IN het breede, lage huis op de Nieuwe Gracht in Utrecht waren de groene stores gesloten, en in de schemerige kamer zaten de meisjes Craets met Frederik, oom Pieter en tante Sophie.
Den vorigen avond was mevrouw Craets plotseling overleden - het bericht had Frederik eerst dezen morgen bereikt. Annètje kon niet meekomen, ze voelde zich niet wel de laatste dagen; en ongerust om haar ging Frederik van huis.
Hij had veel van zijn moeder gehouden, de eenige naar wien haar belangstelling en liefde gegaan waren. Hoe zwaar haar rustelooze, mondaine leven en daarna haar alle aandacht opeischende ziekte gerust had op zijn thuisgebleven zusters, daarvan had hij zich nooit eenige rekenschap gegeven.
Oom Pieter huichelde niet. Hij zat er, rood opgeloopen in zijn gezicht, snuivend door zijn grooten krommen neus, en regelde alles. En bedacht onderwijl, hij kon er niets aan doen of 't niet christelijk was, wat een kreng van een wijf zijn schoonzuster was geweest voor zijn broer en voor die stumperds van kinderen.... Enfin de laatste jaren had ze zelf haar plezier opgekund.
Hij keek eens naar zijn nichten, snoof en blies. Louise in haar vervlogen donkere schoonheid zat er naast Adolphine, zoo straks thuisgekomen. Louise had haar met tranen omhelsd. Ze verlangde naar Phine, haar zuster, om wie ze eens een schrik had gehad, dien ze nooit meer vergeten kon. En zij beloofde zich, in de moederlijkheid die voor Frederik en de zusjes altijd had willen zorgen: nooit zou er meer iets gebeuren met hen. Zij zou oppassen en waken - dat was nu haar taak.
Maar hoe wonderlijk was Phine teruggekomen. Verschrompeld leek ze in een buitengewone magerte, met een schuwheid in haar
oogen, die even opgeslagen onder de naakte leden, meteen iederen blik van anderen ontweken. Was dàt Phine, die zoo begeerig op alle vermaak, luidruchtig losschoot altijd, dadelijk geremd moest worden - die hier geraasd en getierd had dien vreeselijken morgen in verwijten en klachten - die daar nu zat, onverschillig starend, huiverend, de ruw en rood geworden handen in haar schoot.
Louise keek naar die handen.
‘Phine, wat is er met je handen?’
De zuster keek erop neer. Gesprongen waren ze - de nagels gekloofd.
‘'t Was zoo koud 's morgens buiten in de vroegte - en in 't water.’
‘Moest jij.... water sjouwen en werken??’
Adolphine antwoordde niet - haar doffe oogen keken voor zich. Wat haar aan vernedering, bezeerdheid, onbegrepenheid, beleedigingen die lange maanden had afgekweld tot het stompzinnig angstige wezen dat hier teruggekeerd was, zou niemand weten. Zij sprak er niet van. Slechts zwierven haar schichtige oogen de kamers van het eigen huis door - zoekend, vreesachtig. Maar in de eetkamer had naast het buffet gestaan een keurig, blond dienstmeisje - een dat ze niet kende. En Adolphine had begrepen in vernedering en schaamte: er kwam géén knecht meer in huis.
Adolphine Craets boog diep het hoofd. In haar dofgeslagen geest, waarin de bijbelteksten onbarmhartig straffend waren neergehageld - in haar verkommerd, verwaarloosd, verzwakt lichaam, tot dienstbodenwerk gedoemd geworden als boete - was de levenskracht gebroken. Haar moeders dood beteekende voor haar geen leed, slechts bestond daar die eene herinnering aan de doode: beleedigende schimp, zonder eenigen troost van liefde. Ze wist maar één ding: Louises bescherming, die ze gevoeld had in haar omhelzing.... Als ze maar thuis mocht blijven - ze maakte zich van kant als zij terug moest. Ze zou nu wel zorgen dat het lukte....
Na de begrafenis sprak Louise ernstig met oom Pieter, tante Sophie en Frederik. ‘Zij wilde Adolphine thuishouden. Zij wist, Phine had 't daar niet goed - hoe vreeselijk zag zij eruit. Zijzelf zou voor haar zuster zorgen.
En dan.... zij wilde weg uit Utrecht. Zij wilde in Amsterdam gaan wonen, waar Frederik zou zijn en oom en tante....’
Zij knikten.... waardeerend, begrijpend. Alleen, zou het Louise niet zwaar vallen weg te gaan hier, waar zij al haar kennissen had...?
Louise, stroef, teruggetrokken, zei neen. Voor Phine ook was het beter.
Zij zat er groot, recht - een schoonheid in haar bloei geknakt, ontijdig verwelkend. Zwaar lag het gitzwarte haar boven het schoone voorhoofd, de groote, zwarte, tragische oogen.
Naar Annètje had zij slechts vluchtig gevraagd.
Dien avond, nadat oom Pieter en Frederik waren vertrokken - slechts tante Sophie was nog gebleven in een hartelijke bezorgdheid om de vereenzaamde meisjes - liep Louise Craets alleen door de lange gang op en neer. Zoo had zij dikwijls avonden geloopen sinds Adolphine weg was, als haar moeder en Carolientje sliepen.
Zij ging nu een nieuw thuis stichten voor haar zusters, waarin zij Adolphine veilig bergen kon. Voor Frederik en zijn kinderen zou het altijd open tafel zijn daar - royaal en keurig.
Zij strekte de armen achter haar rug - een eigen huis, zij het hoofd. Er lichtte een verschiet over donkere, hopelooze, gebonden jaren.
‘En Frederik zal ik ook weer hebben. Frederik onze jongen.’
Ze duwde terug met geweld het Utrechtsche leven. Haar kinderjaren die goed geweest waren - zij was een mooi kind. Maar dan de verschrikkelijke, de gesloten zwijgende jaren met dat ontzettende in zich dat zij niemand kon vertrouwen. Driemaal de feestelijkheid van een verloving, een verliefde jonge man - familie, bloemen, visites - en na een week al het weten, de wurgende angst in haar keel: dat zij niet kòn. Dat de afkeer, de vrees voor den man te groot waren. Want je hieldt niet van hem. Je wou wel trouwen, een gezin hebben, als je maar van den man hadt kunnen houden! Maar het ging niet, je griezelde van zijn zoen....
En nooit ergens een mensch, aan wie je dit verkeerde, onnatuurlijke uit kon leggen. Er was immers nergens een meisje, die dit ook zoo voelde. Je moeder kon je 't niet zeggen, o die eerst recht nooit - maar ook goede tante Sophie niet.
Den laatsten keer: het wéten wat het geven zou, als zij, na opnieuw beproefd hebben, wéér niet verder kon. De hoop, dat zij toch aan dézen jongen wel wennen zou, van hem leeren houden. En weer niet. Op een morgen het gevoel of zij desnoods in 't water springen moest om uit dezen afschuw te geraken.
De woede, de smaad; het gefluister; 't gelach achter haar rug. Het liedje dat ze op haar gemaakt hadden. Nòg, als zij ineens ergens zingen hoorde, kreeg ze een schok dat het dàt zou zijn.
Toen Adolphine.
Phine, meegesleurd, zich overgevend zonder uitverkiezing aan dat-
gene waarvoor zij in afschuw terugdeinsde.... Phine, haar zuster toch.... Nu was er nog Carolientje. Zij zou zorgen, nauwlettend, dat de ellende van hen beiden die niet raakte. Carolientje moest een gelukkige vrouw worden. Dat zou hùn zon zijn.
Tante Sophie, verontrust door de lang brandende kaars op de trap boog zich - grotesk in haar witte nachtjapon - over de leuning; zag Louise, groot, marmerbleek leunen tegen den muur - de armen achter haar rug gestrekt, onbewegelijk starend.