terug  begin  verder
[p. 180]

VIII

AAN de popels op de Weteringschans verkleurde het loof van goud tot bruin. Als kleine rijpe vruchten hingen nog de laatste hooge blaadjes tegen een blauwen Octoberhemel, waarlangs de eerste nachtvorst al gegaan was.

Annette Craets keek ernaar vanuit haar bed. Keek naar haar kleinen jongen in de lage groene wieg, en dan naar Stance Bremer, die naast haar zat.

‘Je hebt me verrast,’ glimlachte Stance eventjes haar zonnigheid betrokken. ‘Nu kan je niet bij mijn eenzaam trouwen zijn, en aan de kade staan als ik wegvaar.’

‘Neen, hij is wat te vroeg gekomen.’

Haar oogen dwaalden weer naar den nieuwen kleinen bewoner van het groen damasten wereldje achter de gordijntjes. Stance zat stil. Stralend ging haar verlangen open, zóó dat zij zuchten moest.

Annètje keek. ‘Hoe verlangde Stance! En zij kon zoo moeielijk van haar vriendin scheiden.’

In onbewusten overgang begon zij te vertellen, hoe zij deze gegebeurtenis met Bergema als tweeden acteur in 't drama had doorworsteld. Nergens meer op de wereld vader om te roepen in den hoogsten nood! Reddeloos verloren had zij zich geloofd, in een catastrofe, waarin zij met het kind moest bezwijken.

Stance glimlachte bij het verhaal. Zij was Bergema tegengekomen den vorigen dag. Zoo jong had hij eruit gezien in zijn zenuwachtigheid. En hij had gezegd:

‘Ja, alles goed. Maar als Craets mijn vriend niet was....!’

Annette lachte ook. Eenmaal tot bedaren met haar kleinen jongen naast zich, gleed de afkeer van Bergema als een geleden ziekte uit haar weg. Maar toch - ‘het bleef een vréémde man....’

[p. 181]

‘Wacht tot er vrouwelijke dokters zijn!’ spotte Stance.

‘Daar zou ik geen vertrouwen in hebben.’

Achter de popels zonk de lage herfstzon in den nevel. Zij dachten allebei aan de boomen op den Voorburgwal.

En opeens legde Stance haar hoofd naast Annètje op het kussen.

‘Weet je nog in Monnikendam?’

‘Hoe bang we waren?’

‘Ja ook. En in de schuit, de pret....’

‘Dominee Ten Kate onze held - nu heeft hij haast ons allebei getrouwd.’

‘En ik weg....’

‘Zal je heusch veel schrijven?’

‘Alles.’

‘Maar je komt met verlof.... Stance....’

‘Ja - over vijf jaar. Zal je moeder niet vergeten? Zal je dikwijls naar haar toe gaan?’

‘Dat beloof ik.’

 

Het bericht van haar kleinzoons geboorte bereikte mevrouw Goldeweijn op de puinhoopen van haar oude huis. Haar vriend, de roodneuzige kruier van de Oudebrugsteeg was bij haar, en liet haar behoedzaam neer op de onderste traptrede, toen zij van ontroering en blijdschap duizelde.

Het eerste wat zij zei, was: ‘Te vroeg. Daar zou Goldeweijn zich nooit in vergist hebben.’

Ditmaal kwam Caroline Craets het huishouden doen. Louise had, bij Frederiks vraag zich over het theeblad gebogen, waarachter zij zat, hoog, donker, streng.

‘Ik kan niet van huis. Beter dat Caro gaat.’

Over Adolphine sprak niemand. Adolphine die erbij zat, de onrustige kleine oogen neergeslagen. ‘Zij wist wel, waarom Louise niet weg wilde. Zij was bang. Zij waren altijd allemaal nog bang. En wat had zij daàr ook te maken bij een kraamvrouw en twee kleine kinderen....’

Zij huiverde in haar buitengewone magerte. Aan Louise was zij onderworpen, dankbaar aanhankelijk - de zuster die haar weggehaald had uit dat oord. Maar in de uren van den langen dag dat zij haakte haar eeuwige groote haakwerken, wroetten rusteloos achter het lage voorhoofd de gedachten om:

‘Waarom was Louise niet getrouwd - had zij haar engagementen afgemaakt. De mooie Louise, bij wie zij zich als kind zoo de mindere voelde.’ Broedend gingen haar gedachten terug over de jaren, dat zij

[p. 182]

uitging in Utrecht. Louise gevierd - zij veronachtzaamd, hunkerend. Zij zag den knappen jongen De Leuze, die haar had doen schreien 's nachts - hij had Louise gevraagd, een kort engagement. Waaròm.

Soms als zij samen zaten gedrieën, met hun handwerken om de rood fluweelen tafel - als zij er zoo gezeten hadden 's morgens, en 't was middag en zij zaten er wéér - gilde het in Adolphine op:

‘Waarom heb je het uitgemaakt met Charles de Leuze! Waaròm? Ik die naar hem verlangd heb - en naar die anderen - ik zou met allemaal wel gelukkig hebben kunnen zijn - ik wou een man net zoo goed als al die andere vrouwen. En ik ben gek geworden toen ik merkte dat voor mij geen kans bleef. De eenige - een knecht - daar heeft mijn eigen moeder me om gescholden.... maar jij - jij? Wat is er met jòu dan?’

Over de tafel, over het groote haakwerk, dat zwaar in haar dorren schoot lag, riepen de stomme vragen in haar zusters onbewogen gelaat. Soms keek Louise plotseling op, zagen zij elkaar aan, of even het eene leven het andere greep en met geweld aan de oppervlakte trok - of plotseling om hen heen de kamer onwezenlijk werd en vreemd van beangstigend verborgen gebeuren.

Caroline had blij opgekeken bij Frederiks vraag. Een poos uit! Bij Annette en de kindertjes!

Zij kwam - een niet onbevallig Carolientje, dat met kleine Fransje tevreden ronddrentelde in het Weteringplantsoen. Haar beige wandeltoilet met de lila geplisseerde strookjes op den wijden rok, fleurig in deze warme nazomer-dagen - de kleine platte hoed met lila lint flatteus op haar frisch blond gezichtje. En zij kleurde trotsch en pijnlijk als zij meende te bemerken dat men haar voor Francientjes moeder hield. De kleine komedie deed haar lichter, vlugger gaan, hield een verschiet van blije mogelijkheden open. In de kraamkamer sloop zij als in het verboden paradijs. De statige baker De Haas weerde ieder met jaloersche heerschzucht; en tusschen Annètje en baker was weer die intieme verstandhouding, gegroeid uit hulpeloos onverstand ter eene en goedige genegen bazigheid ter andere zij.

Mevrouw Goldeweijn was de eenige van wie baker De Haas iets duldde; Fransje, die haar met achtelooze vrijmoedigheid commandeerde. Carolientje drong zij de kamer af met het machtwoord:

‘Dat is allemaal niks voor een ongetrouwde jongejuffrouw.’

Carolientje, vier jaar ouder dan Annette, voelde zich bij al die ervaring een hulpeloos, verlegen kind. En op de uitgebreide kraamvisite, waar baker in haar zwart zijden japon zoet glimlachend ‘het engeltje rond presenteerde’ - waar kruidige kandeellucht de

[p. 183]

kamer vervulde, en een praterige dierbare moederlijkheid zwom in al die verhitte vrouwengezichten - had zij zich onhandig en verlaten gevoeld. Annètje, die daar zat, ongenaakbaar met haar glimlach.... leek haar ook zoo ver weg....

Maar als door een frisschen wind leek die benauwdheid weggevaagd toen op eenmaal, de laatste bezoeker verdwenen, Annètje driftig opstond en zei:

‘Baker, wasch het kind af. Al dat vieze gezoen. Ik kan het niet uitstaan.’

Het was een boos schreiend Annètje, dat dien avond door Frederik toegedekt, riep: ‘dat het voor de laatste maal was, dat ze kraamvisite hield. Dat vader altijd had gewaarschuwd je kind niet te laten zoenen.’

 

Maar toen Annette al lang weer de oude was, bleef Carolientje nog. Van Annette mocht ze het kleintje wasschen en aankleeden - Francientje helpen - voor 't eerst voelde Caroline haar dagen gevuld in gelukkig makende bezigheid.

Daartusschen leverde zij ijverig en nauwgezet haar aandeel pluksel in bij Louise. Als zij thuis kwam en Louise toonde haar de manden pluksel, terwijl haar fijne blanke vingers haastig al weer verder, weer verder plozen - als zij Adolphine zag pluizelen en niets dan dat - kreeg zij een onbegrepen walg tegen dat uit elkaar trekken van iets dat heel was. Het deed haar jachtig wegvluchten, pas weer rustig als zij op het behagelijk bovenhuis was aangeland, waar alles stond in het teeken van kleine kinderen.

Voor 't eerst kreeg leven een beteekenis voor haar. Leven werd iets liefs, iets wijds ook en lichts - met veel mogelijkheden nog.

‘Waàr,’ bedacht het in voelen en denken nog onrijpe Carolientje, ‘waàr was in haàr thuis ooit zoo iets geweest. Louise, ja zorgde voor hen - maar dat wàs het niet, met twee oudere zusters rustig wonen in een huis - en dure japonnen en goed eten - en visites maken en ontvangen, en vooral letten dat alles deftig en in den vorm was. Dat wàs het niet!

Met een man in een huis wonen, zooals Annette met hun broer - en lieve kleine kinderen opvoeden en verzorgen. Dàt.’

Zij ging onder, behagelijk, in de emotie van het beleven - het gaf haar nog geen leed. Zij was gelukkig te mogen kijken in een wereld, die zij niet kende. 's Avonds zat zij bij de muziekpartijtjes, hoorde spreken over honderd onbekende dingen. Verbaasd zag zij haar eigen broer Frederik zich opwinden met mevrouw Van Dugten over de Beethoven-herdenking bij Van Lier - over de uitvoering

[p. 184]

van Toonkunst in 't Park met een uitsluitend Beethoven-programma. Over de bénéfice voorstelling van mevrouw Kleine Gartman als Medea - de nieuwe décors van Gysbrecht van Aemstel, een triomf voor de stedelijke commissie, waarin Van Dugten zitting had. Zij hoorde over Adeline Patti's concert in Felix Méritis - zoo ontzettend duur, duurder zelfs nog dan Jenny Lind - en hoe weinig had zij zèlf gezongen: L'echo van Eckert - Ombre légère uit Le Pardon de Ploërmel - een duo uit de Traviata....

Amélie van Dugten was meer dan van Patti, met haar onbelangrijk programma, verrukt van de pianiste Thérèse Careno. De sonate van Weber, en de Faust-fantasie - schitterend....

Caroline dacht verbijsterd hoe veel er in de wereld te weten viel.

‘En ik haal het nooit meer in -’ wist zij. Frederik, uit hetzelfde huis, was een ander geworden. Maar zij.... Ja, als je trouwde, dàn kwam je eruit, dat was de eenige weg.

Zij ging naar mevrouw Goldeweijn, die in haar nieuw klein benedenhuis opgetogen zat voor het raam - gelukkig in het bezit van een zonnigen tuin, geheel beplant met tulpen en hyacinthenbollen. Heerlijk zou dat worden met het voorjaar! Zij leerde er Annebet Kooistra kennen, die haar moeder verloren had, nu alleen op kamers woonde in de Hartenstraat.

Louise had mevrouw Goldeweijn trachten over te halen lid te worden van Arbeid Adelt, waarvan zij bestuurslid was. Een tentoonstelling werd voorbereid in het voorjaar van vrouwelijken handenarbeid. De Koningin interesseerde er zich sterk voor.... Als mevrouw Goldeweijn, die zoo mooi breien kon, misschien een sprei zou willen afstaan voor de verloting....

Fransje lachte toornig, terwijl ze het vertelde. Nu wist juffrouw Craets haar wel te vinden - ze gaf haar sprei liever aan haar kinderen - breide een heel fijn spreitje voor kleine Frans....

Maar Annebet Kooistra viel bitter uit tegen die vrouwelijke handwerken. ‘Waarom was alleen dat gepiek en gepeuter vrouwelijk, en niet ander werk, waar je hart en hersens voor noodig had! Iedereen kon toch geen onderwijzeres worden! Waarom mocht een vrouw als zij, die niets meer over had om voor te zorgen, niet werken en nuttig zijn als een man. Nuttiger en beter werk zou zij kunnen leveren dan honderd slampampers die het mochten, alleen omdat zij man waren.’

In de kleine mahoniehouten kamer die toch weer wonderlijk precies geleek op die van den Voorburgwal - waar een heldere zon binnenviel, zoodat Fransje haar blauwen bril zocht - vielen vreemd de opstandige woorden van een verbitterd machteloos verweer.

‘Neen, dan voelde zij meer voor Mina Kruseman, die gescholden

[p. 185]

werd voor manwijf, en uitgelachen, maar die vócht voor de vrouwen! En Truida Leedebour ook, een flink meisje. Die ging in den oorlog! O, als zijzelf maar jonger was en niet zoo stijf van rheumatiek....’

Fransje Goldeweijn keek over haar altijd nijvere bezige handen, welke onafgebroken pluksel plozen, met haar bedriegelijk helder, half blinde oog, haar bezoekster aan. ‘Wat waren dat toch altijd een vervelende praatjes van die Annebet.’

Maar in Carolientje haakten zij zich. Zij walgde van Phine's haakpennen en Louise's borduurraam - van de roodfluweelen tafel, ochtend, middag en avond. En verwezen, geschud, meegesleept, keek zij naar de oude juffrouw, met de felle donkere oogen in het kleine dorre gezicht - die zoo verwoed opstandig wezen dorst.

 

Zij liep door Amsterdam - een onbeduidend meisje tusschen de menigte. Maar haar ooren, haar oogen, haar hart waren opengegaan. Met Frederik en Annètje leefde zij de gebeurtenissen over de grens mee. Het volk van Amsterdam, van Nederland, was weer gerust geworden. Er kwam voor hen geen oorlog. Het was gedaan. De Duitschers lagen voor Parijs. Hier gingen de miliciens van alle lichtingen behalve die van 't jaar zeventig, met onbepaald verlof. Het oogenblik van angst en schrik - de klauw die zich dreigend had gestrekt - voorbij.

 

Maar daarginds....

Heel Frankrijk snakt naar den vrede. Alleen Parijs wil geen vrede - wil de belegering doorstaan. Parijs, waar de republiek is uitgeroepen.

Een vrouw is in den avond de achterdeur van het paleis uitgevlucht. Kalm is zij - niet bang - zij is alleen - de Keizerin. Achter haar bestormt het razende volk de Tuilerieën. Zij gaat, haar gelaat achter een dichten sluier, in den avond met De Lesseps en Madame Le Breton - in een vigilante naar het station.

Het is voorbij. De Keizer.... gevangen. Haar zoon in Engeland. Zij wil bij haar zoon zijn. In den donkeren avond rijden zij, de gevallen Keizerin, roerloos achter haar sluier, langs donkere wegen.... Zij denkt aan Parijs - waar het volk het paleis plundert, waar zij alles, achterliet - te Bergen staat sinds veertien dagen een met ijzer beslagen koets met haar kostbaarheden. Te Bergen.... maar zij rijden voort - langs modderige wegen naar den grauwen aarzelenden ochtendschemer....

De kust. Mist en zee. Verlatenheid - en kon - dezelfde, die den Keizer doorhuiverd heeft op zijn tocht....

Van Wight brengt de kolonel Sir John Burgoyn de Keizerin met

[p. 186]

zijn zeiljacht naar Hastings. Zij is nog altijd Europa's schoonste vrouw....

 

Maar Parijs wil de belegering doorstaan. Parijs dat het contact met de buitenwereld wel weet te vinden. Heel de stad kijkt naar den wind. Als de wind west blijft kunnen de ballonnen niet uit. Een week lang liggen zij vastgesnoerd - ongeduldige gevangen vogels.

Zóóveel ballons! Twaalfhonderd naaisters verwerken dag en nacht oude parapluies en parasols. Het luchtige hart van Parijs vliegt mee op! Boven de logge Pruisen. De Hunnen.

En daar is immers altijd nog Metz. Dat nog nooit gecapituleerd heeft. Dat onneembaar is!

Maar in Parijs is nu reeds geen vleesch haast meer. En men mompelt dat Trochu niet au fait is van de moderne oorlogsvoering. En waarom is het Bois de Boulogne gekapt, vernield - een woestenij geworden...

Het wordt herfst. De meedoogenloos striemende, doordringende regens beginnen te vallen over de Pruisen in het open veld....

Die in Amsterdam den gierenden storm over de stad hooren in den nacht van den dertienden October, moeten er aan denken: mannen in 't veld, onbeschut.... Pannen en schoorsteenen vliegen - in de Keizersgracht ligt een boom geploft.

Annètje wiegt haar jongetje, dat onrustig is dezen nacht. En het kleine Francientje schreit luidop, geschrikt door een vallende dakpan op den zolder.

In den morgen bedaart de storm - ligt Amsterdam onder een blank gewasschen hemel.

Maar daarginds, ver weg, beginnen onder den storm en de regens soldaten elkaar af te vragen of het nooit vrede worden zal. Na Sédan hebben ze gemeend.... Nu is het einde October.

----------------

Er loopt een gerucht in Parijs, dat op eenmaal het nog altijd onbezorgde vroolijke leven der boulevards verstommen doet, dat niemand gelooven kàn....

Bazaine, die zich heeft overgegeven. Metz dat gevallen is. Een gewicht legt zich op de stad. Wordt het ongeluk toch werkelijkheid....?

Bazaine - is hij schuldig - is hij niet schuldig. Wàs er honger, zoodat hij capituleeren moest - of is 't waar, dat de officieren in overvloed leefden, de soldaten lieten sterven. Was Bazaine de eerlijke, dappere, roemrijke - of heeft hij na de uitroeping van de republiek in verbinding gestaan met de Keizerin, het leger willen sauveeren

[p. 187]

voor een herstel der Bonapartes - òf was de discipline zoo slecht werkelijk, dat hij het leger niet meer tot vechten kon dwingen....

Na den val van Metz stort zich alles over Bazaine. De smaad: honderd-vijftig-duizend man weggevoerd in gevangenschap. Vrouwen uit alle standen loopen door de straten van Metz, rukken zich de haren uit in doodsangst voor de Pruisen:

‘Wàt zal er met onze kinderen gebeuren!’

Een rijtuig rijdt de stad uit. Bazaine die naar Wilhemshöhe gaat. Zijn bleek vertrokken gelaat achter in 't rijtuig. Tumult golft aan om de calèche, vuisten versplinteren de ruitjes - kreten, vervloekingen gillen in zijn oor....

Hij rijdt. Als Mac Mahon. Als zijn Keizer.

Von Moltke rukt met al zijn macht op naar Parijs.

 

Truida Leedebour zat in den kring van het muziekpartijtje. Luisterde wat Cloese vertelde over de laatste der Historische lezingen in Felix Meritis.... En dan vertelde zij zelf....

Wonderlijk, als in een geheel ontwende wereld, na al wat zij zag, doorleefde, weer te zitten in de oude bekende omgeving. In de wieg heeft zij stil gekeken, en den kleinen Philip weer toegedekt met zulk een teedere behoedzaamheid van haar sterke mannelijke handen, dat Annètjes oogen er groot bij werden.

Later in den kring, den veiligen rustigen van een land waar vrede is, waar geen schepsel een duizendste vermoedt van 't afgrijselijk leven dat geleefd wordt daarginds - vertelde zij, met oogen die nòg niet anders kònden zien dan bloed, wonden, vuil, jammer - ooren, die steeds nog hooren gekerm, gekreun, smeekende wanhoop.... over Sédan.

De Fransche ambulance, 't was haast om te lachen als 't niet zoo droevig was, doolde rond als verloren schapen. De coureurs van het comité international waren al lang niet meer zichtbaar.

Onze ambulance heeft veel toegezonden gekregen door bemiddeling van een jongen dominee - Laurillard - hij moet ook verzen maken - die met een grooten voorraad naar Sédan is gekomen.

‘Is Mac Mahon nog in leven?’

‘Hij heef een verzoek ingezonden, om zoodra zijn wonden het toelaten, het lot te mogen deelen der andere krijgsgevangenen en opgezonden te worden naar een Duitsche vesting.’

‘Dàt is de oude edelmoedige Fransche geest,’ zei Leedebour. ‘Geheel gestorven is die toch niet.’

Truida zweeg, zat stil te staren. Haar handen groot en tegelijk teeder, lagen gedwee in haar schoot. Dan begon Van Dugten te

[p. 188]

spreken over het werk, de commissie tot steun van verdreven Hollanders uit Parijs.’ ‘Ik ben ook in 't comité,’ zei Line Bergema.

Zij begon wat dik te worden. Haar snibbig poppengezicht stond klein boven den forschen boezem. Welvoldaan blikten de oogen rond - snel oordeelend.

‘Ach -’ zei Truida onverschillig. ‘En jij, Annètje? Jij ook?’

Ze bedoelde misschien iets scherps, maar ze glimlachte haars ondanks.

Zij hadden allen dien glimlach van verteedering, terwijl zij naar haar keken.

Truida stond op, toen de anderen muziek gingen maken.

‘Ik wou nog even naar een vergadering. De algemeene vredevereeniging.’

Door hun bedwongen trekken heen speurde ze nochtans de Hollandsche bevreemding, afkeuring: een vrouw - alleen - naar een vergadering, van mannen....

Line Bergema's mond trok verachtelijk.

‘Ik heb ervan gehoord,’ zei Van Dugten afleidend, ‘ik wil er ook eens heen.’

Truida keek op in 't licht.

‘Als je den oorlog van zoo nabij hebt gezien, begrijp je niet, dat niet de heele wereld zich vereenigt om dàt te beletten!’

‘Ga je wéér Truida?’ vroeg Amélie.

‘Ja. Als ik wat uitgerust ben. Ik heb me opgegeven voor de ambulance in Versailles.’

Leedebour zweeg. Truida's ‘buitensporigheden’ hadden de rust in zijn leven verwoest. Truida had een huishoudster voor hem gezocht. Hij voelde zich geprikkeld, zijn werklust bedreigd door een vreemde in zijn huis.

De ergernis was in zijn stem toen hij spottend zei:

‘Als de vrouwen allemaal naar den oorlog willen, zullen wij mannen ons moeten emancipeeren. Weet je Annètje, jouw Francientje kan een geleerde vrouw worden, goddank! We krijgen in Amsterdam een Hoogere Burgerschool voor meisjes.’

‘Ik heb,’ zei Van Dugten, ‘een merkwaardig stuk gelezen in de Noordbrabanter, tegen het middelbaar onderwijs voor meisjes:

‘Als de meisjes de middelbare scholen bezoeken, worden ze geëmancipeerd.

Als ze geëmancipeerd zijn, worden ze bedorven naar geest en hart.

Als ze bedorven zijn, zullen ze ook de kinderen die ze krijgen, bederven.

[p. 189]

Als de kinderen bederven, is weldra de heele maatschappij bedorven.’

Truida lachte een beetje mee met de anderen, terwijl ze afscheid nam. Ze dacht: ‘Ja, daar lachen ze nu om, maar in hun hart, elk voor zich, kunnen ze toch niet uitstaan als de vrouw wil hebben wat tot nogtoe alleen voor den man was. Wist ze niet hoe Frederik Craets over die dingen dacht?’

Op straat was haar rustig beheerschte stemming der laatste maanden weg. In de ambulance had zij zich een persoonlijkheid gevoeld, boven alle kleine dingen gedragen door het diepe menschenleed.

Hier in haar eigen stad voelde zij zich eenzaam en verlaten loopen. Een nog ongetrouwde, een beetje malle juffrouw die naar een vergadering voor den vrede ging - in den avond alleen over straat liep....

 

Langzaam stuwde het jaar - het jaar van bloed en jammer naar het einde. Koude was ingevallen. Felle, hevige vorst. In Amsterdam lagen de grachten dicht tusschen de drooggepoeierde, wit bevrozen wallen. Hongerige meeuwen streken in zwermen neer op de straat.

De Kerstdagen waren gekomen.

Annètje, op haar hoog bovenhuis, bukte zich over het warme nestje, waarin de kleine Philip kraaide. Bij het raam keek haar moeder, blozend, trotsch, met de kleine Francientje op schoot, glimlachend toe.

Annètje dacht eraan, hoe Truida Leedebour schreef, dat in Parijs alle zuigelingen stierven - en de kinderen onder de drie jaar, omdat er geen goede melk meer was....

Over een paar dagen was het Oudejaar. Dan begon voor 't eerst een nieuw jaar zonder vader. In het oude, waartoe hij nog behoord had, lieten zij hem achter....

Zij stond stil naar buiten te kijken. In haar verdriet voelde zij zich zoo alleen.

Toen zij eindelijk weer omkeek, zag zij haar moeder, die voor zich uitstaarde. Zij had Fransje van haar schoot laten glijden. Een traan liep langzaam uit haar bijna blinde oog.

Toen vloog Annètje op haar toe, sloeg den arm om haar moeders hals. Zonder een woord zaten zij zwijgend tegen elkaar aan. Het kleine oude huis op den Voorburgwal stond dicht om hen heen.

 

Daarginds in een wanhopig verloren duister land, ontsteken in het paleis van Lodewijk XVI de Duitschers hun Kerstboomen. In de

[p. 190]

zalen zijn de gewonden gelegd, en tafels prijken beladen met duizenden giften uit die Heimat.

Parijs, verloren, hongerig, koud - Parijs dat ezelsvleesch eet en zijn kinderen ziet sterven - staart strak en fanatiek tartend over de graven heen. Nog bewaren zij met geweld hun luchthartigheid. Zij klagen niet. Vrouwen in satijnen japonnen, in fluweelen mantels - mannen in kostbare pelzen halen hun soepkaartjes - wachten kalm hun beurt. De prachtige boomen in den Jardin du Luxembourg zijn omgehakt voor brandhout - in den Jardin Zoölogique zijn alle dieren opgegeten, behalve de drie olifanten. Maar de bommen - ah, die Duitsche bommen doen nog zoo weinig schade! Geen stem verheft zich ten gunste der overgave.

De vestingen zijn wel gevallen. Alle nu, langs Maas en Moezel. Rouaan in 't noorden. Tours - Vendôme - Blois.... Treinen, met alle vensters kapot, brengen bij tien graden vorst, verkleumde vluchtelingen aan.... Wéét Parijs werkelijk?

Duizenden ellendigen zijn te Lagny aangekomen. Verhongerd, bevroren, onverbonden, door 't stooten der karren gek van pijn. Er is geen hospitaal. Ze liggen in de kerk, in loodsen, in hutten, in spoorwaggons - de lange, donkere vriesnacht is gevuld met hun jammer. Tot ze 's morgens verder gaan. Er is ergens in den ijzigen nacht een huis met vier kleine kamertjes - daar liggen tachtig gewonde Beieren. Zonder vuur, zonder dekking, zonder hoop. Als de morgen komt, liggen zij op de perrons van het station.

Parijs weet - langzamerhand. Het moèt gelooven gaan. Maar het staart nòg hardnekkig, stom, verbeten heen over alle graven van hun hoop.

Het kàn niet waar zijn....

 

In het paleis van Versailles zetten zich de Duitschers aan tafel.

In de vestibule speelt de kapel: ‘Nun danket Allen Gott.’

terug  begin  verder