terug  begin  verder
[p. 197]

X

VOOR Fransje Goldeweijn was met de lente een nieuw leven begonnen. Zij bloeide mee met haar zonnigen bloementuin. Geknield zocht zij, moeielijk ziende, in het gras de sneeuwklokjes en crocusjes - betastte voorzichtig de knoppen der tulpen en hyacinthen.

En boven haar hoofd stond er de oude knoestige pereboom, die zijn bloesems boog naar het kleine tuinhuis - met twee aucuba's aan den voet van 't trapje.

Een tuin! Ze had eindelijk in deze groote bedompte stad een tuin. En frissche lucht - zóó kon je naar buiten loopen, zonder eerst hoed en mantel te moeten halen. Net als vroeger in Monnikendam.

De donkere tijd van ziekte en leed lag achter haar. Als een willige bloem zocht zij de late zon. En met het kleine Fransje speelde zij, genietend als het kind - sleten zij heele dagen samen met bloemetjes plukken, gieten, het bordesje op en afklauteren....

Alleen was daar een nieuw dienstmeisje inplaats van de trouwe Leen, die zooveel met haar mevrouw had doorgemaakt. Leen was eindelijk met haar Janus getrouwd, en woonde in een proper huisje in de Goudsbloemstraat.

Later op den middag kwam dan Annette met haar jongetje, Francientje halen. En zij zaten weer als vroeger, ieder aan een kant van het raam. Keken uit over het Frederiksplein.

‘Wat dit alles veranderd is,’ zei Fransje. ‘Weet je je nog te herinneren het oude Amstelgrachtje met den Steenen molen? Zoo gaat al het mooie water weg uit de stad. En in de Kalverstraat kan je niet loopen tot aan de Osjessluis - daar komt asphalt.’

Dikwijls ook ging Annette naar mevrouw Bremer. Haar beide oudste dochters waren eveneens in Indië getrouwd. Het was stil

[p. 198]

geworden in het eens zoo vroolijke huis. Stance miste zij het meest. Stance, die blij en stralend schreef van een alles vervullend geluk. Het leven van mooie jonge vrouw in de Indische samenleving.

Maar op den Voorburgwal, waar de zware vrouw met de brieven in haar zwarten schoot stil aan het raam zat, waar Annètje kwam om te praten over vroeger - daar leefde de oude Stance ongerept voort.

 

Leedebour ging door Amsterdam. Muziek zong in zijn hoofd.

‘Hoe heerlijk is April in Amsterdam,’ dacht hij. Teer, jong groen sluierde over de grachten, en van den Dam vlagde het roodwit-blauw in de zomersche lucht. De Koning was in de stad - om den Dam was het druk. Hofrijtuigen reden aan.

‘Was het denkbaar dat in Parijs het moorden nog voortging - daar was de burgeroorlog op zijn hevigst.’

Hij had in Frascati een lezing gehoord van een Franschman, Jules Lermina, over ‘Le Siège de Paris.’ Later had hij met hem gesproken. De Franschman had geciteerd de woorden van Hugo:

 
Vous êtes comme un feu qui dévore les blés.
 
Et vous tuez l'honneur, la raison, l'espérance.
 
Quoi! D'une coté la France, et de l'autre la France!

Hij had ook verteld hoe een geweldige samenzwering tegen de Commune was ontdekt. De schilderijen uit de musea zijn naar Londen gebracht.

Leedebour dacht aan dit alles. ‘Het zijn Bakounins gedachten, ontelbaar vele in brieven en brochures uitgesproken - belichaamd thans als levende duivels losgebroken. Zaden zijn het geweest, uitgeblazen op den stroom van den tijd, en ontkiemd zoodra de bodem vruchtbaar was.

Bakounin, had hij gehoord, kon zelf niet in Parijs komen. Frankrijk was voor hem gesloten. In Duitschland was hij vogelvrij. Hoe verwrongen was het brein, dat niet zag het abnormale doen van de Franschen, die onder de oogen der Pruisen in de forten, zelf hun land verscheurden!

“Ze zeggen dat Parijs brandt. Dat de Tuilerieën zijn ingestort - het Palais Royal, de Sainte Chapelle vernield. Zullen we er nog ooit komen?”

Door de Kalverstraat slenterde hij, keek naar een aanplakbiljet. Max Bruch ging komen in Mei voor Amstels mannenkoor. De Lorely - de Frithjofsage met Deckers en mevrouw Schade als solisten - 't kon goed worden.

In de Warmoesstraat bleef hij voor een kleinen boekwinkel staan,

[p. 199]

zijn aandacht getrokken door een portret van Georg Sand. Hij stond verrast: een die meeleefde met den dood van de groote vrouw - wou getuigen. Een novelle van haar, Césarine Dietrich liep nog in de Revue des deux mondes.

Geboeid keek hij verder: alles actueel. Hans Wachenhusen “Mijn Dagboek van den Fransch-Duitschen oorlog als correspondent van de Kölnische Zeitung.” Opzoomers rede: “Het recht van Duitschland ook nà Sedan.”

“Leven en werken van de Van Harens” door Van Vloten.... en daar - caricaturen; waarachtig Fransche oorlogscaricaturen. Waar haalde de kerel die vandaan....’

Hij keek op naar den naam boven de winkeldeur: De Roos - stapte binnen.

Hij vond een bleeken donkeren jongen man, misschien jonger lijkend doordat hij zoo tenger was, die hem koel vroeg wat er van zijn dienst was. Leedebour begon meteen over de caricaturen - tegelijk merkte hij op in den winkel een groot portret van Marx.

De jonge man liet meer caricaturen zien. Een ervan geïnspireerd op Da Vinci's Laatste Avondmaal: de vrijheid in scharlaken gewaad en muts in het midden zegt: ‘Een van u zal mij verraden.’ Rochefort, Favres en Trochu protesteeren, en Thiers kijkt listig schuins het vertrek in.

‘Er wordt wat met de vrijheid gesold,’ lachte Leedebour.

‘Er is maar één ding dat Parijs en de vrijheid redden kan, dat is de Commune. Vanuit Parijs zal de heele wereld worden bevrijd.’

‘Met hun vernielzucht, hun moorden?’ glimlachte Leedebour. Hij was gaan zitten op het matten stoeltje.

‘Wàt vernielen ze! Wàt vermoorden ze! Het oude, verrotte - dat afgedaan heeft. Alleen op de puinhoopen van het oude kan je een nieuwe wereld bouwen.’

‘Puinhoopen lijken mij een wankele grondslag,’ zei Leedebour.

‘Hoe komt u zoo opstandig, jonge man?’

Toen barstte Karel de Roos uit in zijn mengelmoes van onverwerkte kennis - over Marx, Bakounin - Lassalle....

Leedebour luisterde geduldig. Eindelijk zei hij alleen:

‘Mijn waarde - kent u de klassieken?’

‘Neen. Ik.... weet te weinig - ik heb te weinig geleerd,’ zei Karel verbitterd. ‘Maar ik weet wèl, dat alles in de wereld verkeerd is, en dat er alleen door absolute vernietiging van het oude een nieuwe wereldorde komen kan,’ en hij sloeg door over zijn dichters-socialisten in Duitschland.... begeerig zijn eigen gedachten te uiten, die hij hield voor oorspronkelijk en merkwaardig.

[p. 200]

Leebebour zat er een uur. Toen hij eindelijk wegging had hij aangeboden met Karel de oude culturen door te nemen....

‘Voor mijn eigen plezier - ik ben namelijk geen socialist,’ zei hij fijntjes glimlachend.

Op straat dacht hij:

‘Op deze manier voorthollend, zou die lang niet domme kerel zijn boekwinkeltje en zichzelf en zijn moeder erbij, op een dag in de lucht laten vliegen alleen om den Koning te vermoorden.’

 

In vele Mei- en Juni-avonden zaten zij samen. En hier groeide uit Karel De Roos een ander mensch. Hier was hij in de omgeving van een rijp bezonken geest. Een omgeving die hem rust gaf, omdat ze van nature hem aanverwant was.

Hij leerde ontzaggelijk veel van Leedebour. Een kort maar helder overzicht van de oude beschaving met zijn hoogtepunten, zijn nedergang. En al wat groote geesten in dien tijd beroerd had. Hij leerde hem zien de groote lijn, die nergens raakt aan toevallige verschijningen als Beets of Van Lennep of Bosboom zelfs. Die loopt hoog boven hun hoofden.

Hij leerde hem zien, hoe al de grooten in hun philosofie, hun kunst, hun wetenschap gelijk gedacht hebben, hetzelfde gezocht hebben: de gemeenschap. Hoe wat de Commune op het oogenblik meende te moeten doen: verstoren al het oude, dwaasheid en gebrek aan kennis was. Want een nieuwe wereld kòn nooit anders dan altijd weer oprijzen op de fundamenten van het beste uit al de eeuwen te voren - waar over het hoofd der middelmaat de waarlijk grooten elkaar den fakkel overreikten. Die ook in onzen tijd weer gegrepen werd.

De gemeenschapsidee heeft Christus al gegeven. De grooten hebben altijd het ideaal helder gezien. Maar de middelmaat haalt het neer, en in de handen van het gemeen wordt het verkeerd toegepast. Zij die opbouwen - elk kan bouwen in eigen bescheiden leven - dat zijn de eenigen wier leven niet verloren is.

Er ontspande zich iets in Karel De Roos. Zijn geloof in de noodzakelijkheid van geweld gleed van hem af, als een mantel die hem niet paste; hem had vermoeid en uitgeput.

Op den avond van den vijfden Juni, toen de luwe zomerlucht door de opgeschoven ramen binnenstroomde, lazen zij samen wat de correspondent van de Daily News schreef: de verschrikkelijke wraak van de Versaillers over den moord op de Place Vendôme.

Op de Buttes Chaumont hebben de Rooden gevochten, wanhopig door drie legers omringd, tot hun ammunitie op was.

[p. 201]

Die niet sneuvelden - de gevangenen - werden met mitrailleuses gedood.

Thiers spreekt van schitterende krijgsbedrijven.

Zij zaten stil. De geluiden van den zomeravond in stad kwamen gedempt naar binnen. Zoo vredig, gerust alles. Zij zagen beiden dat andere beeld, zooeven in hen opgeroepen:

Lange rijen vermoorden op Père la Chaise, met een laag kalk overdekt - mannen en vrouwen in één doodslaap. Duizenden ongesloten oogen naar den koelen zomernacht.

Karel De Roos staarde.

‘Dus alles voor niets. Al het bloed, het lijden - alles -’

‘Schijnbaar. Niet wat zij beoogden hebben ze behaald: wat Bakounin hoopte: dat de Parijsche Commune, zelfs àls zij vernietigd werd, misschien juist daardoor, heel Europa met revolutie zou besmet hebben. Maar iets anders zal de oogst zijn van al dit lijden - dat onze oogen misschien niet zullen zien meer. Ik ben overtuigd, dat niets in ons leven ooit geheel vergeefsch is.’

Karel zat stil. Zijn blank hoog voorhoofd gefronsd in pijnlijke rimpels.

‘Als je dàt zeker wist. Dat wat je te lijden krijgt, ergens goed voor is. Als je dàt wist....’

Hij worstelde. Op dezen zomeravond, die al wat hij gedroomd had en gehoopt met een onverdragelijke pijn zoo levend in hem opjoeg - werd het verlangen ééns zich te uiten - tegen een man - hem te machtig.

‘Ik moet het eens zeggen - ik heb zoo alleen getobd - mijn moeder wou ik er geen verdriet mee doen. Maar ik kan nooit meer in een mensch gelooven. Als iemand je doet, wat.... wat zij me gedaan heeft....’

De oudere man zei zacht: ‘Een vrouw?’

‘Ja. We waren altijd samen - we hoorden bij mekaar. Ja, we hóórden bij mekaar, dat wàs zoo. Haar vader was wel dokter, maar ze kwam altijd bij ons in den winkel. En ze hield van mijn moeder. Van toen ze een klein kind was leefde ze met ons mee.’

Zijn stem verstierf - om hen heen donkerde de kamer. Lantaarnlicht van de gracht viel langs den muur. Leedebour kon Karels gezicht niet meer onderscheiden. Hij schrok op, doordat de jongen, zijn hoofd in zijn handen, plotseling onbeheerscht zijn ellende uithuilde.

‘Ze was zoo lief. Ze was zoo mooi. Als ze maar een beest van slechtheid was geweest, maar ze was toch ook zoo goed....’

‘Is ze getrouwd?’

[p. 202]

‘Zoo'n vent - een rijke kerel. In een paar maanden. Ineens bleef ze weg. En toen ze weer kwam.... toen was ze heelemaal veranderd. Dat had hij gedaan....

Toen heb ik een poos het gevoel gehad, dat de socialisten de eenigen waren die me nog na stonden.... maar op den duur helpt dat ook niet. U is de eerste die me helpt. Maar hoe kàn het meneer, hoe kàn het, dat je samen bent, en alles samen denkt en doet, en dat dan de een zich door een vreemde laat weghalen....’

‘Een vrouw kan dat,’ zei Leedebour.

‘Niet iedere vrouw. Mijn moeder niet.’

‘Mijn moeder liep van mijn vader en ons weg, toen we klein waren,’ zei Leedebour bitter. ‘En Truida, mijn zuster, laat me alleen; ik heb een vreemde huishoudster moeten nemen.’

Ze zwegen. De jonge man had het hoofd opgericht, staarde met zijn roode oogen moe naar buiten. Leedebour ging voor het raam staan, verzonken in eigen gedachten. Toen riepen de zacht heen en weer bewegende takken van den boom voor 't huis zijn aandacht. Hij keek naar buiten. Zijn stad streek over zijn hart, verzachtte met haar schoon alle leed.

‘Is een stad in den zomeravond niet mooi?’ zei hij. ‘Napoleon heeft eenmaal gezegd: Je ferai d'Amsterdam la plus belle ville de l'Europe, weet je dat? Toen ik gisteravond van mijn vriend Craets op de Weteringschans naar huis wandelde, dacht ik daaraan.’ Hij peinsde voort.... schrok plotseling op, doordat hij De Roos naast zich voelde.

‘Ga je nu al?’

‘Goedenavond meneer -’ zei Karel. Zijn stem was koud, met een vijandige klank alsof hij den ander met geweld op een verren afstand hield.

Leedebour dacht, toen hij weg was: ‘Hij heeft nu al het land dat hij zich liet gaan. Ik had hem niet tot vertrouwen moeten làten komen. Ik had de deur dicht moeten trekken eer hij binnen glipte in zijn stemming. Morgen geneert hij zich.’

 

Den volgenden dag schreef Karel De Roos, dat hij hem dankbaar bleef voor al wat hij van hem geleerd had, maar dat hij tot zijn spijt den eersten tijd verhinderd was door drukke bezigheden te komen.

terug  begin  verder