van zijn eigen toekomst dit alleen als een lastige hindernis in zijn gedachten onderging.

‘Wàt was er van de anderen geworden - wat scheelde er aan Louise - een schoonheid eens, ook niet getrouwd. Driemaal verloofd - en alle drie keeren het engagement zonder plausibele reden door haar afgemaakt. Het was lang een praatje geweest in Utrecht....’

terug  begin  verder