IN den porceleinwinkel ving Annebet Kooistra de laatste woorden van Roest, die woedend over het plaatsje de schuur indonderde:
‘En géén vuile soozejaal zal hier bij mijn het brood eten! De jongen is eruit - jij zal d'r ook uit als je niet inbindt!’
De groote knecht werkte zenuwachtig, zwijgend voort. Zijn pezige handen grepen even voorzichtig het breekbare goed uit de kisten, al hamerde het in zijn rooden kop van drift en verontwaardiging.
‘Maar er wàs met den baas niet te praten ommers. Hij had hem al zes keer zeker verteld dat het Algemeen Werkliedenverbond stijf tegen de socialisten sting. Gaf niks. Dat een werkman in 't fatsoendelijke opkwam voor zijn rechten, zijn rechtmatigen arbeidstijd, een rechtvaardig loon - dàt verdroegen de bazen van den ouden stempel niet. En dat je nog zoo'n angst most hebben om niet op de keien gezet te worden - na twintig jaren hier gewerkt te hebben...’
Annebet ging de straat op, in haar hart bezorgd om Leentjes man. De jongen, die zoo willig haar boodschappen deed, was ook weg. Eens was zij hem tegengekomen, en driftig, opstandig, overtuigd van 't rechtvaardige van zijn zaak, had hij haar gesproken over wat de Socialisten wilden. ‘Als je dàt voelde in je hart, kon je je geen dwang laten opleggen.’
‘Het is de nieuwe geest - een nieuwe tijd,’ dacht Annebet helder. ‘Maar hoeveel kaf was er bij het koren! Zooals die gewezen dominee Nieuwenhuis in zijn afscheidspreek den tekst misbruikt had: “Mijn rijk is niet van deze wereld,” om uiteen te zetten, hoe de kerk het standpunt huldigt, niet van deze aarde te zijn; en daarmede regelrecht staat tegenover het humanisme, dat deze wereld beschouwt als het eenige waarmee we rekening te houden hebben.’
‘Dàt,’ dacht Annebet Kooistra in verzet, ‘als dàt de nieuwe geest
moest beduiden! Neen, van zoo iemand was niets te verwachten. Alsof ook Jezus niet alles gedaan had om de wereld beter te maken, zichzèlf gegeven had, maar mèt die zelfopoffering tegelijk wees naar den hemel....’
Zij stak de druk geworden straten door naar de Keizersgracht. Vandaag was het kleine Francientje jarig.
Toen zij den salon binnenkwam, tengere ouderwetsche gedaante, werd zij even verlegen. Daar vond zij niet alleen Frans en Annètje, maar een heele visite. Daar zaten de drie tantes van de Heerengracht, die bogen stijf en hoogmoedig....
Daar zat ook Truida Leedebour, en mevrouw Van Dugten. Amélie, die een boekje met aardige verhaaltjes voor kleine Frans had meegebracht.
‘De kinderen hebben tegenwoordig heel andere boekjes dan wij,’ zei Annette. ‘Wij hadden zedepreeken, hoogstens Van Alphen - al is daar soms ook wel een lief versje in.’ Zij bladerde in het boek met plaatjes en versjes van Gouverneur....
Het jarige kind ging er tusschendoor, verwend en aangehaald, stralend van vreugd hoofdpersoon te zijn. ‘Zoo blond... zoo blond als Frederik,’ dacht Truida.
Maar Amélie hield nòg een boek op haar schoot, als iets kostbaars, gevangen.
‘Hier heb ik nog iets nieuws - de gedichten van Jacques Perk.’ Haar oogen waren warm-donker.
Niemand zei iets. Tot niemand sprak de naam.
Amélie zweeg. Zij dacht: ‘Het mooiste wat sinds jaren in Holland is verschenen. Eindelijk eens een echt vers - een die den sonnetvorm weer gebruikte. Maar wie kende het....’
Ze keek van Annettes kalm mooi gezichtje naar Truida Leedebours jongenskop, waarop de vrouwenhoed, zonder steun van kapsel, wankel te balanceeren stond. Een elastiekje klemde van achteren om de korte krullen voor eenig houvast.
Nu zij plotseling in het licht schoof en Amélie vol aanzag, bemerkte deze hoe scherp Truida's trekken geworden waren. De groote oogen lagen diep. En Amélie rekende rap: ‘Drie-en-dertig was Truida....’
‘Heb je gelezen Amélie, het boekje dat de Huisvrouw als premie geeft? Aanhaling uit Stuart Mill's Slavernij der Vrouw?’
‘Ik heb 't boek van Stuart Mill zelf gelezen, een paar jaar geleden,’ zei Amélie - ‘we lazen het samen, mijn man en ik.’
‘Is dat niet prachtig?’
‘Er is heel veel waars in.’
‘Veel? Neen alles is waar! De vreeselijkste, ergerlijkste waarheid. Het stuk van Agatha in Onze Werkkring sluit er zich volkomen bij aan: dat voor 't beschaafde meisje geen wegen openstaan dan wachten op een huwelijk.’
‘En wàt,’ zei een spottende mannenstem achter haar, ‘wàt is er opeens voor onnatuurlijks in dien allernatuurlijksten gang van zaken?’
Frederik was ongemerkt binnen gekomen. Hij stond er jong, slank, blond, sarcastisch.
Amélie glimlachte dieper: Craets was de echte man, niet toegankelijk voor eenige emancipatie in de vrouw. De beste echtgenoot ter wereld, maar die de vrouw dan ook volkomen als echtgenoot en niets anders, opeischte.
Truida had een schok gekregen. Een moment werden haar hersenen verward, zoodat zij geen woorden vond. Haar groote handen, die zachte behendige handen, beefden in haar schoot. Dan schoot een verbittering in haar op, zoo fel, onbeheerscht vijandig, dat haar stem oversloeg:
‘Voor jullie het natuurlijkste! Voor jullie mannen, egoïsten! Maar niet voor ons, vrouwen! Die vernederend overgeleverd zijn aan jullie willekeur. Voor den man alles, voor de vrouw niets. Jullie, jullie hebt alle vrijheid - zelfs zoo te leven dat je je vrouw en kinderen ongelukkig maakt. Een vrouw wordt nagewezen als ze alleen in de Kalverstraat loopt op beurstijd....’
Frederiks blauwe oogen knepen klein.
‘Ach Annètje, mishandelde, in je vrijheid geknotte vrouw! Het is goed dat me eens in mijn eigen huis gezegd wordt wat een beul ik ben. Ik heb de waarheid lief. Zèlfs de waarheid van Agatha. Al die aaa's klinken als een oorlogsgehuil uit een wijde keel. Ik ziè ze al, die voorvechtsters met wapperende banier - bekoorlijke amazones in gelederen dreunend door de Kalverstraat op beurstijd. Protestwandeling. Ik zal diep mijn hoed voor je afnemen Truida, als je me voorbij gaat - want jij bent een nieuwe vrouw en ik maar een ouderwetsche man....’
Truida was bleek geworden. Machtelooze gevangene van al wat in haar stormde: haar wanhoop, haar smart, haar woesten wil om er zich aan te ontworstelen, dat alles de baas te worden. Die rampzalige liefde uit haar hart te rukken voor een betere, en wèg te gooien! Zich een eigen weg te banen, en daarmee voor alle anderen, die hetzelfde ondergingen, hetzelfde verschrikkelijke leden.
Fransje Goldeweijn lachte. De luide lach, die eenmaal Annebet
Kooistra in haar even machteloos verweer gehavend had: een luiden spottenden minachtenden lach.
‘O,’ dacht Truida, ‘jullie moederlijke, jullie echt vrouwelijke vrouwen! Jullie die gekregen hebben, hoe weinig weten jullie. Hoe hard zijn jullie.’
Ze keek naar Annette. Die sprak niet mee, zat daar kalm, en trok haar kind aan haar schoot. Dit zwijgen was voor Truida altijd het ergste geweest.
Er was slechts ééne, door haar onopgemerkt, die in haar stoel gedoken, met al haar zenuwen gespannen den strijd volgde. Die haar wrok van jaren lang zag opstaan en leven in deze jonge vrouw.
De oude juffrouw, haar handen krampachtig ineen, dacht: ‘Maar zij zal er zich doorvechten. Zij krijgt de kans die wij niet gehad hebben.’
Dan zat er nog Carolientje Craets. Het raakte haar niet. Het raakte nergens aan haat eigen eenvoudig verlangen naar man en kinderen. De korte bloei toen haar geest opengaan wilde in belangstelling bij al het nieuwe dat zij hoorde en meeleefde - was vergaan en verstorven door gebrek aan voedsel en ook aan eigen kracht. Zij zat er naast haar zusters, benepen in dat zwart zijden, in de vormen geklonken driemansschap.
‘Altijd overal met je drieën binnenkomen, met je drieën zitten - achter elkaar met je drieën de deur uitgaan,’ dacht Carolientje in een afkeer. Maar wat Truida zei raakte haar niet. Ze had geen wrok tegen den man en ze wilde maar alleen het eigen geluk.
Truida Leedebour nam spoedig afscheid. Juffrouw Kooistra stond tegelijk op; een kleine donkere schim, gleed zij mee de kamer uit als Truida's schaduw.
Frederik liet hen uit. Hij boog met zijn uiterst correcten zwier, stond daar met zijn dochtertje op den arm; zijn glimlach was 't laatste wat Truida zag.
‘Oh!’ dacht ze in wanhoop. ‘Bij alles wat ik gedaan heb - toch éérlijk gewerkt en gestreden om mijn zelfrespect te bewaren - zal ik voor hèm toch nooit anders dan belachelijk zijn.’
Op straat pas merkte zij Annebet Kooistra naast zich. Met een afkeer bijna, trok zich iets in haar terug.
‘Twee oude juffrouwen.’
De heldere donkere oogen uit het verwelkte gezicht zagen onderzoekend naar haar op.
‘Ik hoop niet dat het u hindert als ik even met u meeloop. Ik.... 't is me een behoefte u te zeggen hoè ik meeleef met u jongeren, die
eindelijk bereiken zullen waar vrouwen honderden jaren om geleden en gezucht hebben.’
Truida antwoordde niet. Het was haar geen balsem, geen troost. Zij wist zich thans niet de onvermoeide kranige leidster, de veel bewonderde, beminde door vrouwen. Zij wist zich alleen de verworpene door mannen.
De andere, de oogen groot, vochtig, ging door en haar stem beefde:
‘Weet u, juffrouw Leedebour - wij hebben geen stem verheven in onze arme levens, die zoo veel wilden en zoo weinig kregen. Maar ik denk tegenwoordig dikwijls: er gaat in de wereld misschien wel geen stem verloren, die geroepen heeft. Ook geen doodgezwegen stem. En hoe de jaren zoo vol geworden zijn van onze tranen, en onze verlangens, dat het eindelijk in een nieuw geslacht naar buiten breken moèst tot daden. Daarom is dit zoo'n gezegende tijd voor de jonge vrouwen.’
Zij had haar hand uitgestoken en Truida legde mechanisch de hare erin. Zij las in die oogen hetzelfde wat zij op vergaderingen gewend was te zien in honderden vrouwenoogen: vereering, liefde bijna.
Met een gevoel van weerzin trok zij haar hand terug. Zij voelde op dit moment niets voor de glorie van den strijd, waar dit oudere, buitengesloten hart naar hunkerde. Zij zag alleen een beroofde als zijzelf. Zij zag.... haar toekomst.
Juffrouw Kooistra, wat verlegen, zelf ontdaan van haar groote woorden, gleed weg. Truida zag haar nauwelijks meer, een kleine donkere onaanzienlijke gedaante. En gaande zijzelf langzaam op loome moede voeten door de straten der stad, dacht: ‘Wat is de doem, die enkelen van ons bij de geboorte meekrijgen: geen man weten te bekoren? Wat is die verschrikkelijke onhandigheid, die onwetendheid? En zal ooit een met strijd veroverde maatschappelijke gelijkheid dàt te niet doen....? Nooit. Wat is er dan te winnen....
Maar oh! Wat waren dat voor gedachten! Dàn stortte alles in! Een kaartenhuis werd het trotsche gebouw, waaraan zij bouwen wilde met krachtige handen. Waarom had zij dat aardige oude mensch zoo van zich laten gaan? Ze had zich aan haar kunnen sterken.’
Truida Leedebour begon mechanisch den weg te gaan, waarlangs ze juffrouw Kooistra had zien verdwijnen.
Een man groette haar: Heldt, de ziel van het Algemeen Nederlandsch Werkliedenverbond. Een gewezen meubelmaker. Haar gedachten, vermoeid, gingen naar die andere beweging, die der arbeiders - der mannen. Nieuwenhuis hoorde zij spreken in den Algemeenen Bestuurdersbond en Gerhard, de arme kleermaker in zijn kamertje in de Bloemstraat - felle geest die naar de zijde der anarchisten neigde.
Nòg altijd niet door de bezittende klasse erkend als een gevaar - bespot en terzij geschoven ook deze beweging als iets hinderlijks, meer niet. Maar zoo weinig te stuiten als een hoogen vloed, binnendringend door kieren en langs wijde wegen.
Truida Leedebours oogen keken van de brug der Leidsche straat de gracht af. Hoog en strak, ontoegankelijk gesloten stonden de groote huizen. Geen vermoeden daarbinnen, geen begrip, van de ontzaggelijke beroering om Bakounins leer geleden in het verre Oosten, in Rusland. Mannen en vrouwen uit de hoogste standen, warmer van hart, scherper van blik, dieper van inzicht dan hun tijdgenooten, hadden zich de zaak der bevrijding gewijd. Als een wolk bedreigden voortdurend hun dreigbrieven, hun geheime genootschappen den Czaar - werd hun leven haast ondragelijk onder het verscherpt politie-toezicht. Zochten in heimelijke bijeenkomsten jonge intellectueele mannen en vrouwen hartstochtelijk naar middelen van geweld. Zagen daarginds al die oogen maar één weg, zooals de Commune die gezien had: moord en vernietiging om den toestand in bloed te klaren.
De adem der verwachting hing over de groote landen. Maar hier in 't lauw voelende, achterlijke kleine land, lazen de menschen, achter hun veilige toe-vensters 's avonds verontwaardigd en bevreesd een enkel bericht over die schandelijke nihilisten in de couranten.... En Amsterdam bleef wat het was: in zijn schoonheid rustig, onaangetast, doof nog voor wat daar naderde en klopte, dwingend, aan de deuren aller harten.
Truida Leedebours oog zocht in bijna onbewusten haat de lange gracht af - in haar geest gebrand één huis. En haar voortstormende wil brak op zijn muren.