terug  begin  verder
[p. 146]

V

IJS lag in de grachten. Januari-nachten van felle koude. De ruiten bleven den ganschen dag bevroren, de straten leeggestoven onder den snerpenden oostenwind. Hel beierden in de ijle vrieslucht de klokken van de torens. In den ochtend een groote roode zon, traag rijzend over de bruggen in den neveligen hemel - en al vroeg de baanvegers werkend aan een mooie baan op de grachten.

Stil lagen de schuiten in 't ijs. Een scheur, hier en daar weer dichtgevroren, kleurde donker in het wittige grijs. En juichend glipten de kinderen het trapje af, zochten achter stoelen en sleedjes hun weg op onbeholpen schaatsenbeenen. Maar ook zwierden jonge kerels met lange slagen, de bruggen onderdoor; heldere vroolijke oogen op naar de grachthuizen, waar de wit gemutste dienstmeisjes draalden aan de deur.

Fransje Goldeweijn tròk het de stad in. Zij dacht popelend aan de groote harddraverij met paard en arreslee, die te Wormerveer was aangekondigd.... ach ze had erheen willen vliegen om dat nog eens te zien! Maar zij ging een keer met Annètje en Frederik naar de Berebijt om van het wintergezicht op den Amstel te genieten. Goldeweijn, hoewel het Zondag was, wilde niet mee. Hij was deze laatste weken zóó stil dat het Fransje beklemde, zij 's middags het huis ontvluchtte, om, haar pijnlijk oog dichtgeknepen voor het schelle zonlicht, naar het schaatsenrijden te kijken. En ook belandde zij weer in de Kalverstraat in Diligentia - een beetje bang, dat zij Frederik tegen zou komen - waar Patek was met zijn gedresseerde honden; en haalde haar hart op aan al die lieve beesten: Schnapsl die op de lei beweegbare letters spelde, Mylord die sommen rekende zonder fout, en Lydia de kleine witte krulpoedel die op haar pianotje speelde.

[p. 147]

Naar huis loopend, struikelend soms doordat zij slecht oplette, dacht zij hoe graag zij een hond gehad had nu Annètje getrouwd was. Maar Goldeweijn hield niet van honden. 't Was zoo stil in huis, zoo stil, met een man die nooit sprak. Als kleine Francientje grooter werd, zou zij niet meer overal zoo armoedig alleen zitten. Want Annètje had het druk. Haar dochtertje verzorgen, haar huishouden - en dan nam Frederik haar mee naar al wat de moeite waard was op kunstgebied. Ook hadden ze een uitgebreide conversatie gekregen.

Zij zagen bij Van Lier Louise Wolff Catherine Howard spelen. De mooie vrouw met haar zingende stem - wonderlijk mengsel van natuur en kunst noemde Jacob Leedebour het - boeide en roerde Annètje zeer.

Maar in Odéon waar Cremer zijn Pauweveerke voordroeg, genoten zij en haar moeder nog meer, kinderlijk meegesleept in het sentimenteel verhaal.

Moeder zag zij veel, maar aan haar vader dàcht Annètje het meest. Dikwijls als zij uit geweest was, vond zij hem thuis in den leunstoel zitten: soms ook kwam hij, even staande naar zijn kleinkind kijken. Hij keek met zijn oplettende ernstige oogen in de wieg, gaf zijn dochter een zoen en was weer weg.

Een enkelen keer ook praatte hij een oogenblik bij haar als vroeger, over wat hem na aan 't hart lag.

Het adres der professoren van het Athenaeum over het al of niet Hooger Onderwijs aan de Amsterdamsche geneeskundige school.... En het Binnengasthuis zou vergroot - zij willen er het Oudezijdsheerenlogement en de Teekenacademie bijtrekken - 't is hóóg noodig.

Annètje keek naar hem. Hoe vermagerd was hij den laatsten tijd.

‘Is u moe?’ vroeg ze eens.

‘Neen. Ik heb nog veel te doen. Ik ben bij je schoonzuster Louise geweest. Die is in haar vigelante van de Doelenbrug op het Schapenplein tegen een andere opgebotst. Ze heeft haar pols verstuikt en is woedend over het toenemende drukke verkeer.... Wat denkt Leedebour - die is immers net in Parijs geweest - dat er in Frankrijk zal gebeuren?’

‘Hij zegt dat de keizer heel impopulair is....’

‘Ja, dat schijnt zoo. Wat lees je daar? O een modeblad. Gelukkig. Ik vreesde dat je ook al ingeteekend was op een van die nieuwerwetsche bladen: Onze Roeping van die juffrouw Perk - en Ons Streven, gewijd aan de ontwikkeling der vrouw. Kost voor Annebet Kooistra. De nonsens. Vrouwen die zich ontwikkelen willen, kunnen mannentijdschriften lezen.’

[p. 148]

‘Maar dat is altijd zoo moeielijk en zoo vervelend....’

‘Ja. Kijk jij maar liever naar je kindje en wees een lieve vrouw voor je man.’

‘En géén lief dochtertje meer?’

Zijn lange gestalte bukte zich - hij kuste haar ontroerd. Hij miste haar zoo in huis, maar dat zei hij nooit. Hij vond het egoïst en onverstandig van zichzelf en schaamde er zich voor.

‘Wat heb ik toch gehoord; is er bij Van Lier een vrouw die mannenrollen speelt?!’

Frederik kwam juist binnen met Van Dugten. Hij lachte om zijn schoonvaders toon.

‘Dag papa. Ja, Vestvali is een phenomeen. Zij speelt Petrucchio in de Getemde Feeks zóó, dat je totaal vergeet een vrouw te zien. Ze is groot en forsch en heeft een diepe zware stem. En haar actie is geweldig - ook als Romeo. Alleen, 't zit je tegen je keel, dat een vrouw zooiets wil.’

‘Een manwijf.’

‘Het wijf kunt u er wel aflaten,’ lachte Van Dugten - ‘daar is niets van over. Want 't gekke is, dat ze in de Braut van Messina de vrouwenrol speelt, en daar weinig van terecht brengt. Ik moest den heelen avond denken aan 't woord van Gavarini: ‘Malheureuse qu'astu fait de ton sexe!’

‘Enfin - koren op den molen van de tegenstanders der middelbare scholen voor meisjes! In Amsterdam is 't afgestemd - in Haarlem en Arnhem is 't gelukt. Nu zie je eens, zeggen ze, wat de gevolgen zijn van emancipatie! Vrouwen die in mannenkleeren loopen. Toenemend zedenbederf!’

Goldeweijn lachte niet. Hij wist niet of hij Van Dugten en al die uitgaande menschen wel goed gezelschap vond voor Annètje. Zijn gezicht stond streng toen hij afscheid nam, en zij voelde zich klein en bedeesd als toen zij thuis, een kind nog, aan de tafel zat en naar zijn oogen keek.

‘Niet van die overdrevenheid,’ zei hij, haar zacht terugduwend toen zij met hem mee de trap wou afloopen.

Op straat week hij nauwelijks op tijd uit voor een handkar. 't Was waar, hij had er Louise Craets om uitgelachen, maar 't verkeer werd ontzettend druk. Geen dag ging voorbij of er kwam iemand onder een kar of een rijtuig. Een vrouw gleed schuw langs hem heen bij den hoek van de Leidsche straat. Een glijdende coquette gang, die niet geheel zich verloor onder den wijden sjofelen mantel.

Hij zag haar niet, liep zonder aandacht voorbij. De vrouw, haar klein donker gezicht in het lantaarnlicht dieper buigend, glimlachte

[p. 149]

bitter. Zij zag een kamer vol vrienden, lamplicht glansde over niets dan vroolijke gezichten die genegen en belangstellend zich naar haar keerden - een tafel overvloedig gedekt, en haar handen voelden liefkoozend een zijden japon.... Marie Weesburg beet zich op de lippen - tranen van toorn en verdriet stonden in haar oogen. ‘Die man, die zoo lang en zoo groot haar haast omverliep - haar niet zàg meer, evenmin als zijn domme plompe vrouw, zijn verwaande dochter. Die Goldeweijns!’

Neen, wat zij nu moest doen om in 't leven te blijven, daar wilden zulke deugdzamen niet van weten. Albert wist het niet eens. Van 't werk dat juffrouw Perk haar gaf leefde zij, dacht hij - van Arbeid Adelt. Maar daar kon zij niets van overleggen tegen den tijd dat hij vrij kwam. Gelukkig had ze haar buitenhuisje op het Schapenburgerpad kunnen behouden.

Eerst had zij het verhuurd, was er nu zelf in getrokken, gaf er onder stipt stilzwijgen gelegenheid tot geheime kraamuitligging. Dat werd heel ruim betaald. Zij had op 't oogenblik een meisje uit een van de eerste Arnhemsche kringen, de familie was alles gelegen aan geheimhouding èn goede verzorging. Hier buiten de stad bleef het veilig bewaard....

Zij wou dat zij Goldeweijn niet gezien had - de oude gelukkige tijd was er mee opgerakeld en zij moest dat allemaal vergeten.

Maar toen zij den donkeren weg afliep buiten de Leidsche Barrière, kwam haar onverdringbaar Annètje voor den geest. Hoe gelukkig het kind was, als zij daar mocht komen spelen in den tuin en haar 's avonds zoo innig bedankte.

Annètje, van wie zij zoo dikwijls gedacht had: als 't mijn kind was..

 

Sneeuw kleefde tegen de vensters, toen op een morgen Willems, de kruier van de Oudebrugsteeg, onder aan de trap stond bij de jonge Craetsen, met een briefje in de hand, zijn goedig rood gezicht bekommerd geheven.

Annètje, die het Keetje uit de hand nam, las in de groote onbeholpen letters van haar moeder, dat vader dien nacht een bloedspuwing had gehad. Dokter Bergema was er geweest, die vond geen direct gevaar.

Annètje gaf een gil. Voor het eerst van haar jong leven dreigde de dood in haar kring. Zij holde de hooge trap af naar Willems, dien zij voelde een stuk van thuis. Willems die haar al van kinderpartijtjes haalde, en aan Keetje stond te verhalen dat hij de jonge mevrouw zóó klein had gekend....

Zijn goed, drankneuzig, blauwrood gezicht schudde bezorgd heen

[p. 150]

en weer bij haar jachtig uitvragen: hoe laat 't was gebeurd - of hij mevrouw gesproken had - hoe 't nu was....

Hij moest maar neen schudden. ‘Leentje had 't briefje gebracht en gezeid dat 't niet goed was met uws pa.’

Annètje, hem toeroepend een vigilante te halen, was de trappen al weer opgehold, riep Keetje voor 't kind te zorgen, kleedde zich met mistastende, bevende, koude handen; stuurde Willems opnieuw uit naar Frederiks kantoor - en reed naar den Voorburgwal in doodsangst.

Toen zij 't huis zag, voelde zij opeens dat ze zacht reden. En uitkijkend zag zij wat haar hart deed krimpen:

Er lag zand gestrooid.

‘Is 't zóó erg?’ snikte ze tegen Leentje, wijzend naar de straat, Maar het meisje zei: ‘'t Was een attentie van een patiënt - maar meneer was er kwaad om, vond het mal en onnoodig.’

En dit nuchtere, zoo kenschetsend voor haar vader, bracht Annètje plots tot kalmte. Op het portaal bij de trap stond haar moeder, ongewoon rustig en ernstig, die haar zwijgend omhelsde, meenam naar de voorkamer.

‘Vader gaf al meer bloed op, maar ik mocht het je niet zeggen, Vannacht riep hij mij, en toen ik de kaars opstak, zag ik.... hij lag bijna flauw....’

‘Oh,’ jammerde Annètje bijna luid.

Maar een zwakke stem riep uit de andere kamer, en Fransje zich stootend tegen de openstaande deur, liep erheen.

Goldeweijn, grauwbleek, lag als een doode in de kussens. Alleen zijn groote holle oogen leefden. Annètje kuste zijn handen, hield ze tusschen de hare; handen, klam en zwak, die zooveel hadden geholpen en gered, zacht en behendig in onvermoeide nauwgezette zorg, welke haar nu het diepst troffen in hun slappe moede overgegeven roerloosheid.

Hij keek haar oplettend aan.

‘Ik hoorde een rijtuig - ben je komen rijden?’

‘Ja,’ zei ze beschaamd voor zijn ongenoegen.

‘Malligheid,’ hijgde hij met een frons. ‘'t Kwam er toch op een uur niet op aan. Jonge menschen moeten niet zoo royaal zijn.’

Annètje was gaan zitten, streelde zijn wang. Hij lag haar aan te kijken.

‘Francientje?’

‘Zal ik haar brengen?’

‘Neen. Ze mocht bang voor me zijn. Later, als ik weer muggen voor haar knippen kan.’

----------------

[p. 151]

Het duurde weken. Maar op een Zondag toen Annètje met Frederik kwam, zag zij haar vader voor het raam zitten in de zon, en naar hen knikken met een matten glimlach.

En nog een week later zat kleine Fransje op zijn knie, en blies de papieren muggen die hij knipte, langs het raam. Maar als zij weg waren, zakte hij moe en vaal in zijn stoel weg, en staarde met holle oogen in 't spion hen na langs den Voorburgwal.

Vader, moeder en kind.

Zoo was 't bij hem ook geweest en nu zat hij hier. Uit te kijken.

Naar den kuiper aan den overkant keek hij afgunstig - hij luisterde naar het rusteloos hameren van den smid - keek hoe een kerel een schuit voortboomde door de gracht. Aan den verren overkant werd geheid - hij hoorde het neerdreunen van het zware blok op den paal, en den zang van den heibaas:

‘Haal op! - Los. Haal op! - Los.’

Voor 't eerst zag hij de engte der kleine voorkamer; en hij zuchtte:

‘Wanneer zal ik mijn werk weer kunnen doen. Als ik maar eerst weer uit kan.’

Dan begon Fransje hulpeloos te schreien.

‘Ach Sytse, ze willen het toch niet dat je weer aan 't werk gaat! Denk toch eens om mij!’

De schaduw van een lach was om zijn mond. Zijn heele leven had hij gezwoegd met de angstige gedachte: ‘Frans die zóóveel geld aan kon, moest als hij dood was onbezorgd achterblijven. Niet van de kinderen afhankelijk. Eerder kon hij niet rusten.’

Hij wist dat zijn lot beslist was.

Zijn nuchtere verstandelijke natuur, die van diepe vreugden noch groote smarten geweten had, slechts in onwrikbaar plichtsbesef had gestreden met een onbewusten heldenmoed tegen een voortdurend lijdend lichaam, gaf zich thans berustend aan het onafwendbare over. In de groote levensgebeurtenissen voelde hij God. Het was Gods wil, daar had hij zich bij neer te leggen. Alleen - werken zou hij zoolang hij vermocht. Er was één ding dat hem het heengaan moeielijk maakte: het kind van zijn kind. In het kleine Francientje zag hij, ziek en op het punt van het leven te scheiden, voor het eerst het volle wonder van dat leven opengaan. Hij zag in zijn kleinkind honderd dingen, die hij bij zijn eigen Annètje nooit had opgemerkt - die hij nù wist. Achteloos was hij er langs gegaan, verslonden in zijn werk. En in de uren dat hij zat, werkeloos en opzij geschoven - voor 't eerst zijn praktijk door een ander waargenomen - in het kleine huis dat zijn trots was geweest, kwam het besef tot hem hoe hier zijn eigen kind zich

[p. 152]

stap voor stap ontwikkeld had, en hoe weinig hij ervan had gezien.

In de lange uren, waarin langzaam de dag verkleurde langs de stille gracht, ging hij de jaren terug, trachtte hij pijnlijk nauwgezet zich te herinneren. Hij zag een avond toen Annètje naar een partijtje ging in een witte jurk. Met rose bouquetjes. Vol onschuldigen trots kwam zij hem goedendag zeggen - en hoe zij draalde en hoopte, dat hij iets merken zou van haar mooie jurk. En hij hàd eindelijk iets gezegd, maar haastig, afgetrokken, omdat zijn gedachten en zorgen waren bij een patiënt. Hij zag haar een ander maal bijna in tranen bedeesd wegsluipen, omdat hij haar beknord had, dat zij de nieuwe verf in de gang met haar hoepel beschadigde. Hij zag haar als klein kind altijd stil alleen spelen, terwijl hij zijn vrijen tijd gebruikte voor zijn liefhebberijen.

Hij had nooit vermoed, hij die altijd bij zieken was gekomen, hoe erg ziekte kon zijn voor je gedachten. Wat hadden diè menschen uitgeworsteld terwijl ze daar lagen en het hem ook niet zeiden.

Hoe dat hem kwelde en niet losliet meer! Of alles in zijn leven mis was geweest en verkeerd. Het leek hem nu zoo vreemd, dat hij al die jaren zonder bijgedachten in het leven had meegeloopen - in die staag en tegenwoordig zoo snel veranderende wereld.

Het eerste nummer van een nieuw opgericht blad ‘Het Nieuws van den Dag’ lag onder zijn handen. Hij las hoe in Parijs de republikeinen in hun club Napoleon tot levenslange tuchthuisstraf veroordeelden. ‘A bas le tyran, vive la république!’ Weer een revolutie? Maar er was niets dan revolutie in de wereld. Ook goede. Hij zag alles met een wijden, ruimen, liefderijken blik. Dat de doodstraf hier zou worden afgeschaft was noodig en goed. Na de vergissing van het Haagsche gerechtshof, dat een kind van vijftien jaar ter dood veroordeelde - 't kind had gezegd dat ze twee-en-twintig was en papieren waren niet ingezien - al wàs de straf niet voltrokken, het werd een wapen in de handen der voorstanders van de afschaffing.

Hij las Listers mededeeling over wondbehandeling, en hoe Prof. Langenbeck, de militaire chirurg bij uitnemendheid, betoogd had in zijn kliniek nauwelijks meer één wond zonder carbolzuur te laten, en het sedert vijftien jaar toegepaste warm waterbad te doen vervallen. En de weemoed kwam in hem, dat de nieuwe tijd met honderd nieuwe mogelijkheden van genezing op 't punt stond te komen, en dat hij er geen deel meer aan hebben mocht.

Als hij zoo lang zat te staren, kwam Fransje hem soms op haar voortvarende manier aan boord.

‘Sytse, heb je wat? Mij kan je toch wel zeggen, wat je hindert?’

Hij schudde het hoofd, nam haar groote warme hand tusschen zijn fijne gevoelige koude vingers en streelde die. Dan trilde haar mond,

[p. 153]

en ze boog zich - altijd wat onhandig in liefkoozingen - voorzichtig over hem en gaf hem een kus.

Soms kwam uit het burenhuis mevrouw Bremer bij hem. Samen zaten zij, zonder veel te zeggen, de zware vrouw in den rouw en de stille zieke man. Beiden in 't leven opzij gezet.

En eenmaal ook kwam Karel De Roos langs. Hij keek naar boven, onwillekeurig - en als betrapt kleurde hij en bleef staan toen hij de bleeke figuur van den dokter voor het raam zag.

Die knikte tegen hem, en wuifde mat met zijn lange witte hand. En de jonge man wuifde haastig terug, miste den moed binnen te gaan en te vragen.

‘Het was ook onnoodig,’ dacht hij al voortloopend. ‘Waarvoor nog! Wat had hij nog bij die menschen te maken. Dat lag achter hem. Hij zag tegenwoordig de wereld met heel andere oogen aan.’

Den laatsten tijd was hij gaan lezen, boeken waarvan hij 't bestaan niet vermoed had. Had hij gelezen van Maurice Social Morality en François Huets Le règne social du Christianisme. Hij las de verzen van Victor Hugo: Joyeuse vie, en van Pierre Dupont: Le Chant des Ouvriers. Hij las van Eugène Sue: Mystères de Paris en Van Esquras Les vierges folles, Les vierges sages, Les vierges Martyres. Hij las van Béranger Jeanne la Rousse - Les Fous....

Maar de vrouwen, de vroùwen in Frankrijk, hemel, dat waren andere dan de lieve meisjes hier, de brave mama's. Of schrijfsters als mevrouw Bosboom Toussaint. George Sand, hoe die de Socialisten begreep en steunde. En Daniël Stern, Liszt's geliefde. Pauline Roland - voor die voelde hij een hartstochtelijke bewondering. Zij, de intellectueele, getransporteerd naar Algiers en na de gratie op de terugreis gestorven, een zwakke vrouw, maar met een fellen geest, die hartstochtelijk streed voor de misdeelden.

Dezen winter was zijn ziel geploegd door die allen. Als zijn moeder naar bed was, las hij, de boeken om zich heen gestapeld, in de stille kamer tot de lamp was opgebrand. Hij las, rampzalig en gelukkig en raakte los van het oude, eigen leven. Hij had, sinds het verlies van Annètje, het gevoel nooit baas kunnen worden te zijn getrapt en vernederd, te staan als een minderwaardige in de maatschappij. Hij was maar een jongen uit een klein winkeltje - om hem leefde een wereld, zelfbewust, machtig, waaraan hij nooit deel zou hebbe, die hem zooals Annètje deed, buitenschoof.

Deze geesten schonken hem, wat geen romanlectuur hem had kunnen geven, zelfs Multatuli niet. Zij hadden hem bevrijd. Hij was een mensch met de goddelijke rechten van mensch - het dééd er niet toe, dat hij toevallig in een boekwinkeltje zat. Zijn geest zou de meerdere

[p. 154]

worden van al die rijke domkoppen. Vooral Huets trotsche stem hielp hem.

Maar ook de Duitsche gevoelssocialisten ontroerden hem hevig. Hij leerde uit zijn hoofd Heines ‘Die Weber’ - ‘Das Harfenmädchen.’ Hij zei de oproerige regels halfluid uit zijn gloeiend hoofd:

 
‘Sie sang das alte Entsagungslied
 
Das Eiapopeia vom Himmel,
 
Womit man einlullt wenn es greint
 
Das Volk, der grosze Lümmel.’

Dan zag hij opeens hier tegenover hem aan dezelfde tafel Annètje zitten met haar mooi onschuldig gezichtje, die de verzen van Ten Kate opzei. En hij huilde in zijn handen, stampvoetend en gesmoord vloekend, omdat hij zelf voor haar geweest was niets dan ‘der grosze Lümmel.’

En als gloeiend vuur viel in zijn verbitterden opgewonden geest Georg Herweghs Gedicht eines Lebendigen:

 
‘Wir haben lang genug geliebt
 
Wir wollen endlich hassen!
 
Die Liebe kan uns helfen nicht
 
Die Liebe nicht erretten....’

Neen, néén - dat was waar, hoe ellendig waar! En bevend zei hij voor zich op Requiescat van Freiligrath - op den proletariër van den geest

 
‘Ein Bedarf hat ihn gespornt
 
Und gepeitscht had ihn der Mangel.’

Oh - broeders waren het. Vaders! Die hier in de stille nachturen, waar zat een hulpeloos zoekende, een wanhopige, tot hem kwamen en hem de hand op den schouder legden, en wezen naar wat de waarheid was. En dàt alles bracht Duitschland al in de veertiger jaren? Wat waren dat hier in Holland voor slaapmutsen en stumperds!

Maar toen hoorde hij van Proudhon: De onbelemmerde werking en werkzaamheid der persoonlijkheid. La propriété c'est le vol. Dieu c'est le mal. L'ordre c'est l'Anarchie. En daarna Marx: Das Kapital. Alle gevoelsverteedering smolt weg onder den brand van die honende sarcastische stem.

Dàt - dat was de eenige waarheid!

Oh, den man wou hij zien, die hem voorgoed bevrijd had, die maakte dat hij kon neerzien nu op al wat hem als onwetenden jongen zoo geïmponeerd had. Hoe striemde Marx de bourgeoisie.

[p. 155]

Hoe had hij willen zijn op de congressen der Internationale te Brussel, te Bazel, en Hem zien!

Hij greep zijn hoofd vast. 't Was zoo véél, en 't was zoo prachtig. Er zou in zoo'n wereld, waarvoor geesten als die grooten vochten, geen oorlog meer kunnen komen, want in alle landen zou dan de band gelegd zijn tusschen de arbeiders - was tot hun begrip gekomen dat zij broeders waren, die nooit meer op bevel elkaar zouden moorden.

Hij hing het portret van Marx op in den winkel. Zijn moeder schreide er in stilte om als hij Freiligraths felle gedicht zoo overtuigd, zoo meegesleept opzei:

 
‘Wenn die letzte Krone wie Glas zerbricht
 
In des Kampfes Wettern und Flammen,
 
Wenn das Volk sein letztes Schuldig spricht....’

‘Dat die lieve jongen zóó vijandig, zoo wild opstandig kwam te staan tegenover de maatschappij, het heele leven, en dat alles om een meisje dat hem niet waard was! De wereld werd verdwaasd; en die baloorig en verdrietig was in zichzelf, werd meegesleept, dat was het ellendige. Het zoù Karel niets gedaan hebben, toen hij nog de oude was, als hij gelukkig getrouwd had kunnen zijn. Maar het had hem nèt gepakt in een tijd toen hij ongelukkig was. Het ging precies als met de vrouwen-emancipatie. De stumperds, de arme schepsels zonder roer, werden er door gegrepen. Had zij ook niet geploeterd in angst en zorg omdat de zware verantwoordelijkheid van mannenwerk op haar zwakke schouders gelegd werd! Je hadt het te aanvaarden, en zij had het duidelijk gevoeld: ‘Als een vrouw in die omstandigheden geplaatst werd, als het een kwestie werd van brood voor je kind, dàn gaf God er je ook de kracht voor.’

Over Marx wilde zij niet hooren, dan werd zij angstig en bedroefd, alsof haar heele leven in duigen viel en dat van Karel mee. Die verzen van Freiligrath vond ze nog wel mooi, dat leek ook zoo geen werkelijkheid; maar dat Karel het communistisch manifest las en kende, dat alleen maar den klassenstrijd preekte, och wat vreeselijk was dat! Dat een kind zóó ver van je weg groeide!

Karel sprak er niet van, dat hij Goldeweijn voor het raam had gezien. Maar op een avond plotseling moest hij aan hem denken. Hij had altijd een diepen eerbied en stille genegenheid gehad voor dien ernstigen man, Annètjes vader - en hij zag nu terug het langzame wuiven van die groote witte hand. Als een plechtige, laatste groet. Hij dacht ook hoe Annètje hem eens in vaders kamer de groote Voorbeelden had laten zien. Maar zijn opstandige jeugd

[p. 156]

verwierp thans al wat buiten zijn gedachtensfeer lag. Hij wist ook niet wàt ze eigenlijk gedaan hadden, die oude kerels. In elk geval niet iets als zijn helden. Hij nam de lamp, ging naar den winkel, en belichtte den vurigen donkeren kop van Marx.

 

Iets begon in Goldeweijn te jagen. Hij wilde naar Annètje. Nog eens bij haar zitten en probeeren de dingen te zeggen. Alleen. Zonder zijn vrouw.

De buren zagen het ongelijksoortige paar alle dagen in het Maartsche zonnetje wandelen op de gracht: de onwaarschijnlijk lange magere man met de holle starende oogen, en de bloeiende mooie vrouw met den ietwat tastenden onzekeren gang.

Tot op een zachten lentedag hij plotseling alleen uitging naar de Weteringschans.

Hij vond, toen hij langzaam de hooge trap was opgeklommen - waar Keetje ontsteld ‘de ouwe meneer!’ aankondigde - Annètje in de huiskamer, Francientje speelde op den grond.

‘Opa!’ riep ze verrukt en stommelde naar hem toe.

Maar Annètje vloog op. Ze had ternauwernood een kreet bedwongen, toen ze hem daar zag in zijn ziekelijke vermagering.

‘Vadertje - vaderlief -’ ze trok half in een snik den leunstoel bij de kachel - ‘hoe is u zoo alleen gekomen!’

Het kind klom op zijn knie met haar ezeltje. Hij streelde het blonde hoofdje, maar hij kéék naar Annètje, naar haar zacht jonge-vrouwengezicht. Al wat in die ziekteweken hem had gekweld, lag als een onontwarbaar kluwen in zijn altijd zoo koel practische, heldere hoofd.

Zij vertelde van het kind en hoe Frederik na het eten met haar speelde.

Los ging het kluwen.

‘Daar had ik nooit tijd voor met jou.’

‘Spelen....? Neen misschien niet. Maar weet u wel hoe blij ik was, toen u die mooie keuken voor me getimmerd hadt?’

‘Voor mijn eigen plezier, omdat ik zooveel van timmeren hield,’ dacht hij.

‘Ik bewaar hem voor kleine Frans. En dat beeldige bloemenleggertje. En weet u nog hoe u schaduwbeelden knipte voor Stance en mij - en we die zondagsavonds vertoonden tegen den witten muur in de gang?’

‘De grenadier,’ glimlachte hij.

‘En de hond. En 't vogeltje....’

‘Weet je dat allemaal nog?’

[p. 157]

‘Al die lieve prettige dingen! U toch ook?’

‘Ik was 't vergeten.’

Ze keek hem bezorgd aan. Knielde bij hem. ‘Is u erg moe?’

‘Neen. Ik wil nu gauw weer aan 't werk. Je moet te veel denken als je zoo stil zit.’

Zij bracht hem een eind weg. Maar bij den Dam stuurde hij haar terug. En zij ging, en keek soms om, en zag hem dan gaan, langzaam, gebogen....

Verder op de gracht kwam Goldeweijn Stance Bremer tegen. Ze liep met hem mee tot zijn huis, babbelend om haar zorg voor hem niet te laten merken.

Toen hij eindelijk zijn stoep weer opging, waar Fransje ongerust voor het raam te wachten zat, dacht hij:

‘Ze houen toch van me.’

 

In dezen tijd genoten Stance en Annètje nog eens de volle maat van hun vriendschap. Maar ook nu dacht de jonge vrouw dikwijls diep en lang in zichzelf als Stance weg was:

Zóó had zij niet geleefd in haar verloving. Zoo, dat elk gesprek, onbedoeld en ongeweten zelfs, altijd weer draaide naar den man - naar wat hij gezegd had, wat hij deed, wat hij schreef. Er bestond voor Stance geen gevoel, geen gedachte die niet zijn oorsprong nam in Otto. Hoe kwam het dan - hoè zij ook hield van Frederik - van den Frederik vooral uit dezen huwelijkstijd - dat zij deze in zichzelf verloren aandacht nooit had gekend. En nooit ook het uitbundig geluk dat daar blijkbaar in school. Niemand kon toch zeggen dat zij koel was - hoe innig was zij gehecht aan thuis, aan dit eigen thuis ook - aan Frederik en haar kind. Zij was alleen misschien nooit heel verliefd geweest....

Zij werd stiller. De ziekte van haar vader had een zekerheid onder haar weggetrokken. Er dreigde een donkere leegte.

Zij kon het geen oogenblik vergeten, al deed Goldeweijn weer zijn volle praktijk tegen alle waarschuwing in. En Frederik vond op een dag in Annètjes gezichtje den trek terug, die het deed vervallen als twee jaar geleden. In zich zelf gekeerd werd zij, tobberig, haar vroolijkheid verloren. Maar Frederik was wijzer geworden. Hij borg zijn blijdschap zoolang op, en was de geduldigste, voorkomendste aller mannen. Wat zij absoluut in dien tijd niet waardeerde. Naar den Voorburgwal trok zij, zijn verzet tegen de lange tochten door de drukke stad niet achtend, bijna dagelijks; maar van haar verwachting sprak zij daar niet. Want in de eerste warme zomerweken ging

[p. 158]

Goldeweijn zichtbaar achteruit. Als hij 's nachts was uitgeroepen, hield hij zich overdag met de grootste moeite op de been.

Eenmaal nog ging hij met de kleine Frans naar het Wandelpark, waar twee zwanen thans in den grooten vijver zwommen. Maar meest bleef hij thuis en verlangde dat zijn vrouw bij hem bleef.

Voor Fransje werden deze dompige weken een groote beproeving - de zwaarste nog van haar leven. Haar vroolijke moed lag eindelijk als een aangeschoten vogel vleugellam. Want in een strak beklemmend zwijgen worstelde de stille man tegenover haar den eenzamen weg naar den dood af. En Fransje eveneens tot zwijgen gedoemd, ging door haar kleine huis, zóó hardnekkig rechtop, dat zij er te groot scheen voor de enge kamers, de mooie mond bevend soms plotseling, als een kind dat schreien moet en niet wil. En reikhalzend zat zij dan weer uit te zien in het spion, of zij niet Annètje komen zag - of mevrouw Bremer de stoep afsloffen.

Tot op een dag zij plotseling Annètjes toestand zag. Maar Annètje dat daar zoo stil tegenover haar, en keek uit over de gracht, een rimpel tusschen de zuivere brauwen.

Later vroeg zij Goldeweijn.

Hij zei: ‘Ja’ - en ging meteen naar de achterkamer. Hij had verstaan in een grooten weemoed, waarom zijn kind het hem niet zei - in een soort struisvogelpolitiek het zelf negeerde.

Fransje, alleen gelaten, begon te schreien.

‘Waarom praatten zij er niet over tegen haar?! O wat een ongelukkig mensch was zij - niemand zei haar iets....’

Maar dien nacht schrok zij wakker door het geluid dat zij nooit vergeten had, dat haar overeind deed vliegen.

‘Sytse,’ riep ze, met bevende handen de kaars zoekend, ‘Sytse.... waar ben je....’

Er kwam slechts een reutelen - en toen zij eindelijk licht had, vond zij hem teruggevallen, zonder beweging.

Leentje holde om Sisselaar - een rijtuig bolderde in het aarzelend morgenlicht den Voorburgwal af om dokter Bergema - een ander naar de Weteringschans.

----------------

Annètje zat stil tegen Frederik aangeleund. In den kouden lichten zomernacht rilde ze onophoudelijk met lange rillingen. En hij, in grooten angst om haar, wikkelde haar telkens dichter in de sjaal.

Haar oogen staarden in jagenden angst - eindelijk de Voorburgwal - het huis....

In de flauw verlichte slaapkamer zag Annètje haar moeder naast het bed. En uit de donkerte tusschen de bedgordijnen keek het snel

[p. 159]

wegstervende gelaat van haar vader met groote holle oogen oplettend haar aan. Hij keek, alsof hij met zijn blik haar tot zich trekken moest. Zij boog zich over hem, kuste hem bevend. Toen hoorde ze hem schier geluidloos prevelen: ‘Pas.... op.’

Zij beet op haar lippen om haar snikken te smoren. In de oude ingeboren gehoorzaamheid volgde zij zijn wil: in de eerste plaats denkend aan haar kind. En plotseling kalm zette zij zich bij hem neer.

Ook Frederik was daar. Bij de deur schreide Leentje heimelijk in haar schort.

Goldeweijn had de oogen wijd open.

‘Houd mijn hand vast, Frans,’ stamelde hij. ‘Dicht - dichterbij... 't wordt zoo.... donker....’

Een klacht brak op Fransjes lippen. Zijn koude hand lag tusschen de hare. Zijn blik werd strak. Hij rilde.

Frederik leidde Annètje weg.

Bij het bed weende Fransje toomeloos.

----------------

In den vroegen morgen, terwijl de kuiper aan den overkant zijn tonnen buitenrolde - de smid hamerde.... liet Leentje langzaam voor alle ramen de linnen gordijnen neer. Zij schudde schreiend het hoofd tegen mevrouw Bremer, die daar zwaar en bewegingloos in haar zwarte morgenjapon, stond op te zien naar het burenhuis.

terug  begin  verder