terug  begin  verder
[p. 136]

II

EEN diepe, gelukkige trots vervulde Frederik Craets; en een nieuwe eerbiedige teederheid voor Annètje, zijn vrouw, teekende dezen tijd in een bizonder licht. Ook hun verhouding, want Annètje was lang niet makkelijk. Vooral trad nu sterk naar voren wat hij niet zóó had leeren kennen, omdat zij het half onbewust tot nog toe voor hem verborgen had: haar gehechtheid aan thuis en al wat daarmee samen hing, en waarnaar zij in de volgende maanden een voortdurend, haast ziekelijk verlangen toonde.

Zij was ook onredelijk prikkelbaar. Op een avond dat hij zijn blijdschap uitte:

‘Volgenden winter zijn we met ons drieën!’ schoot het bloed naar haar gezicht, dat vermagerd en vaal zijn gansche charme verloren had; een knorrigheid vertoonde, die hem soms het gevoel gaf tegenover een vreemde te staan.

‘'t Schijnt je lang gevallen te zijn met mij alleen.’

Hij zweeg verstomd. Hij was niet zóó jong meer, maar tegenover dezen toestand volslagen onervaren. En de kattige onbevallige vrouw waarin zijn Annètje op verbijsterende wijze zich veranderd had, kende hij niet in haar uitingen, noch voorzag haar geprikkeldheden. Maar tegelijk constateerde hij één ding met verwondering en aandoening: hij die zoo critisch, zoo onbarmhartig vrouwen beoordeelen kon en verwerpen, hij hield zelfs dit niet gekende, vreemde Annètje vast met de diepe liefde die zij nu eenmaal in hem gewekt had. En haar uitval bracht hem met een lach naar haar toe.

‘Ben je jaloersch?’

Zij lachte niet terug. Zij streek alleen peinzend heen en weer door zijn haar, en verstoorde tot zijn schrik onachtzaam voor den heelen dag zijn kuif.

[p. 137]

‘Misschien.... was zij jaloersch,’ dacht ze, maar zei het niet. Te veel had haar besef van nacht over hem haar slapende heerschzucht gestreeld - en in dezen tijd kon ze heelemaal niet verdragen, dat haar iets van deze macht ontging.

Zij was gezond, en Frederik troonde haar voor afleiding soms mee naar de komedie - bij Tivoli in de Nes speelden voor 't eerst de Bouwmeesters te zamen een vroolijk Vaudeville: Louis, Fritz en mevrouw Frenkel.

Naar huis liep zij, in een heimwee, een jacht. Proevend als een weldaad de oude gracht, de boomen over het water, de ongelijke keien, het huis van de Bremers, de eigen stoep. Leentje deed open, vriendelijk en blij de jonge mevrouw te zien komen, en zij ging de donkere trap op met een plotseling gevoel van rust.

In de achterkamer, waar haar vader na zijn spreekuur een poos rustte vóór hij uitreed - zat zij stil aan de tafel, terwijl hij lag op de zwarte canapé onder de groote Voorbeelden. Onder zijn ervaren oog, dat opmerkzaam op haar rustte, werd zij kalm. Want zij was bang, zooals zij altijd bang was voor alles wat zij niet kende.

Fransje, die al een week weer in donker zat met compressen en kommetjes voor het nu ontstoken gezonde oogen, zei gedwee:

‘Dat maakt iedere vrouw immers door.’

‘Maar ik ben bang, moeder!’ riep Annètje.

‘Vader is er toch om je te helpen.’

Tranen schoten in Annètjes oogen. Hoe lief had ze vader en moeder! Waarom ging je bij ze vandaan. En zonder overgang vroeg ze:

‘Is u nog wel eens bij juffrouw De Roos geweest?’

‘Ja eenmaal. Ze vroeg naar je en ik moest je de groeten doen. Karel heb ik niet gesproken. De winkel schijnt wel te gaan.’

Annètje zat maar stil uit te kijken aan het raam over den Voorburgwal. Ze verlangde pijndoend hevig naar die achterkamer met de ronde tafel waar zij gezeten had met Karel en zijn moeder. Maar Karel had niet meer naar haar gevraagd. Met Karel had ze niets meer te maken.

Ze had kunnen schreien van zelfbeklag, toorn, verlangen....

‘Moet je niet naar huis?’ waarschuwde plotseling Fransje.

Annètje stond op, met haar zwaar figuur leunde ze tegen de tafel. Haar moeder, de compres van haar oog lichtend, keek haar oplettend aan.

‘Je moet niet zoo laat nog zoo'n eind alleen gaan loopen. Ik kan je niet brengen. Zal ik je Leentje meegeven?’

[p. 138]

Maar Annètje zei neen. Wat kon haar gebeuren. En zij ging in een vreemde onverschilligheid.

Het was al haast donker toen zij thuis kwam. Zij kleedde zich uit, ging meteen aan de tafel zitten naaien aan een wiegelakentje. In een rustelooze hardnekkige bedrijvigheid.

terug  begin  verder