terug  begin  verder
[p. 229]

XIV

LOUISE CRAETS sloot haastig de luiken aan de voorzijde, al was het op den twaalfden September met dit schoone heldere herfstweer niet geheel donker nog. 't Scheen veiliger avond te maken. Het volk van Amsterdam, verbitterd al om het raadsbesluit van Mei, waarbij de kermis werd afgeschaft, was geheel oproerig geworden nu de overheid bevel gegeven had de tentjes en gebouwtjes af te breken op het terrein van de Keizerskroon buiten de Raampoort, waar een groot kermisfeest zou worden gevierd.

Van Dugten in den gemeenteraad, had het hoofd geschud, heftig tegen betoogd. Er was niet geluisterd. En van eind Augustus af had het dreigbrieven geregend aan den Raad, oproerige aanplak-biljetten plekten overal plotseling aan de muren.... Hij had gewild dat Amélie de Septembermaand buiten bleef, niet geheel gerust voor zijn huis - maar zij had geweigerd, en alleen zich deze dagen niet op straat begeven.

Den ganschen dag, onder de stralende blauwe herfstlucht, was de stad onrustig en woelig. Op de Beurs trommelden de kinderen, maar uit de Jordaan, uit de sloppen en stegen achter de Burgwallen, uit de buurt van de Nieuwmarkt trokken al in den middag troepen jongens en meiden naar 't hart van de stad - verspreidden zich langs de Heeren- en Keizersgracht, oproerige liederen zingend.

Op den Dam, in den vroeg vallenden avond, in de Kalverstraat, op het Thorbeckeplein werd het vol. En voor het huis van den burgemeester klitte een groote menigte nieuwsgierigen, gapend en jouwend, opgejaagd door aanhollende, zingende benden.

De groote grachtenhuizen, achter de paarse ruiten, sloten de luiken.

[p. 230]

‘Laten we maar op de zaal gaan zitten,’ zei Louise Craets, ‘dat is rustiger. Je kunt nooit weten....’

Op hetzelfde oogenblik drongen ze alle drie verschrikt op elkaar. Een bons op hout, gekletter van glas op straat, en een gejoel uit honderd kelen.

‘Wat moeten we beginnen!’

Uit de keuken holde Mijntje jammerend aan.

‘Het is niet hier. Zeker bij den burgemeester,’ mompelde Adolphine.

Nu hoefgekletter dat aandreunde - hoog vrouwengegil, gevloek - dan rennende, wegvluchtende voeten.... verwijderd gerucht....

Louise en Adolphine, bleek, zagen elkaar aan - dan om zich heen.

‘Waar is Caroline....’

Caroline had niet gewacht, was al doorgeloopen naar de achterkamer - in die wonderlijke onverschilligheid, den laatsten tijd over haar gekomen; een andere, dan het frissche argelooze Carolientje, dat voor vijf jaar met heimelijke levens-idealen had gelogeerd op de Weteringschans. Die thans in een opstandige onachtzaamheid haar toilet verwaarloosde, haar bezigheden in huis verrichtte zonder eenige belangstelling.

Nu zat zij daar reeds lang aan de tafel geschoven toen Louise en Adolphine binnenkwamen.

Louise was bezorgd. ‘Wat kon je niet verwachten van het gemeene volk.’ Gedachten aan de Commune, de Fransche revolutie, spookten op - en zij zei met den pathetischen wrok, dien al wat man was haar inboezemde:

‘Want als ze eenmaal de baas zijn, is geen vrouw hun heilig.’

Zij ergerde zich aan Carolientje, die niet onder den indruk scheen. Wat dat kind bezielde! Een paar dagen geleden had zij een scène gemaakt, om een vuilen straathond die hier op de stoep zat te janken, in huis te mogen halen. Zij, Louise, verkoos geen vuile beesten in huis! Een kanarievogeltje dat was nog wat anders, maar een hond! En daàr om te huilen....

Nu ontmoette zij op Carolines rond gezicht dezelfde wegdwalende onverschilligheid, als toen zij na de scène haar jongste zuster vol vergevende liefde genaderd was.

‘Als Frederik maar niet op straat is, Phine.’

‘Dat zal toch niet....’

Een doffe slag beukte de voordeur - even loeide gejoel, dan werd 't weer stil.

[p. 231]

Adolphine zat voorover gebogen, de handen in den schoot. Los waren gesprongen de phantasieën, die altijd op den loer lagen.

‘Geen vrouw hun heilig....’

Zij zag: groote donkere kerels de deur forceeren en binnenstormen. Voelde zich ruw gesleurd, in harde armen bezeerd en gekneusd. Zij wist een gezicht - met de oogen van Marcel - vlak bij het hare, een gloeienden adem op haar mond - het was in het tusschengangetje van het huis in Utrecht. Zij gaf zich over, verpletterd in de onbarmhartige omhelzing....

‘Phine!.... Phine!! hóór je niet?! Er wordt gescheld! Wat moeten we doen....’

Phine zat recht geschokt. Vurige plekjes brandden op haar wangen.

‘Zit je te suffen, Phine? Is dit een moment om te droomen? Blijf bij de zaak!’

‘Ik....e....’

‘Ben je bang?’

‘Neen, neen -’ prevelde ze.

Carolines oogen gleden zonderling onverschillig langs hen beiden.

Een oogenblik stond Louise bevangen in een vreemd besef van verlatenheid. Haar groot, donker, vorstelijk gelaat staarde naar haar zusters.

Door de kier, die de ketting van de voordeur liet, gluurde Mijntje angstig naar buiten - haakte dan snel verlucht den ring los.

‘Meneer Frederik....’

‘Ja, ja -’ Hij liep vlug de gang door, licht en onbezorgd, kwam de achterkamer binnen, een wereldsche jonge man. ‘Zoo kinderen, ik moest eens zien hoe jullie het hadden.’

‘Frederik - kom je er dóór??’

‘Waarom niet? 't Is afgeloopen. Zijn jullie gemolesteerd, jullie voordeur heeft een bluts. Bij den burgemeester is het erger, en twee huizen verder liggen alle ruiten op straat. Maar ze zijn uit mekaar gejaagd, de gracht is afgezet. Er is eigenlijk niets gebeurd. Als ze nu Thorbecke's standbeeld in de gracht hadden gegooid, dan had ik dàt zoo erg niet gevonden!’

‘Maar Frederik!’

‘Welnee. Ik vergeef Thorbecke nooit dat hij de stad bedorven heeft door ons mooie IJ dicht te gooien met zijn monsterlijke Centraal-station. Hij is voorgegaan in al dat vernielen van stadsschoon, waar nu geen paal of perk meer aan te stellen is. Moet je Oom Pieter over hooren.... Enfin, jullie kunnen gerust gaan slapen. De schutterij heeft het meevallertje vannacht te mogen aantreden en overal te worden ingedeeld. Er is cavallerie en infanterie aan 't patrouilleeren,

[p. 232]

schrik maar niet als je vannacht paardenvolk hoort.... Phine ziet er wit van. Ben je zoo geschrokken, Phien?’

Adolphine zat slap in haar stoel teruggezakt. Haar schichtige kleine oogen stonden dof, vermoeid; een uitputting trok haar mager gezicht hoekig en smal.

‘Maar Caro kijkt of de heele zaak haar koud laat.’

‘Dat doet het,’ zei Carolientje bot.

Frederik lachte. Op de bisbilles van zijn zusters onderling, ging hij nooit in. Zijn leven, zijn denken was vol van zijn jong gezin, van zijn werk....

Hij zag niet den blik, waarmee Caroline hem volgde toen hij wegging.

‘Daàr in dat huis was alles wat zij zoo verlangde....’

----------------

Thuis vond hij Annette en zijn schoonmoeder in de huiskamer.

Fransje wond zich op.

‘Ze hebben gelijk!’ riep ze heftig. ‘De kermis, dat is het plezier van het volk. Daar sparen ze een heel jaar voor. Waarom moet hun die afgenomen worden! Om dat beetje dronkenschap? En wat krijgen ze ervoor terug? Was Blanus niet prachtig en al die mooie kramen! Die stakkerds hebben niet anders. Die kunnen niet op reis gaan en naar dure opera's.’

‘Wat een oproerigheid!’ lachte Frederik zijn ergernis weg. ‘Maar als ze in uw huis de ruiten ingooiden, als ze hier....’

‘'t Is mijn huis niet,’ dacht Fransje Goldeweijn, ‘en 't wordt het nooit. Maar wat kan je eraan doen.’

Zij liet een ritsje steken vallen van haar breipen, tobde om ze weer op te rapen.

‘Als Frederik binnen bleef, ging ze maar vroeg naar boven.’

Zoo ging het menigen avond.

Annètje zei dan: ‘Gaat u al, moeder?’

Maar zwakjes.

Boven op haar eigen kamers scharrelde Fransje nog uren rond; en Annette als zij het licht onder de deur zag, werd door schroom weerhouden binnen te gaan. Steeds nog deed het haar aan als een daad van geweld, de oude meubels van thuis hier te zien staan. En zij moest denken aan den avond van de verhuizing, toen zij haar moeder had vinden zitten in vaders grooten stoel, met haar hoed nog op, een roerende hulpeloosheid in haar houding.

‘Ik ben blind,’ snikte ze, ‘ik ben blind - ik weet hier geen weg...’

En toen voor het eerst allen dien dag verzameld waren om de

[p. 233]

groote tafel in de huiskamer, toen had Annètje op eenmaal een gevoel van schuld gekregen, waarmee ze geen raad wist:

‘Dat zij niet meer alleen waren, Frederik, zij en de kinderen. Dat moeder geen eigen huis meer had. Dat als zij maar helder gezien had en de dingen juist aangevoeld, dit niet gebeurd zou zijn.’

Maar toen zij na tafel Francientje naar oma zag toehollen, en Philip oma's andere hand greep, en zij zoo gedrieën naar boven trokken, meende zij dat er toch nog veel goeds ook uit komen kon....

 

Het leven ging aanstonds ruimer, royaler in dit huis. Dien eersten vroegen warmen zomer al, kwam het muziekpartijtje in den vooravond bijeen in den tuin, om later te trekken naar den grooten salon. Den ganschen dag speelden er de kinderen, liep Fransje Goldeweijn voorzichtig schoffelend langs de paadjes en zat den langen middag op de bank onder de beuk.

Hier kwam Amélie van Dugten het zonnige pad af - elegant, onhollandsch in haar donkere schoonheid, onder den grooten witkanten parasol. Kwam Line Bergema spits en zuurzoet in stemmig wandeltoilet, en ratelde over haar kinderen, de booien, de praktijk van haar man. Kwam Truida Leedebour, die in den oorlog haar haren had laten afknippen en nu een soort romeinschen keizerskop vertoonde, waarom de straatjongens haar uitjouwden, de mannen in concert of komedie spotten, de vrouwen hun neus optrokken.

Nadat Leedebour vier huishoudsters versleten had, nam Truida stug toegevend, haar intrek weer bij hem. En met totaal verschillende inzichten over alles, leefden zij thans met elkaar in betrekkelijken vrede.

Leedebour had er zich bij neergelegd nu eenmaal een malle zuster te hebben, die aan emancipatie deed - een vriendin van Mina Kruseman en Elise Baart. Maar in zijn tooneelcritieken nam hij wraak, schreef hij snijdende, spottende, hekelende artikelen over deze ‘nieuwe vrouwen’, laakte openlijk wat hem in haar gruwde. Tegelijk voelde hij wel geïnteresseerd de teekenen van een nieuwen tijd die geboren was. Had niet op het Congres der Internationale te Bern de Belg De Paepe gezegd, dat de Hollandsche arbeiders een politieke actie voorbereidden voor algemeen stemrecht? Het zat in de lucht. Een nieuwe maatschappij was komende, maar hij gunde er de vrouwen geen plaats in.

Aan den feestmaaltijd in het Paleis voor Volksvlijt, ter viering van de opening van het Noordzeekanaal, zat hij in de buurt van Quack;

[p. 234]

die had juist het eerste deel van zijn belangrijk werk ‘De Socialisten’ gepubliceerd; in oude behoudende kringen wekte het veel ergernis. Hij hoorde hoe de president curator hem interpelleerde over het begrip vrijheid - en Quack met vuur betoogde: ‘waàr was het onderscheid of men iemand als slaaf tot werken dwong, dan wel hem vrij liet, doch zijn werkkracht onderwierp aan een economische wet, die deze kracht verlammen kon. In beide gevallen was de “mensch” uit het oog verloren. De slavernij deed het rechtstreeks, de oude economie zijdelings. Men mocht zijns inziens de economie niet opvatten als een leer der mate-rieele rijkdommen.’

De ander zweeg ontstemd.

Onder het naar huis gaan praatte Leedebour met Van Dugten na. Zij groetten den ouden Pieter Craets, die zich haasten moest voor zijn trein naar Bussum.

Hij was moe, maar voldaan. Hij had den tocht van de opening van den Zeeweg meegemaakt, en achter den Koning staande, tevreden bedacht, dat thans eindelijk de groote wensch van den Amsterdamschen handel vervuld was. En nu wat saai alleen naar 't station gaande, wist hij, hoe hij zich toch slechts in zijn eigen oude stad thuis voelde. Want hij was verwonderd gaan merken: niets van Bussum, dat dorp waar hij nu woonde, kon hem een zier schelen.

Maar dat zei hij niet tegen Sophie. Hij had haar achtereenvolgens met haar tafeltje, haar sleutelmandje, haar handwerk, alle ramen zien afreizen. Tot zij eindelijk zich genesteld had voor het venster, waar zij in de verte nog juist iets van den weg kon zien. Maar in het koepeltje zat zij diep ongelukkig, ontredderd, plichtmatig op mooie zomerdagen, en dacht aan haar ruime koele tochtvrije kamers op de Keizersgracht.

Leedebour sprak tegen Van Dugten over de belangstelling van veel intellectueelen in de arbeidersbeweging - ongetwijfeld was de tijd er rijp voor....

De advocaat luisterde, een spot tintelend in zijn kleine verstandige grauwe oogen.

‘Maar die andere slavin, die jij niets gunt?’

‘Ik geloof,’ zei Leedebour, ‘dat jij feller geëmancipeerd bent dan één vrouw. Erger dan mijn malle zuster.’

‘Dat zegt Amélie altijd. Maar jouw “malle zuster” Jacob, is een wezen van vleesch en bloed, dat voor haar natuurlijke bestemming vecht.’

‘Maar mijn hemel, waarom maakt ze zich zelf dan met dien afge-

[p. 235]

knipten kop tot zoo'n paskwil. Het is de caricatuur van een vrouw, dat rechte jongenslijf - die korte haren.’

‘Een béétje liefderijker, Jacob,’ zei Van Dugten. ‘Het is toch het eenvoudigste menschelijk recht, dat de vrouwen die om welke reden dan ook, niet huwden, een tegenwicht zoeken om te blijven staan. Ten einde niet omgesmeten te worden in een lang eenzaam ontmoedigend leven. Vergeet niet: geen enkele beweging in de wereld is ooit ontsprongen uit de bevredigden. En geloof jij niet, dat de vrouwen evengoed mee zullen bouwen aan de nieuwe samenleving?’

‘Neen,’ zei Jacob Leedebour bitter. ‘Die soort vrouw bouwt niet, die breekt af.’

De niet bevredigden! Was hij bevredigd soms? Was zijn leven met een vrouw als Jeanne - een goed, hartelijk schepsel, een oolijke grappige vogel was ze, maar verder dan ook niets - géén ontbering? Truida was hem aangevallen laatst over die verhouding - dat hij haar niet trouwde. Ach, wat wist zoo'n meisje van die dingen. Trouwen - Jeanne? hij dàcht er niet aan. Er was één vrouw, waar zijn hart naar hunkerde, sinds zij uit Indië teruggekomen was - Stance Bremer. Verloren, geen kans. En hij ging naar Annètje Craets en haar moeder, en zat in een weldadige rust bij die beiden. Die gezonde, echt vrouwelijke vrouwen, - die mooie oude vrouw vooral met haar gullen lach en haar breeden schoot, die hij in haar intellectueele onwetendheid en onberedeneerden sterken levensmoed zoo prachtig vond. En bij haar kwam een kant in hem los, die weinigen van den sarcastischen scherpen Leedebour kenden: een kinderlijke eenvoud, een begeerig plezier in kleinigheden.

Fransje Goldeweijn, in de vereenzaming, die haar altijd beklemde in 't huis harer kinderen, wijl zij er zich te betoomen had in haar dwaasheden, haar uitbarstingen, haar uitgaven, haar wonderlijke genoegens, voelde zuiver snel in Leedebour een vriend die haar critiekloos genegen was. En hem vertelde zij als zij den kinderen vertelde, van haar jeugd, van Monnikendam - van de vroolijke pleziervaarten. Maar ook van 't leven in Amsterdam, op Het Water eerst, later op den Voorburgwal - onbekommerd, zooals zij zelden meer sprak. Want wel stonden op haar kamers de oude meubels als vroeger gerangschikt - de groote Voorbeelden hingen weer boven het tafeltje met het boek over den Hortus - het blauw porcelein stond op den schoorsteen, maar toch was alles anders, al richtte zij een enkele maal nog een koffiepartijtje hier boven aan. Frederik zag hen de stoep opstommelen vanuit zijn kantoor: ouderwetsche burger

[p. 236]

dames, en hij kon de ergernis nauwelijks verkroppen, dat zoo iets griezeligs in zijn huis gebeurde.

Tusschen Frederik en zijn schoonmoeder bleef het gewapende vrede. Zij vergaf hem nooit, dat hij haar de vrijheid had ontnomen, den mooien eigen tuin met de hyacinthen en tulpen en het aardige tuinhuis. En de visites ook waren hier voor Fransje het ware niet meer. Zij voelde duidelijk dat Frederik en Annette deze maar nauwelijks duldden.

Mijn kennissen, die jullie niet goed genoeg zijn.’

En ze trok in een rancune met een vaart soms weg, als beneden gasten kwamen. Maar spoedig lokte te sterk de heerlijke gezelligheid van gepraat en gelach - onweerstaanbaar werd zij weer uit haar afzondering getrokken. En als ze binnen kwam met haar alles verwachtenden blijden lach, haar groote oogen die schenen te zien, was zij in haar kinderlijk vertrouwen op een verheugde ontvangst onweerstaanbaar. Amélie van Dugten kwam naast haar zitten, en liet zich honderd uit vertellen van dingen die haar niets interesseerden, maar de donkere warme oogen keken in dat andere vrouwengezicht, en ze zei tegen Van Dugten:

‘Ik luister nauwelijks naar haar gebabbel - ik hoor alleen dat goede kinderlijke hart.’

Met Bergema had Fransje zich lang verzoend. Al bleef haar jaloezie licht op te wekken, wanneer Line Bergema blufte op de groote praktijk van haar man. Dan werd Fransje kwaad en zweeg, met een enkele spitsen uitval naar de jonge doktoren, die 't maar makkelijk hadden, allemaal reden, vacanties namen naar 't hun goeddacht. En soms dan, kon midden in den vroolijken avond een gevoel van verlatenheid over haar vallen. Dacht zij aan den grooten, stillen, hard werkenden, strengen man, die voor haar gezorgd had en bij wien zij toch alleen maar hoorde.

Zoo schoof de winter voorbij, den nieuwen zomer in.... Over Amsterdam beierden den derden Juni de klokken van alle torens: Koningin Sophie was gestorven, de stille intellectueele vrouw, met de heldere warme belangstelling - die door Amsterdam gereden was in haar sjaal, ernstig, stroef.

Fransje Goldeweijn in den tuin beluisterde geboeid het klokkenspel. Zij dacht aan een zonnigen dag lang geleden, toen zij met Annètje den intocht gezien had van den Koning, na den Watersnood. En voor haar venster zat mevrouw Bremer en dacht aan haar man. Er was dien morgen een brief gekomen van Stance - ach, die brieven waren altijd zes weken oud. Zij schreef, Otto bleef sukkelen. De doktoren wilden hem naar Holland hebben.

[p. 237]

De kleine jongen was gezond, met zulke lieve, blauwe oogjes. Een wonderlijk zoet kind.

De zware vrouw keek uit. Het leven was stil geworden. Naar Artis ging zij soms, betaalde als vreemdelinge - zocht in de kooien de apen, de vogels, die Bremer meegebracht had van zijn laatste reizen. Vroeg den oppasser als zij er een miste....

Nu leefde alleen nog maar de groote blauwe papegaai.

Zij stond lang voor hem, stak haar vingers door de tralies, om hem te krauwen. Maar hij beet venijnig naar haar, en zij dacht in een heimwee hoe aan boord, en thuis nog, hij dit vinnige dier liefkoosde. Welk een wonderlijke macht hij over elk beest had gehad.

Als zij weer buiten kwam, stonden haar oogen jong, wijd - iets in haar gezicht had zich ontspannen....

Laat op dien middag kwam eindelijk Annètje.

‘Zullen we Stance weer gauw hier hebben?’ zei de moeder en zuchtte bekommerd.

De vreugde haar kind weer te zien, werd verduisterd door de gedachte waarom zij kwam.

‘Otto zal hier wel opknappen. Het is die warmte zeker waar hij niet tegen kan.’

Annette vond haar moeder nog in den tuin. Met het kleine Fritsje op schoot, deed zij geduldig alle spelletjes die de kinderen wilden. En zij zong de ouderwetsche liedjes:

 
‘Schuitje varen, teetje drinken -
 
Varen we naar de Overtoom.’

En 't liefste:

 
In de winkel
 
Bij Sinkel
 
Is alles te koop....

De kleintjes Sophietje en Fritsje waren haar troost. Want niet langer waren de twee Fransjes, als vroeger eensgezind. Francientje, schoolgaand kind nu, was bijdehand en nesterig geworden, bekritiseerde oma's slordige uitspraak, oma's onwetendheid in veel zaken, die in het ouderlijk huis naar voren kwamen. En vooral oma's opvliegendheid en vlugge boosheid brachten het lichtgeraakte kind in opstand. En tegenover grootmoeders onmiddellijk vergeten, haar dadelijk verzoenende houding, wrokte het kind. Dan had de oude Fransje bitter verdriet. Zij was het grootste kind van de twee, en haar thans bijna volslagen blindheid zette haar op een eiland van afhankelijkheid.

[p. 238]

Zij schuifelde naar beneden, naar de keuken, zich vervelend in haar werkeloosheid, en de goedhartige Neeltje vroeg of mevrouw soms wat erwtjes wilde doppen.

Tegen Neeltje ook kwam mevrouw Goldeweijn soms los over haar leed.

‘In een anders huis ben je een doeniet. Toen ik alleen woonde, kwamen de kinderen graag bij me. Hier heeft oma afgedaan.’

Annette, als zij dit hoorde, had er een diep verdriet van; en zij strafte Francientje driftig en streng als zij haar op een onvriendelijkheid tegen oma betrapte.

In de vroege warmte van den voorzomer vond Frederik zijn vrouw bleek en slapjes, en hij huurde voor de zomermaanden een kleine villa dicht bij oom en tante Craets in Bussum.

Voor Fransje was dit een ongekende weelde, een vreugde zoo groot, dat zij er haar schoonzoon bijna genegen om werd. Frederik hield niet van buiten; met dezelfde overtuiging als Louise kon hij beweren, dat de boomen op de Keizersgracht, in Artis, en in het Wandelpark even mooi waren. Maar hij had er plezier in dat zijn Annètje hier zoo opbloeide. Zij verloor het zorgelijke, prikkelbare van dezen ganschen winter, werd weer een jonge frissche vrouw met een gezonde kleur, vol plezier elken dag in nieuwe buitensche avonturen. En 's avonds legde zij wel haar hoofd tegen Frederiks schouder, en vroeg een beetje plagend, of hij het erg eenzaam had - een beetje nieuwsgierig en berouwvol ook. Maar zij kon niet helpen dat zij het als een verlichting voelde hier eens met moeder alleen te zijn, niet voortdurend in den tweespalt tusschen die beiden te leven.

Tante Sophie op haar uitkijkpost, zat te turen of niet een der bekende groote of kleine gedaanten verscheen. Er was elken dag nu een mogelijkheid. En zij werd voor het eerst verzoend met den koepel, omdat de kinderen juist daàr zoo graag wilden spelen - er al hun speelgoed heen sleepten.

Dan werd de oude Fransje weer jaloersch - schreide even - vergat. Want de dagen waren zoo vol van heerlijkheid: zon, frissche lucht, vogels, bloemen en lange wandelingen. Haar sterk gezond lichaam, te veel tot rust gedoemd, rekte zich in 't genot te kunnen loopen zóó lang tot zij moe werd, al moest de donkerste bril het scherpe licht afschutten.

Toen Frederik met de eerste dagen van September zijn legertje weer thuis had, vroolijk, gezond, bruin gebrand, kon hij trotsch en tevreden de eenzaamheid der lange weken weglachen, die moeielijker voor hem te verduren waren geweest dan Annette vermoedde.

[p. 239]

Een der laatste dagen van hun verblijf buiten waren Stance en De Block terruggekomen, hadden hun intrek genomen op een hoog half bovenhuis op de Pijpenmarkt.

En Annette, met de herinnering nog zoo levend in zich aan het ruime buitenleven, voelde zich pijnlijk beklemd, toen zij de hooge donkere trap in een warm huis opklom, waar aan 't eind de geliefde volle stem haar lachend tegemoet riep.

‘Stance - bèn je er weer....’

‘Annètje.... kind....’

Ze lagen in elkaars armen, ontroerd van vreugd. Dan liep Annette meteen naar het jongetje, dat daar stil speelde op den grond, nam hem op en streelde zijn vreemd, puntig hoofdje.

‘Zijn oogjes zijn mooi blauw, hè? Maar 't is toch zoo'n kleine slaapkop, dat weet je niet,’ zei Stance. En Annettes vlug moederoog ontdekte wat ze niet zei: ‘Dat de loome bewegingen van de kleine vingers zoo doelloos schenen.’

In de kleine voorkamer, eenvoudig gemeubeld met overschot van meubels uit het Bremerhuis - zaten ze samen. Otto was uit, en Annette keek over al die bekende dingen naar Stance's gezicht: mooi, bloeiend, de blauwe oogen, ondanks den niet te dooven lach, doortroebeld van zorg.

‘De dokter denkt dat Otto in elk geval een langer verlof zal moeten hebben. Daarom hebben we ons hier maar ingericht.’

Otto kwam thuis, en Annette schrok. Zoo mager geworden, zoo vaalgeel - zij zag zijn hand beven toen hij een glas opnam. En hoe wonderlijk was hij gaan loopen....’

‘Kom jullie eens een avond? Of eten?’

‘Als moeder op Dolfje kan passen. Ik heb gen hulp. Ja, ik moet je mooie huis toch zien, Annètje, jij deftige mevrouw!’ En ze kuste Annette innig.

Thuis vond Annette haar moeder met een rouwbrief op haar schoot.

‘Wat staat erin? Wie is er dood?’ vroeg Fransje ongeduldig.

Annette nam den brief.... ‘Mijn geliefde moeder, Jacoba Eliza De Roos....’

Karels moeder. Ach.... Karels moeder. Karel de Roos.

Zij hoorde niet dat haar moeder sprak. Ze stond met den brief in haar handen. Keek naar 't adres: aan de familie geadresseerd.

‘We zullen een kaartje sturen.’

‘Schrijf jij geen briefje? Ik zou er wel graag heen willen gaan, maar ik kan niet alleen.... Wil jij niet met me gaan?’

Voor 't eerst zei Annètje op een verzoek van haar moeder neen.

‘Neen moeder, ik ben er immers nooit meer geweest.’

[p. 240]

Dien avond schreef ze een kort briefje, ook uit haar moeders naam. En al schrijvende leefde de boekwinkel, de kamer daarachter, met Karel en zijn moeder voor haar op.

's Avonds draalde ze lang bij het uitkleeden. Zij zat peinzend voor haar toilet, draaide haar bruine krullen om haar vinger en keek in den spiegel.

Zoo wonderlijk dichtbij was op eenmaal vandaag het oude leven bij haar komen staan. Met Stance en Karel De Roos.

terug  begin  verder