terug  begin  verder
[p. 169]

VII

WIE daar rustig leefden in Amsterdam, de altijd nog wat provinciale wonderschoone stad, zagen vanuit een helderen herfst naar het helsch gebeuren over de grenzen. Het scheen ver, maar het bleef inderdaad nabij, het beroerde de rekenende koopmansharten met een aanvleug van angst. Veertig jaren was Holland zonder oorlog geweest - de oud-strijders van het metalen kruis bekeek men als iets legendarisch. Nu plotseling was er zorg in de groote handelshuizen, de banken. Spanning, die de zenuwen strak hield. Buitenlandsche, vorstelijke leeningen werden gesloten in uiterlijk bescheiden huizen....

Maar de handel kwijnde. In de maand van dertig Juni tot een Augustus waren de koersen aanhoudend gezakt. De vrees voor verliezen drukte in de groote grachtenhuizen, waar op bezuiniging werd gezonnen. Werkgevers trokken terug, staken zich in geen nieuwe ondernemingen. Nog vóór den winter dreigde al armoede en werkeloosheid.

Het volk, dadelijk oproerig, morde. En velen, steeds meer, gingen in den avond naar vergaderingen - scherpgespannen koppen staarden naar het oorlogsnieuws - en het verzet stak op onder hen, die de nieuwe leer hadden ingezogen: alle werklieden zouden zich vereenigen tegen den menschenmoord. Zich niet meer daarvoor laten gebruiken. Dienstweigeren.

Opstandige woorden kwamen los. Hollandsch langzaam groeide het verzet tegen al het bestaande. De groote werkgevers, de fabrikanten, bezorgd, zetten zich schrap. Onder hen bruiste langzaam maar zeker de zee aan - met horten en stooten en terugvallen, maar niet te stuiten op den duur.

Daarnaast ontwaakte het andere: een wijdere belangstelling. Mannen en vrouwen meldden zich aan bij het Roode Kruis, verlangden

[p. 170]

te trekken naar de ellende der slagvelden. In leege, dofbeslagen vrouwenzielen van alle landen spiegelde zich op eenmaal de menschenellende. Slapende, ongewekte krachten werden er tot leven opgestooten: hulp, liefde, overgave, wegcijfering van het eigen ik, werd geëischt. Waar eigen omgeving nooit had gesproken, kon nu op eenmaal een extatische behoefte de vleugels uitslaan. Romantisch doortrok plotseling een gloed de wegkwijnende levens, dreef op tot een kracht, die bergen meende te kunnen verzetten. Aan de deur van hun zielen was de klop van den tijd - zij wendden zich ontwaakt naar dat geluid, waarvoor zij de ooren niet sluiten konden. Naar de slagvelden trokken zij - bij de stations stonden zij dag en nacht - vrouwen en meisjes uitgezonden door de volksgaarkeukens, stichting van Lina Morgenstern; en reikten aan de soldaten spijs en drank. Jenny Hirsch, de redactrice van Der Frauen Anwalt, vertelde ervan in een brief aan ‘Ons Streven’. En de jonge Nederlandsche vrouwen voelden zich geestdriftig meegesleept. Uit Nederland vertrok de eerste afdeeling Roode Kruis den twaalfden Augustus naar Metz. De Koningin, de groote peinzende oogen bewogen in 't ernstig gelaat, ontving de vertrekkenden ten afscheid - omhelsde de vrouwen, drukte den mannen de hand....

En die thuisbleven, verlangden. Zochten werk, wendden zich tot de leidsters der afdeelingen Roode Kruis. Ongetelde fijne vingers plozen pluksel.... Maar gewekt en niet bevredigd zagen de oogen, helderder geworden en bewuster, uit naar een anderen weg dan de alledaagsche der traditie voor de vrouw. En onafhankelijk van elkaar, maar beiden opgestuwd door wat daar klopte, en kloppen bleef met onweerstaanbaren aandrang, die beide groote stroomingen door alle landen:

De arbeiders. De vrouwen.

 

Daar in den Elzas - in schoone heldere herfstdagen en donkere nachten, gaat de onverbiddelijke opmarsch der Pruisen. Als het noodlot trekt het groote leger in zijn geweldige orde voort.

Huzaren, lichtblauw en rood, dragonders en kurassiers in wit laken, hoog te paard - felle kleuren in zonneblinkering. Rijden aan lanciers en artillerie - donderend de ammunitiewagens, de karren met levensmiddelen - kudden vee loeiend voortgedreven, angstig en vermoeid, de bolle oogen schichtig, rood beloopen, terzij blikkend.

Infanterie.

Gesloten, vastberaden, overtuigd, trekken zij op door zonnige dagen en regennachten. Over geschoren velden en slijkerige wegen, door verwoeste dorpen, langs verbrande, in puin gestorte huizen.

[p. 171]

Trekken voort, na den grooten moorddadigen slag bij Wörth in den herfst, een onafzienbaarheid; de vernietiging, die aanschrijdt onweerhoudbaar door den Elzas.

Ridders van het Roode Kruis nu, Krakenträger dragend op baren gewonden - Barmherzige Schwestern, witte kappen boven zwarte gewaden - doktoren en studenten van alle universiteiten - wagens vol verbandmiddelen - geestelijken van elke richting.

Het laatst een korps Totengräber, onder kommando.

Verder - verder. Achter hen blift wat de slag overliet. Het verloop ervan geschreven in den bloedigen grond:

Verspreid hier en daar in het roode gras een naaldgeweer geplant - een begraven Pruis. Dichter en dichter dan - bezaaid de grond met verscheurde, bebloede uniformfragmenten, gedeukte helmen en ransels - en rijen, rijen dicht aaneen geplante naaldgeweren.

Van den heuvel af onbegraven dooden. Franschen en Pruisen, in massa's neergestort. Aan den voet allen Franschen.

Over het veld zon. Een wijfelende koude zon over de duizenden verstijfde, stilgeworden gezichten.

De Totengräber werken.

Hier ruhnen in Gott 28 Preussen.
69 Franzosen. Grab No. 4.

In Berlijn komen de eerste krijgsgevangenen binnen. Haveloos bijna ongekleed, ongeschoeid op doorgeloopen wankele voeten. Verwilderd, wanhopig, vernederd. De Duitsche Koningin heeft verboden dat men hen loopend de stad door zal voeren....

In Parijs staart het volk - wéét niet. De berichten liegen, spreken nog steeds van overwinningen; maar hòe weet niemand, iets van de waarheid dringt door. Een druk begint zich te leggen op den spot den overmoed. Het wordt stil.

Den zevenden Augustus, na den slag bij Wörth, komt een radeloos, afgemat man te Nancy: Mac Mahon. Te voet gaat hij, de maarschalk, naar het café Bouillot, de réunie der officieren. Hij is niet te her kennen. Bemodderd van hoofd tot voeten, zijn handen zwart. Zijn eene epaulet weggeschoten, de panden van zijn jas doorboord. De helft van zijn kijker hangt aan den riem - zijn hand is verwond.

De officieren rijzen - wanhopig. De burgers nemen den hoed af. Een nadert hem, vraagt aarzelend naar het regiment Kurassiers....

‘We hebben geen Kurassiers meer.’

Hij is een verbijsterd, verpletterd mensch. Zijn soldaten hebben in acht-en-twintig uur niet gegeten. Hij denkt aan den wagon met koren uit Hongarije dien de Pruisen buit maakten. Hij denkt aan de ont-

[p. 172]

zaggelijke hoeveelheden bagage, door zijn officieren meegesleept als in vredestijd, equipages met vrouwenkleeren van den hertog de Chermont voor de dames, die in het hoofdkwartier de honneurs zouden komen waarnemen. Wagens met bonbons en confituren, welke zijn terugtocht belemmerden en tot een slachting maakten.

Hij denkt vermoeid, maar onafwijsbaar, met zijn gemartelde hersenen, hoe Trochu al in 1867 smeekte toch niet te vertrouwen op de overleveringen uit het eerste keizerrijk. Trochu die uit den slag bij Sadowa lessen trok, welke Frankrijk versmaadde. Die waarschuwde tegen de gevaarlijke fouten van het Fransche leger: overdreven denkbeeld van eigen voortreffelijkheid, overmoedig vertrouwen op het élan van den onstuimigen aanval. Dit alles minder gevaarlijk nog dan de minachting voor de kracht van den vijand.

Trochu die er om in ongenade viel.

Aan dit alles denkt Mac Mahon. Door zijn vermoeide hersenen, voor zijn verschroeide, verbijsterde oogen, die urenlang een ordelooze vlucht zagen, staat het beeld op van Frossard, die zichzelf doodschoot na den slag bij Weissenbourg, om den smaad niet te overleven. Hij ziet zichzelf: een roemrijke naam, onbezoedeld, strijdend voor een verloren zaak. Hij denkt aan Bazaine, die met het Rijnleger - hoè gedund weet hij niet - bij Metz ligt. Metz waar hij zelf ook heen moet met zijn ongedisciplineerd leger, zijn muitende soldaten, slechte officieren. Hij kreunt innerlijk. Hij weet, het is 't eind van alles.

De muur, de ijzeren muur der Pruisen trekt voort. Door een verwoest zwartgebrand land. Vlammen roepen ten hemel - in den wind jammeren de beroofden.

In het Hoofdkwartier ziet de Keizer den muur naderen. Ziet hem langzaam maar zeker zich sluiten. De toegangen tot Frankrijk zijn langs het geheele Oosterfront afgesloten.

Achter hem zijn land, dat hem uitwerpt, dat zijn ontslag heeft geeischt als opperbevelhebber. Hij denkt aan zijn Keizerin, bigotte, verkwistend, barbaarsch in haar smaak, haar weelde, haar vermaken.... Naast hem zijn zoon, de tengere knaap die nooit Keizer worden zal. Zijn leger - hij heeft geen leger meer. Hij is een verloren mensch, armer dan de armste.

Den tienden Augustus jaagt een bataljon grenadiers en twee regimenten Afrikaansche jagers uit Metz weg. Onder den helderen onmeedoogenden zomerhemel jagen ze, ordeloos rennende, in hun midden de Keizer en zijn zoon met eenig gevolg - achtervolgd op weinige uren door een Pruisische divisie. Zij jagen - jagen voort. De Keizer is vluchtende, vlucht voor zijn eigen leger. Om hem slechts weinig getrouwen. Afgemat rijdt hij, zijn angst, zijn ellende ver-

[p. 173]

bijtend. Soms ziet hij even terzij, maar niet dikwijls. In zes uur tijd jagen ze van Gravelotte naar Verdun.

In Verdun onmiddellijk naar 't station. Hij gaat, met inspanning zich recht houdend. Stapt in een derde klasse coupé. Den stationschef vraagt hij een glas wijn. De jongen, mager, doodsbleek, vlak naast hem. In beestenwagens stijgt zijn gevolg, vallen neer, uitgeput, onverschillig, op 't stroo.

In Châlons beleedigen hem de Gardes mobiles: ‘Assassin!!’

Hij wijkt verder. Naar Rheims.

Bij Gravelotte vecht zijn verlaten, wanhopig leger, Bazaine, die tracht zich te vereenigen met Mac Mahon en Trochu, trekt terug, de vijand is tusschen hen. Hij vlucht, verbeten, omdat Mac Mahon niet op hem heeft gewacht - Mac Mahon die vechtende is alleen. Hij wéét niet dat Mac Mahon niet kan. Dat de Pruisen hem dwingen tot den slag. En hij ziet vertwijfeld de keus: of terug onder de kanonnen van Metz, of zich door de Duitschers heenslaan en Châlons bereiken.

En Mac Mahons leger vecht. Uren lang in den brandenden zomerdag hebben zij uit het Bois des Oignons de Pruisen zien optrekken, beschoten door het moorddadigst Fransche vuur. En altijd door trekken zij op - zij weten niet meer hoe - zij dringen op, automatisch - zij vallen, blijven liggen - andere zijn achter hen, loopen over lijken. Tegen de boomen slaan de kogels - voort - vóórt. Het wordt iets spookachtigs, bovennatuurlijks, dat onverminderd optrekken van altijd nieuwe Pruisen. De Franschen richten - schieten - vallen - richten - schijnen te winnen. Vertwijfeld rijst hun moed om dóór te breken - het oude gevreesde Fransche élan.

Dan op eenmaal in de lucht een geluid dat hen verwilderd doet opschrikken: granaten achter hen. Granaten barsten uit de lucht. De generaals hebben begrepen: de kanonnen van Steinmetz, die den ijzeren muur gaan sluiten. Ze vechten vertwijfeld om de bres, waar hun behoud ligt. Bij duizenden vallen Pruisen en Franschen.

De avond daalt. Sterren flonkeren aan den hemel. Het is negen uur. Bij een tuinmuur, op een stuk van een boerenkar, zit de oude Koning van Pruisen die zeven-en-zeventig is. Tien uur aaneen was hij in het gevecht. Naast hem Von Bismarck, de generaals Von Rhoon, Dönhoff, de groothertog van Weimar.... De overwinning hangt aan een draad. Als de Franschen dóórbreken....

Zij zitten stil. Aan den hemel de volmaakt schoone zomeravond.

Een ruiter rent aan: Von Moltke.

‘Majestät - wir siegten!’

[p. 174]

De vlucht. De ordelooze, wanhopige vlucht van het Fransche leger. Mac Mahons terugtocht.

Terug - terug -

Vluchtende, terugwijkende naar Sédan. Het is de smadelijke tocht, dien hij gezien heeft als een nachtmerrie. Bazaine - waar is Bazaine - hij begrijpt hem niet. Hij weet alleen dat Bazaine hem niet te hulp is gekomen - dat hijzelf verloren is. Dat hij terugtrekt temidden van die hel van ongedisciplineerden onwil, vantrouweloosheid, verraad. Een eenzaam, verbitterd, wanhopig man....

Terug. Terug.

Er valt een vreeselijke ernst van bezinning over Parijs. De lach besterft. Wat de Daily News noemde: het verachtelijkst geslacht Parijzenaars dat den mannelijken leeftijd bereikt heeft onder het tweede Keizerrijk - zij zijn de stad ontvlucht. De provincie verdedigt Parijs. Trochu is belast met de verdediging. In het Wetgevend Lichaam heeft Gambetta den minister geestdriftig gedankt voor zijn toezegging van zeventïg-duizend man. Maar langzaam dringt de waarheid door - de vreeselijke waarheid van Gravelotte.

Parijs wordt in allerijl bewapend. Uit Nantes, uit Hâvre worden aangevoerd enorme hoeveelheden graan. Graanmolens worden gebouwd in Parijs.

En met het doordringen van de waarheid der nederlagen, begint de uittocht van al wat Duitsch is uit Frankrijk. Ze zijn hun leven niet meer zeker sinds de groote terugtocht is begonnen. Ze trekken weg, inderhaast - met pak en zak. Gehoond, gescholden, gemolesteerd door een woedend verslagen volk. Zij trekken in volle treinen met vrouw en kind, met wàt ze kunnen meenemen, de rest latend om 't leven te redden - beroofd van huis, bestaan. Zij komen over de Nederlandsche grens, eenige honderden - zitten in de stations - een troep verjaagden, welgestelden nog gisteren. De mannen, verbeten zwijgend, vrouwen doodop, kinderen slapen tegen hen aan. Uit de Hollandsche arbeidersbeweging komen mannen om hen te ontvangen.

Een jonge vrouw is tusschen hen, mannelijk scherpe trekken, groot jongenslichaam - Truida Leedebour. Ze heeft den heelen dag gewerkt om de vrouwen, de kinderen te laven, de gezinnen huisvesting te bezorgen. De mannen kijken naar haar, wantrouwend eerst, gewonnen dan. Truida Leedebour is sinds den oorlog opeens een persoonlijkheid geworden in Amsterdam. In de Amsterdamsche uitgaande wereld noemt men spottend haar naam: een geëmancipeerde vrouw - en hòe! Een die zich op den voorgrond dringt, zich niet ontziet tusschen enkel mannen op te treden. In één adem noemt men

[p. 175]

haar met Betsy Perk, en de avonturierster Mina Kruseman, die het land afreist om de emancipatie der vrouw te prediken.

Line Bergema trekt bij haar vriendinnen een pruimenmondje, noemt het ‘vreeselijk onvrouwelijk alles’, bezint òf zij Truida eigenlijk nog wel ontvangen kan - zij als doktersvrouw.... Maar Amélie van Dugten komt aan het station, beladen met fruit, chocolade - begint naast Truida te helpen.

En 's avonds hoort Annètje op haar bovenhuis de verhalen. Zij gaat niet meer uit, want haar tweede kindje zal nu heel gauw geboren worden. Zij zit stil, en luistert in een uiterste gespannenheid naar de verhalen welke Amélie haar komt brengen. Amélie die niet meer spreekt van kunst - maar, de donkere oogen warm, vertelt van huilende kinderen, angstige moeders, wanhopige vaders. Amélie die zegt:

‘Weet je Annètje, als het werkelijke leven zoo nijpend, zoo tragisch zich voor je afspeelt, wat wordt dan alle verbeeldingskunst onbelangrijk.’

Zij zitten lang tezamen. En Annètje kan op eenmaal praten met Amélie.

 

Binnen Frankrijk trekken de Duitschers voort. En langzaam mee trekt het besef in de Fransche harten. Berichten komen dóór, gecamoufleerd, verbasterd, maar ten slotte onloochenbaar.

Dan begrijpt eindelijk het verblinde volk: het overschot van de groote Fransche armee vastgenageld in twee vestingen: Metz en Sédan.

Straatsburg wordt gebombardeerd. De citadel brandt. Telkens een ander punt. Midden in den nacht liggen de wijnbergen, ligt het kostelijke vruchtbare land gedrenkt in den zengenden bloedigen gloed.

Geruchten gaan, dat de Keizer in Sédan is. Men weet het niet.

Maar Mac Mahon is in Sédan. Negen-en-twintig Augustus komt hij, uitgeput met het overschot van een muitend leger voor Sédan. De rest is afgevallen, ontwapend over de Belgische grens. Hij zal slag moeten leveren. Maar hoe kan hij. Schandelijk is hij zonder ammunitie gelaten.

Den eersten September begint de slag. Twee honderd vijftig duizend Pruisen sluiten hem in - dringen hem op - dringen hem terug. Door een schrikkelijke onbedachtzaamheid van Failly, gaat diens heele legerkorps verloren. Een kreet besterft Mac Mahon op zijn verschroeiden mond als hij dat zijn Keizer melden moet. Zijn Keizer, die hier in Sédan zijn noodlot wacht. Hij heeft hem gezien in het heetst van 't gevecht, zonder vrees den dood zoekend - hij ziet hem op de citadel zelf het geschut richten. Hij staat koelbloedig op de bruggen der forten. Maar wat geeft het. Wat geeft iets! Waar zijn de officieren...

[p. 176]

Hij weet het, verbitterd: zij zitten in de café's - ze houden zich schuil - kanonnen staan ongebruikt in de straten.

Mac Mahon, oververmoeid, verbijsterd, verpletterd, verliest het hoofd. Hij voelt zich geen maarschalk meer. Hij denkt er niet meer aan dat hij zich niet noodeloos blootstellen moet, dat zonder hem het leger geen leiding heeft. Hij weet niets meer te doen dan zelf te vechten - te vechten, razend, roekeloos, ongedekt, zich bekommerend noch om zijn leger noch om zichzelf - te vechten als gemeen soldaat.

In de stad muit het volk, de soldaten. Ze hebben Failly haast vermoord na zijn terugkeer - ze willen den Keizer vermoorden. Om zes uur weten ze: Mac Mahon is gevallen, ligt zwaar gewond of dood. Ze zijn verloren schapen, zonder aanvoerder meer. Voor de stad dringen hen de Pruisen op, dringen hen binnen de stad. En het leger vlucht. Elkaar vertrappende om binnen de beveiligende muren te komen - wèg onder de genadelooze zeshonderd zware Kruppkanonnen. Kurassiers springen te paard in de diepe vestinggracht, vallen op en over elkaar, paarden blijven liggen met gebroken ribben en pooten. Officieren van alle rangen vechten om slechts één ding: de wijkplaats binnen de vesting.

Dan beginnen de Pruisische bommen te vallen in de stad. De houwitsers. De nauwe straten raken versperd met lijken. Burgers, soldaten, paarden, vaneengereten door de meedoogenloos ontploffende projectielen. En door die hel, die zwartroode hel van bloed en vlammen, donder en dood, rijdt de Keizer. Hij is ongedeerd. Een bom barst, doodt het paard van den generaal achter hem. Hij kijkt nauwelijks om - de schaduw van een lach vaagt langs zijn koud-strakke lippen. Voor 't eerst misschien, in die hel waarin Mac Mahon neerstortte, waar niemand hem aanziet, niemand om hem geeft, een uitgestootene door zijn eigen volk - is hij waardig en eerbiedwekkend.

Generaal Von Wimpffen rijdt door de stad. Hij heeft den staf van Mac Mahon opgenomen, vervolgt diens hopelooze taak. Tracht een uitval te forceeren.

‘Vive la France! En avant! Bazaine valt de Pruisen van achteren aan!’

Een paar duizend man gelooven, scharen zich om hem.

Hij wordt teruggeslagen.

Sédan brandt. De dorpen om Sédan branden.

Er is geen eind aan den gevloekten dag, die om vier uur 's morgens begon en het is nu vijf in den middag. Zwaar en bloedig begint een lage zon te zinken in den vallenden avond.

Onbarmhartig richten de Pruisen hun batterijen.

Er is plotseling iets - een klein wit punt. Het is weer verdwenen.

[p. 177]

Het duikt weer op. Het beweegt, ongestadig. Nu ziet een man het in het Pruisische leger, verliest het weer. Het is er nòg, hij weifelt - kijkt scherp - daar op de citadel.... En plotseling zien meer het - zien allen het nu. Donder breekt los van gejuich uit de Duitsche gelederen.

‘De witte vlag!’

In 't Hoofdkwartier is een officier verschenen als parlementair over de capitulatie. Men weigert hem. Alleen met den commandant O'Reilly kan men onderhandelen.

De nacht. Nacht, die eindelijk zinkt als een sluier van rouw over een vernietigde, vermoorde stad - een verpletterd leger.

De voorwaarden der Pruisen: overgave op genade of ongenade van 't heele Fransche leger.

Het is een hellenacht. In de nauwe straten verslagenen en verminkten opgehoopt. De levenden muiten. Vloeken hun nederlaag, hun leiders. De officieren vloeken de soldaten. Gekrijsch, gekerm - geen hulp. De ambulances slecht georganiseerd, werkeloos, radeloos. In de straten vechten Franschen met Franschen. Uitgehongerde soldaten hakken doode paarden aan stukken om te verslinden. En plotseling een nieuwe verschrikking: de aan de kanonnen, aan de huizen vastgeklonken beesten, vergeten, hebben dol van dorst zich losgerukt, rennen zoekend naar water, briesschend door de straten - over de opgetaste stervenden, verminkten, weerloos liggenden, vertrappen hun zware hoeven al wat op hun weg nog leeft.

In die razernij kruipen de uren voort, sluipend naar den dag.

Ergens - verlaten - zit de Keizer. De vreeselijkste aller nachten. Hij vreesde den dood op 't slagveld niet, maar hier, waar alle duivels losgebroken zijn, siddert zijn verlorenheid, zijn grondelooze verlatenheid bij elk aankrijschend tumult, voor den dood onder een harde soldatenvuist van zijn eigen volk.

Hij zit inelkaar gekrompen onder de pijn van zijn kwaal, die hem het paardrijden tot een marteling maakte. Hij denkt aan Mac Mahon die vallen mocht, dood is misschien nu. Hij weet het niet. Hij denkt aan Parijs, aan zijn Keizerin - aan zijn zoon, die te Namen in veiligheid is.... Tòt hij niet meer denkt. Tot er maar dat eene woord nog is in zijn ziel: verloren.

Langzaam kruipt de Septembernacht naar den morgen.

Om zes uur - het is nog duister - is de Keizer opgestaan. Er heeft zich eindelijk één gedachte losgevochten uit zijn doffe hersenen:

Hij wil zich uitleveren aan de Pruisen. Trachten betere voorwaarden te krijgen voor zijn leger.

Ergens in den nog zeer kouden vroegen Septembermorgen is een

[p. 178]

calèche. Ergens in het donker is een klok die zes slaat. Is hijzelf die instijgt - verstijfd, gebroken in zijn ledematen - die wegrijdt de stad uit.

 

Op het slagveld de doodgravers, de vreemde ambulances. In de stad schenden verdwaasde officieren en soldaten in blinde woede het derde artikel der capitulatie, weigeren de wapenen in te leveren. Breken hun zwaarden en bajonetten - slaan in stukken geweren, pistolen, lansen - hun helmen en kurassen. Hakken in fragmenten de mitrailleuses, en werpen alles in de Maas. In de Maas, die rood van bloed den berg niet meer verzwelgen kan - in de Maas, tot het hoog boven het water uitsteekt. Zij verbranden de vaandels en begraven de adelaars - zij verdeelen de krijgskas. De Pruisische opperbevelhebber protesteert.

Maar er luistert geen mensch. Geen mensch heeft meer een stem. De ambulances slechts werken. Uit Nederland is een ambulance vertrokken naar Sédan.

Truida Leedebour is gekomen bij Annètje om afscheid te nemen. En soms, nu zij hier waadt door die verbijstering van het afschuwelijkst lichamelijk wee, denkt Truida opeens aan wat scherp geteekend staat in haar geest: het jonge vrouwtje, stil wachtend op het kindje dat komen zal. Annètje in al haar veilige behoedheid daarginds, die haar aangezien heeft met groote gespannen oogen. En zij denkt: ‘Er zijn twee soorten vrouwen. Zij voor wie het leven alles natuurlijk en normaal beschikt. En zij die tekort komen, eenmaal en levenslang.’

Truida Leedebour houdt in haar arm een verwilderd oud soldatenhoofd. Ruwe wreede trekken. Een groote zware kerel, die het leven onder zijn voeten wegtrapte. In zijn toegeknepen vuist die zich niet ontspannen laat, steekt een strook afgescheurd Fransch uniformlaken.

Zij ziet met afkeer en schrik de soort man, die zelfs als weerlooze afkeer en verzet in haar wekt.

Dan slaat hij langzaam, of het een zware arbeid is, de moede oogleden op. Er staart uit zijn oogen hulpeloos een doodelijke angst. In haar breekt elke dam. Als een moeder zijn haar armen om hem - haar oogen troostend in de zijne, die vluchtend eindelijk zich nestelen in de hare - overgegeven.

Tegen haar jonge platte borst - een vrouwenborst als hij zijn leven lang heeft geminacht en bespot - valt zijn slap, oud, gegroefd soldatenhoofd terug.

Als zij hem neerlegt, breken haar eerste verlossende tranen.

----------------

[p. 179]

Door het heele Duitsche leger rijdt de gevallen Keizer, om zijn eigen volk te ontwijken. Hij rijdt, aangestaard - een sigaar rookend - bleek, schijnbaar onverschillig. Om hem een eerewacht - een eskadron eerste regiment kurassiers.

Verloren. Slap is alles in hem teruggevallen. Geen spanning meer. Geen verzet. Geen hoop, geen vrees. Hij is zichzelf komen uitleveren - hij gaat, een gevangene.

Alleen verlangen naar de zijnen - zijn zoon, zijn Keizerin.

Die Germanen, zij hebben overwonnen. Hij ziet terug het kamertje, waar hij heeft gezeten met den ouden Wilhelm, met Bismarck en Von Moltke. De morgen helder en koud. Misschien ook is hij zelf aldoor zoo koud deze dagen, niet te verwarmen. Ze hebben hem ontvangen, medelijdend, eerbiedig. Hij is hun gevangene, de Keizer der Franschen....

Onverschillig uiterlijk, met dien ijzigen huiver diep in zijn merg, zijn gebeente, rijdt hij voort. Hij heeft 't heel koud. Rijdt hij voort onder de starende oogen uit duizenden en altijd maar nieuwe duizenden Pruisengezichten.

Hij is kalm, alleen zeer bleek. Rookt zijn sigaar.

 

De Duitschers rukken op. De weg naar Parijs ligt open.

terug  begin  verder