terug  begin  verder
[p. 191]

IX

CAROLINE CRAETS was eindelijk weer naar huis gegaan - maar wanneer zij kon, glipte zij even naar de Weteringschans.

In den laten middag zaten de twee vrouwen samen. Het was Januari. De Weteringbrug lag wit bevroren over het brokkelig vuile ijs van de Lijnbaansgracht.

Annètte had den kleinen Philip op schoot. Francientje speelde op den grond. Het was er zoo veilig, warm, dat het Carolientje diep beroerde. En ze op eenmaal zei:

‘Weet je Annètje dat het in Parijs zoo erg is - dat er moeders zijn die hun kinderen vermoorden, omdat ze geen eten meer voor ze hebben?’

Annètte gaf geen antwoord. Zij had niet geluisterd. De kleine jongen aan haar borst vroeg al haar aandacht op; en ze keek in zoete bevrediging neer op het paisibel slokkende mondje. En toèn sprak zij eindelijk:

‘Hij is heel anders dan Francientje, weet je. Een totaal verschillend karakter.’

Een inzicht in volkomen moeder-egoïsme schichtte onduidelijk door Carolientjes brein. Altijd nog had zij kuisch en schuw vermeden toe te zien als Annètje haar kind voedde. Het paste niet voor een ongetrouwd meisje, dacht zij. Nu - losgelaten op eenmaal - keek zij toe, met een gulzige aandacht, naar Annètjes blanke volle borst, en het kleine donkere hoofdje dat daar veilig lag als in een nestje.

Opeens schrok Annètje op van Caroline's schokkende heesche stem.

‘Annètte - vindt je niet - vindt je het niet een wonder - dat

[p. 192]

een vrouw als zij moeder wordt, vanzelf voedsel krijgt voor haar kleine kind?’

‘Ja.... ja Caro - dat is 't ook.’

‘Vindt je dàt juist eigenlijk niet zalig - zèlf hem te kunnen voeden?’

‘Ja -’ zei Annètte zacht en diep.

Ze keek op, en nu pas zag zij den honger in Carolientjes oogen.

‘Annètje, ik ben zoo blij dat jij mijn zuster ook bent; ik kan tegen jou wel eens praten over de dingen die ik denk.’

‘Ja zeker, Caro. Hadt je nooit een vriendinnetje?’

‘Zooals jij met mevrouw De Block? Neen. Ik heb nooit met iemand kunnen praten. En ik vond in Utrecht die bals zoo naar. Ik begrijp niet wat je aan dansen hèbt. Jij? Phine was er dol op.’

De kamer verschemerde om hen. Ze zaten stil. Alleen het vredig klokken van het kindermondje beluisterde Caroline met een pijn van aandacht. Maar Annètje dacht aan het donkere huis in Utrecht - aan Phine, die zoo dol op dansen geweest was.

 

De koude. De bittere, ontzettende, bijtende vorst, die is als een geesel over de uitgeputte lijven - die de ellende komt voltooien van dezen moorddadigen oorlog.

En de vrouwen!

Zij hebben gekeken met strakke bedwongen oogen over de graven van hun zuigelingen en ze hebben moed gehouden. Maar het paardenvleesch is op en er is haast geen brood meer. Nu begint een macht op te staan in de stad, die niet te onderdrukken is.

De moeders. Ze hebben zich geklampt aan de overwinning die komen zou, waarvoor hun zuigelingen geofferd werden. Maar nu - nu worden de kinderen bedreigd die ze overhielden! Nu beginnen de moeders te morren.

Trochu heeft een uitval gewaagd. Mislukt. Ze zijn teruggekeerd: drommen lange reeksen van draagbaren, drie diep - met gewonden en dooden - gedragen door vrouwen.

De bommen die vallen, daàr kan men om lachen. Maar de andere vijand, de honger! In de restaurants wordt honden-, katten- en rattenvleesch gegeten. Wie zijn dier liefheeft, verstopt het. De lievelingen der Parijzenaars, de olifanten Castor en Pollux zijn geslacht. Old Bob, de Engelschman, die de mooiste verzameling buldoggen heeft, vlucht met zijn beesten her- en derwaarts. Van zijn tuin in de Avenue de la Grande Armée breekt het volk de houten schuttingen af voor brandhout - zijn hokken zijn verbeurd verklaard - zijn honden gestolen.

[p. 193]

Old Bob, de bekende, geliefde Bob, vloekt op het volk - the stupidest thickheadest, foolishest people he ever saw - waartusschen hij verzeild is. Van den eenen stal naar den anderen sleept hij zijn kostbare pony, den beroemden harddraver, die twaalf Engelsche mijlen in 't uur aflegt - in den kelder verstopt hij zijn ekster, zijn papegaai, die domino speelt - een regen van bommen en granaten vernielt zijn huis....

Wat gebeurt daarbuiten - in die wereld van bloed en jammer en ijzige verstijvende koude. Weet iemand binnen Parijs iets van Garibaldi met zijn leger van de Vogezen? Hij kan zich door zijn wonden niet meer op de been houden; op een draagbaar liggend, geeft hij zijn bevelen. Weet iemand iets van den vreeselijken nood van Bourbaki's leger, gestuurd naar den Zwitserschen hoek? Een samenraapsel, ongekleed, ongevoed, zonder ambulance of verplegers. Een verbitterd, wanhopig, door en door kundig soldaat trekt ermee op. Hij heeft tegen Gambetta gezegd: ‘Ik wil deze benden aanvoeren, maar 't zal mijn dood zijn. Overwinnen kan ik er niet mee, en een nederlaag of overgave als bij Sedan wil ik niet overleven.’

De tocht. Honderdmaal hopeloozer dan eens Mac Mahon trok. Op marsch al vallen honderden uit. Als het laatste oordeel stort zich de zwerm op de weerlooze Juradorpen - verslindt er al wat eetbaar is.

Achter zich laten zij: hongersnood - razernij - ziekte.... Na een tweedaagschen slag bij Belfort zijn ze teruggeworpen....

In Parijs vaardigt Gambetta een nieuwe proclamatie uit. ‘Moed! Volhouden! Leve Frankrijk! Leve de republiek!’

Maar de vrouwen morren - heviger. Er laait een vuur van verzet in hun oogen. De amazones in hun wijden broek worden uitgejouwd - hun tien bataljons met zooveel élan samengesteld om op de wallen dienst te doen.... zij worden gehoond - gescholden. Een woede dringt omhoog bij de Parijsche vrouwen.

De Commune - de Rooden - beginnen op te staan.

Er is geen wind meer - de ballons, de lichte, hoopvolle, waarom gejuicht werd - die immers zoo vroolijk de lucht ingingen, de Pruisen uitlachten.... ach die ballons....

De stad sterft.

 

In de landen van Europa begint het verzet wakker te worden tegen den moord op Parijs. Carlyle heeft geschreven: ‘zoover mijn wetenschap gaat, is nooit zulk een oorlog gevoerd, zulk een volmaakte ineenstorting van menschelijke ijdelheid, van verachtelijke nietswaardigheid.’

Maar de verontwaardiging tegen Frankrijk is door zooveel ongeluk

[p. 194]

gedempt. Is Parijs niet de lichtstad, de heerlijke stad van kunst en beschaving. Moet het lachende vroolijke Parijs, waarheen de fijne geesten van Europa trekken als naar een tweede tehuis, moet dàt vermorzeld worden onder een plompen, Pruisischen soldatenhak? Er vaart langzaam een heimelijke schrik door de landen om zóóveel Duitschen voorspoed! In Engeland gaan stemmen op om verbetering van het militair systeem - dat een oorlog met het heerschzuchtig Pruisen onvermijdelijk is tot redding van Europa - tot fnuiking van de gevaarlijke macht der Hohenzollerns....

 

Maar Parijs, de lichtstad, nauwer, nijpender ingeklemd in die rampzaligste aller Januari-maanden - Parijs stervend van kou, van honger, van ziekte - gaat te gronde.

Ergens, in een der nauwste straten van Versailles woont Von Bismarck.

Onder zijn ijzeren vuist sterft Parijs.

 

Frederik Craets komt thuis met een door Alberdingk Thym geestig vertaald pamflet:

‘De groote vechtpartij op het schooltje van mamsel Europa.’

De woede van duizenden Engelschen over de neutrale houding van hun regeering, lucht zich erin. Eind Januari verscheen al de vijf-en-zestigste druk in Engeland. Frederik leest Annètje het slot voor:

‘Pas maar op,’ zegt mamsel, die John Bull verwijt dat hij een geldwolf is, en inplaats bij 't vechten van Louis en Wilhelm tusschenbeiden te komen, wat ellendige stuivers uit het ongeluk van zijn kameraad gewonnen heeft.

‘Pas maar op, dat Wilhelm, de vrome, vredelievende jongen, die niemand aanvalt, je niet naar zijn pijpen laat dansen. Ik voor mij ben ervan overtuigd, dat hij er ook eens een bootje op na gaat houden, en je onverwacht een visite brengt.’

 

Maar negen-en-twintig Januari verdringen de Amsterdammers zich voor de bulletins. In de vinnige koude staan zij, trachtend het nieuws te bemachtigen. Door de stad, de weinig meelevende, trekt toch even een ontroering.

Parijs is gevallen.

Er is geen paard meer geweest in Parijs. Jules Favres heeft te voet, met de witte vlag in de hand, den droeven tocht moeten doen naar het Duitsche Hoofdkwartier.

‘Arme Franschen,’ zegt Cloese, die het leest. ‘Ik houd van ze,

[p. 195]

met al hun dwaasheid, hun lichtzinnigheid in dezen oorlog.’ En een rijmpje komt hem in de gedachte:

 
To all their virtues very kind,
 
To all their faults a little blind....

Hij komt Annètje Craets tegen, die hem bijna niet ziet. Annètje, in haar fluweelen mantel met grijs bont, haar blank, rustig, trotsch gezichtje boven den grooten mof - met den snellen, gracieusen loop van haar moeder.

‘Wat een mooie vrouw,’ denkt Cloese en er springt iets op in zijn hart.

Annètje kijkt bezorgd.

‘Ja, Parijs gevallen - ze heeft het ook gezien. Dàt het slot van zooveel lijden! Zij heeft Francientje en Philip laten inenten. Philip is er nogal ziek van, maar Bergema vond het noodig. Wéét Cloese, dat de pokken zoo heerschen in de stad? Vader heeft haar nog verteld, dat in zijn praktijk bij de epidemie in twee-en-vijftig, niet een werd aangetast, die de laatste vijf of zeven jaar was ingeënt. ‘Het is schandelijk,’ zegt Annètje toornig - ‘dat een dokter in Den Haag vaccinatie een schuldige en verderfelijke praktijk noemt! Vader zei...’

‘O allerliefst Annètje!’ denkt Cloese.

----------------

Het volk in Amsterdam golft voorbij, leest de bulletins, vergeet het voor eigen belangen. Er is zorg. Er is nu weer deze gevreesde ziekte, die mismaakt voor het leven. Die moordt schoonheid en frischheid en bloei....

Ze zijn angstig - zien in vrees elkander aan - de besmetting. Maar in vaccinatie gelooven ze niet. Niet aan dokters, niet aan hygiëne, niet aan voorbehoedmaatregelen. Ze spotten over het gemeentebestuur, dat de groote trouwkamer derde klasse heeft beschikbaar gesteld voor vaccinatie. Ze tieren over een commissie die in voorbereiding is, om den arme den strijd te leeren tegen vervuiling en ziekte. De vrouwen in de Jordaan schelden: ze zullen die wijven wel buiten hun deur houden!

Ze hokken in hun vuilste nauwe straatjes, hun slechte woningen. Berustend. Ze lachen zoolang de dood er niet is - maar de vrees blinkt in hun even-schichtige oogen bij het gerucht van een nabij ziekte-geval.

 

Door Europa gaat de verademing, de verontwaardiging, de spanning. Honderd millioen oorlogsschatting is alleen Parijs opgelegd. 't Gansche leger krijgsgevangen binnen de stad. In Engeland beweert de oorlogspartij, dat zoodra Duitschland met een natie in oorlog

[p. 196]

komt, Frankrijk het direct naar de keel vliegt. Het zal altijd op de loer liggen om wraak te nemen. Hoe zal het ooit vergeten dien smaad: de kroning van den Duitschen Keizer in Versailles!

En dan begint een nieuw geluid de wegen langs te gaan - beklemmend de harten.

Duizenden en nog eens duizenden stappen van vermoeide, gewonde voeten - de stap van een overwonnen geslagen volk, waarvan de echo dreunt door Europa, en zich in de ooren, in de harten vastzet. Voor jaren. Voor immer.

Eindelooze stappen die leiden naar de vestingen in het vreemde, vijandige land. Op de wegen, gedrenkt in bloed, weegt deze laatste jammer. De stappen, hopeloos, gedwongen, die gaan - als werden zij tegengehouden zoo zwaar - over de grenzen - op vreemde wegen - langs vreemde huizen - steden door en dorpen - waar vreemde taal wordt gesproken....

In Zwitserland is de uiteengespatte Oostarmee geïnterneerd. En in Neuchâtel klinkt door den nacht de eindelooze, sloffende stap der binnenrukkende gelederen. Het is geen leger meer. Uitgehongerd, naakt, de kleeren verscheurd, de voeten ongeschoeid. Woest alles dooreen loopend, rijdend. Artillerie op magere afgebeulde beesten, tusschen mobielen en linie-soldaten. Zoo trekken zij binnen de vredige stad.

Uit de huizen, de veilig-bewaarde van een land in vrede, kijken verschrikte oogen neer op sombere zwartgebrande gezichten, die vijandig opstaren. Magere klauwen grijpen toe, waar zij kunnen....

De stappen - de eindelooze stappen - dagen en nachten - gaan voort......

terug  begin  verder