DANK zij den heer Van Lier hebben wij nu tenminste dan voor drie maanden een Fransch tooneelgezelschap,’ - schreef Leedebour in zijn tooneel-critiek.
Hij poosde. ‘Den hemel zij dank. Tusschen al dat Hollandsche burgerlijk gedoe op ons tooneel, weer eens te mogen kijken naar den geboren komediant, den Franschman.
Wat de oprichting van het Nederlandsch tooneel geven zou, of dit werkelijk de herleving eindelijk zou brengen van ons nationaal tooneel? Driessens en Tjaassens met hun buitenlandschen bombast er uit. Dat er eindelijk eens iets gebeurd was in een nieuwe richting, dankte men aan Schimmel, die begrepen had dat het tooneel-bestuur van den hoofdschouwburg moest komen aan mannen buiten het tooneel, van goede maatschappelijke positie; en eindelijk was met de sleur van den Raad, die maar jaar in jaar uit den schouwburg verpachtte aan denzelfden, gebroken.
Dit nu - met Tivoli in de Nes ernaast voor het lichte genre van vaudevilles en operettes. Mevrouw Spoor-Geijtenbeek, geschapen voor zulke rollen, een magnifique stemmetje.
Bij Boas en Judels Louis Bouwmeester en zijn zuster. Ach, zoo konden we nog wel eens goede tooneeljaren gaan beleven in Amsterdam.’
Iemand klopte. Van Dugten keek voorzichtig om den hoek. Sinds de schouwburgkwestie was er eenige wrijving tusschen hen geweest.
‘Neem me niet kwalijk, Amélie dacht over de Misanthrope bij Van Ollefen, hoe is dat?’
Leedebour hief zijn handen op, schudde heftig het hoofd.
‘Maar mijn hemel - wat bezielt jullie de Misanthrope te gaan
zien daàr! Och, er is veel goed - maar Van Ollefen heeft 't fijne in de rol van Alceste niet gevat. Mevrouw de Vries als Célimène is voortreffelijk - ze is in gang, gebaren, mimiek, werkelijk femme du monde, de grande coquette, maar er mankeert altijd wàt aan: ze kan haar waaier niet gebruiken.... De ronde zeventiende eeuw-sche waaier is minder makkelijk te hanteeren dan de uitslaande van dezen tijd - die iets bevallig afwisselends aan de geste geven. Trouwens ze moeten dat alles leeren, onze actrices, bij de Françaises. Welke vrouw kan als een Fransche vrouw den zakdoek dragen. Wie kan haar sleep waarlijk rhytmisch doen golven en ruischen. Wie kan zoo gedistingeerd opstaan en weer gaan zitten. Wie kan er als zij, spelen met haar lorgnon, haar waaier....’
‘Ja, ja - nu we zùllen naar Van Lier gaan.’
‘Doe dat. Want die vertaling van De Misanthrope!....
En “Fernande” in den Stads-schouwburg? Als je de rol van Clotilde hebt gezien door mevrouw Beersmans - als je denkt aan de nuanceering, aan haar standen, de harmonie en de zuiverheid van lijnen, de volle buigzame groote stem - ja dàn mist mevrouw Kleine-Gartman te veel. Zij is natuurlijk een goede actrice. Maar haar stem, haar mimiek, haar gang - het is ontoereikend. Zij staat ook dichter bij de komedie dan bij de tragedie. Morin is goed als Pomeral. Maar mijn hemel, de kleeding van onze acteurs! Als ik je vertel dat in Fernande de dames dansen met.... roode onderrokken aan. Ze hadden er natuurlijk niet op gerekend zoo dicht onder het voetlicht te komen - en de regie had moeten zorgen dat dit niet gebeurde. Mevrouw Pomeral, juffrouw Verwaert, sloeg zich soms op haar dijen dat 't klonk als een klok. Een ongekend treffend middel zeker om hevige jaloezie uit te drukken!’
Van Dugten lachte.
‘Nu we gaan naar Sardou's Nos Intimes. De Craetsen gaan ook met hun Fransche logés.... Een interessant vrouwtje, madame Corin!’
‘Zoo? We zullen dan het pikante verschil kunnen zien tusschen Fransche en Hollandsche schoonheid.’
‘Dat Annètje is totaal veranderd - een mondaine vrouw opeens geworden.’
‘Ja.... mondain? Uitgaand zeker. Maar haar bekoring is juist dat zij nooit mondain wordt naar den geest....’
Na afloop van de voorstelling bij Van Lier vereenigde zich een
klein gezelschap bij de Craetsen met hun logés: Juliette Lepiteau en haar echtgenoot.
In de groote voorkamer ditmaal had Annètje laten dekken. En met een beheerschte voldoening constateerde zij hoe goed het kleine feest liep.
Dezen winter was iets nieuws wakker geworden in Annètje. De plotselinge bewustheid - alsof ze tot nu toe langs het leven was gegaan - dat zij een mooie jonge vrouw was. Wetend haar charme, haar macht. Het had in haar geslapen, was slapend gebleven door het geweld van eenvoud in haar ouderlijk huis, waarin ze gelukkig en tevreden bleef - haar snel opvolgend moederschap in haar huwelijk daarna. Haar vaders dood had haar losgelaten uit dat oude verband. Het was verlies geweest, leegte - alleen had zij gestaan met haar verdriet, dat zij niemand volkomen kon doen begrijpen. En toèn - in een soort verweer misschien, was die andere eigenschap naar boven gekomen, vroeger slechts getoond in onschuldige meisjesachtige voldoening op de eenvoudige partijtjes - in den omgang met Karel - die haar nu plotseling dezen winter in haar kringen tot een persoonlijkheid maakte.
Het was een nieuwe vrouw die naast Frederik ging. Het verraste en verbijsterde hem. Nog altijd was zijn Annètje een meisje geweest. Had niet iemand verleden winter op een soiree bij de Van Dugtens hem gevraagd:
‘Wie is dat allerliefste meisje daar toch?’
En zijn trots was diep en vreugdig toen hij antwoordde:
‘Maar dat is mijn vrouw.’
Dat was Annètje met haar bruine pijpekrullen om haar bloesem-blank gezichtje - met de heldere groote kinderoogen en den trotschen gevoeligen mond.
Maar na de geboorte van haar tweede kind was zij een andere. Bloeiender, wat zwaarder geworden, scheen zij grooter. Een groote vrouw nu als haar moeder, met een nieuwe eigenaardige uitdrukking in haar oogen.
Zij was niet meer het Annètje, dat verlegen werd om al de dingen waarover zij niet meepraten kon. Sterker kwam naar voren wat haar vroeger al belangwekkend maakte: een lichte verzwegen spot - een puntig woord - rustige onverschilligheid voor al wat haar vreemd was. Mannen, vooral oudere, trok het geweldig aan, deze mengeling van bewuste overwogenheid en onschuld.
In Frederik ontwaakte wat hem tot nu toe vreemd was: de prikkel der jaloezie. Dikwijls denlaatsten tijd, als hij haar omringd en gezocht zag, wàs hij niet meer voldaan en trotsch. Trilde in hem het ongeduld
haar mee te nemen naar zijn huis - haar alleen voor zich te hebben.
Maar Annètje was hem, den wereldman, ook hierin de baas. Op een avond brak zijn jaloezie uit, hield hij haar toen zij thuiskwamen opeens tegen, trok haar als een groot kind op zijn schoot.
‘Je bent van mij,’ zei hij hevig, ‘alléén van mij - hoor Annètje...’
Ze lachte. Haar vrouwelijke list had haar zelfs in haar ervaring-loosheid altijd den juisten weg gewezen. En terwijl ze haar krullen-hoofdje tegen zijn wang vleide, bedacht ze tevreden dat geen enkele van al die mannen haar iets schelen kon - dat ze zich door hen het hof liet maken - ja waarom - alleen omdat ze het aardig vond. Want Frederik, de eerste die een nieuwe wereld in haar had vermogen wakker te maken, bleef haar de eenige.
Maar dat zei ze hem niet. Ze aaide haar zachte wang op en neer langs zijn gezicht, en wist plagerig dat ze daarmee zijn onrust niet doofde. Ze bedacht wel-voldaan dat dit ook niet moest. Want zij zag zeer goed hoeveel charme Frederik had voor iedere vrouw, en zij vroeg zich soms verwonderd af, hoe zij, onnoozel onbehagelijk kind dièn man had veroverd, zonder moeite, zonder begrip, zonder bedoeling - half weerstrevend zelfs.
Haar schoonzusters, als oude meisjes uitgesloten, hoorden nochtans door hun kennissen van Annettes triomfen. Louise's mond trok smadelijk - de donkere oogen blikten hard onder de lage oogleden.
Annette ging er noodgedrongen heen. De zusters hadden een uit-gebreiden, maar zeer behoedzaam uitgelezen vriendenkring om zich weten te vormen. Deftige oudere dames meest - bijna altijd stond er in het visite-uur een coupétje of equipage voor de deur. Een paar dominees ook die in de mode waren. Maar wanneer Annette de schemerige, duf ruikende suite in haar modieuse kleeren binnen-ruischte, bracht zij een sfeer mee, die Louise hoogmoedig teruggetrokken, Adolphine met onrustig blikkerende oogen nerveus praterig, en Carolientje aanbiddend en verrukt deed zijn.
Louise, statig, recht in haar stoel, converseerde beminnelijk - haar vorstelijk donker hoofd, met de slappe, vroeg oude trekken sterk gelijkend op het portret der Fransche grootmoeder achter haar aan den wand. Die keek met een fijnen, licht verbitterden spotlach boven het roekeloos diep uitgesneden décolleté, op het gezelschap nazaten neer.
Maar Annette, van diè bezoeken, landde afgemat en toornig op haar hoog bovenhuis aan.
En eenmaal dacht ze:
‘Ik word nooit meer opgetild.’
Ach, maar de tijd was veranderd. Zijzelf was een andere geworden, dan die tegen haar vriendje Karel de aardige bizondere dingen wist te zeggen over wat haar beroerde. Een ander Annètje - mevrouw Annette Craets - die thans aan haar tafel, gedekt met het oud blauw, door moeder vanavond afgestaan - met het familiezilver, het kristal, dat eenmaal de groote ronde tafel in Monnikendam had gesierd - kalm verzekerd, als gastvrouw voorzat.
‘En het was knap,’ dacht Frederik, dacht Cloese, dachten de Van Dugtens en Leedebour, ‘om zóó kalm en zelfverzekerd daar te zitten als je zóó gebrekkig Fransch sprak.’ Want ter eere van de gasten werd het heele tafelgesprek in het Fransch gevoerd. En Annètje, die wèl vrij goed verstond, nam er weinig deel aan.
Juliette Lepiteau, het frêle bewegelijke donkere vrouwtje, met het mager bruin overpoederd gezichtje, zocht met de oogen telkens de Hollandsche vrouw, die haar den charmanten aanbidder in één zomer had ontroofd. Zij nam het niet tragisch, Juliette - ze had kort daarop den jongen firmant Corin gehuwd - voor de zaak was dat zeker beter. Een landgenoot....
De bewegelijke oogen zochten in een niet te onderdrukken nieuwsgierigheid het Hollandsche huis af. De kamers, de inrichting, de kinderen - keerden telkens terug tot de vrouw. Een echte Hollandsche - groot - zoo iets als een Germania - ja Hollandsch en Duitsch was toch immers eigenlijk hetzelfde, al werden de Hollanders woedend als je dat zei....
Dezen avond, beiden in avond-toilet, bezagen de donkere snelle oogen van Juliette - de wat hoogmoedige, licht bruine van Annette, elkaar telkens even - scherp en nauwlettend. En Juliette dacht:
‘Deux enfants déjà - mon Dieu....’
Corin betrok zijn gastvrouw beleefd in het gesprek. Hij vond haar dezen avond uitzonderlijk bekoorlijk in haar zeer lage japon, het fijne dunne middel rank gebleven onder den wat zwaren boezem. En zij was buitengewoon blank - hij had nooit zulke mooie ronde slanke armen gezien. Dan vertelde hij van het beleg, van de pétroleuses - den verwoeden strijd in Parijs gedurende de zomer-maanden - de afschuwelijke kuilen met ongebluschte kalk bij het Luxembourg, bij den toren van St. Jacques, waar de neergeschoten slachtoffers in vielen - mannen en vrouwen....
Hij zag aan Annètjes oogen, dat zij hem gevolgd had. Romantisch van aard, spande zij zich in om dit te verstaan. Wijd van een schrik, een zoo bewogen meeleven waren deze heldere oogen, dat hij doorsprak, alleen om ongestoord in deze klare vijvertjes te kunnen staren.
Op eenmaal trok ze met een lichte beweging terug - hij be-
greep dat ze plotseling zijn aandacht bemerkt had. Ze sloeg de oogleden neer, de kleine mond trok iets hautain op.
‘Très, très femme -’ dacht Corin.... Hij zweeg - even in de war.
‘Men zegt,’ zei Craets, ‘dat eigenlijk dat heele verhaal van de pétroleuses verzonnen is - dat nooit één geval werkelijk is bewezen.’
Maar Juliette, fel, viel in:
‘Mais oui! Het is bewezen! Kleine kinderen zelfs gingen rond met petroleum, gooiden het in de huizen. Niemand durfde iets open te laten, iedere reet werd dichtgestopt. De angst, dien we hebben uitgestaan. Ah, c'est bon, c'est très bon, qu'ils sont tués tous!’
Frederik keek haar aan.
‘Mijn hemel,’ dacht hij, ‘de onbeschaafdheid, de ruwheid van zoo'n fijn vrouwtje. Daar ben ik aan ontsnapt.’
Zij voelde zijn blik, en keek hem tartend aan. Over het blauw porcelein, het zilver, het kristal - over dat alles, wat zoo sterk was de sfeer van het Hollandsche leven - knepen haar oogen zich iets dicht. En zij las in de zijne zijn gedachten.
Zij had een moue. De malicieuse, die hem als amant al driftig maakte en aantrok tegelijk.
Maar nu keek hij haar vast aan. In zijn gezicht, dat den laatsten tijd het jongensachtige had verloren, een lichte spelende trek van afweer. Het was een kort duel, waarin de vrouw verloor.
Zij wendde zich tot Van Dugten, die geanimeerd begon te vertellen.
Amélie boog zich naar Annètje.
‘Wat is je tafel beeldig,’ zei ze in het Hollandsch. ‘Wat een smaak heb jij, Annètje, voor die dingen. Weet je dat ik vandaag Caroline tegenkwam met kleine Frans? Het kind is sprekend je moeder.’
Frederik zwoegde met zijn Fransche gasten de bezienswaardigheden van Amsterdam af. Als zij thuis kwamen was er de huiskamer, Annètje, de kleine kinderen.
‘Die Hollandsche vrouwen zijn niets dan moeder,’ zei Juliette. ‘Zij zal er zeker zes krijgen.’
‘Ik ben overtuigd dat het haar voortreffelijk zal staan,’ zei Corin.
‘Ah - oui - een mooie vrouw bien sûr - zoo groot - zoo blank - en zoo traag - en zoo dom....’
Corin dacht aan de diepe, heldere, kuische oogen. Hij zei niets.
‘Zij lijkt op haar moeder. Een boerenvrouw.’
Hij dacht, dat hij die oudere vrouw met haar geweldige vitaliteit prachtig had gevonden. Maar hij zei weer niets.
‘Zij blijven nog één dag langer,’ zei Frederik op de slaapkamer tegen Annette. ‘Ik weet niet of je het verstondt.... ze....’
‘Ik houd niet van menschen in mijn huis die een taal spreken, die ik niet ken,’ zei Annètje onverwacht driftig.
‘Je hebt je toch dapper geweerd,’ ontweek hij diplomatiek.
‘Is hij op dat mensch verliefd geweest,’ bezon Annètje, geïrriteerd en nieuwsgierig. Maar ze had eerder haar tong afgebeten, dan zelfs maar gevischt.
Frederik lachte in zichzelf. 't Was hem lief dat zij een beetje jaloersch bleek. 't Was heel goed.
De Fransche gasten vertrokken met allerhartelijkste dankbetuigingen. Frederik bracht hen naar den trein.
In de vigelante dacht Corin, hoe Annètje daar gestaan had: zeer bevallig, zeer vriendelijk, een beetje hautain. Achter haar de wieg. en in haar wijden rok drukte zich het mooie kleine meisje.
‘Vermeer, De Hoogh, leven nog in de vrouwen van dit land,’ dacht hij.
Deze Amsterdamsche episode zou voor hem een zeer bizondere herinnering blijven.
Op het kussen wipte Juliette.
‘Dat was voorbij. Oh, hoe moe was ze geworden deze dagen! Nooit weer zoo'n bezoek aan een ouden amant, die degelijk huisvader geworden was. Alles zoo braaf, zoo dierbaar, zoo edel - zoo vervelend. Morgen liep zij in Londen.’
De volgende dagen lachten Frederiks blauwe oogen schelmsch.
Annètje wist zoo meesterlijk, zoo absoluut afdoende te zwijgen over de Fransche gasten.