terug  begin  verder
[p. 247]

XVI

HET Nederlandsch Tooneel krijgt den Stadsschouwburg niet te bespelen,’ schreef Leedebour geprikkeld in zijn tooneelverslag - en tusschen hem en Van Dugten kwam het bijna tot hooge woorden over de volgens hem onverantwoordelijke beslissing van den gemeenteraad.

Maar bij Van Lier trok de voorstelling van Romeo en Julia heel uitgaand Amsterdam.

Craets en Annètje hadden Stance meegevraagd. Otto ging niet, vertrouwde zich niet in een volle zaal. En Stance had zich moeielijk laten overhalen. Want Dolfje had tweemaal een hevige stuip gehad; en ongerust, slechts in het weten dat moeder mee oppaste thuis, had zij de uitnoodiging aangenomen. Nu viel haar bloeiende schoonheid op in den kleinen schouwburg, waar zij zat vorstelijk groot met het ongenaakbare dat haar eigen was, zoodra niet haar zonnige lach ieder voor zich innam.

In den foyer dacht Leedebour, beide vrouwen omvattend met zijn blik: ‘Annètje is nòg altijd een meisje gebleven, een mooi statig meisje. Maar Stance is een volkomen gerijpte vrouw. Mijn hemel, en dàt geketend aan dien ziekelijken kerel. Och, hij hoefde er geen gedàchte aan te spendeeren, zij was dol op den vent.’

Boven van het tweede amphitheater keek een donkere bleeke jongemannenkop onafgebroken in de pauzes neer op het kleine bruine hoofd in de derde rij stalles, dat zoo stil en rustig voor zich uit keek naar het tooneel.

Shakespeare's groote liefdestragedie had Karel De Roos onweerstaanbaar naar den schouwburg getrokken; op zijn goedkoope plaats volgde hij, meegesleept door zijn vereerden Bouwmeester, het drama. Hij zèlf beleefde het. Hij was Romeo en zij daar beneden Julia.

[p. 248]

Alles wat hij in jaren hard zorgelijk werken, en tijdens de lange ziekte van zijn moeder met geweld uit zijn gedachten gebannen had, dat sloeg op eenmaal onweerstaanbaar als een vlam naar buiten. Het was verloren - verbleekt ook door het alles opeischende alle dagsleven - ver geworden als een gelukkig visioen uit kinderjaren. Maar op dezen avond, haar plotseling dichtbij wetend, zoodat hij ongezien door haar elke beweging volgen kon en herkende - laaide de oude smart, de oude drift, de oude liefde ook op. Wat hem het diepst kerfde in zijn ziel was de absolute vertrouwdheid, die elk klein gebaar voor hem tot iets vanzelf sprekends maakte. Alsof hij haar nooit verloren had. Alsof zij nòg morgen binnen kon komen loopen in haar grijze jurk, en met haar heldere bruine oogen vol verwachting hem aanzien.

Bij het uitgaan liep hij tegen iemand aan. Hij keek op, kreeg een kleur: ‘meneer Leedebour....’

Leedebour bleef staan. Den samenhang waarom Karel plotseling weg was gebleven had hij nooit vermoed. Maar de oude genegenheid, de belangstelling kwam ook nu weer in hem boven.

‘In làng niet gezien,’ zei Jacobs sleepende neusstem, zijn sigaar laag hangend in zijn mondhoek. ‘Ik moet mijn verslag gaan maken, anders zou ik zeggen: ga mee.’

‘Komt u nog eens kijken bij mij in de zaak,’ vroeg De Roos, in een plotseling verlangen te praten met een gelijkgestemden geest.

En Leedebour beloofde.

 

De Roos liep langzaam naar huis. Na zijn moeders dood was hij zoo eenzaam. Het verheugde hem Leedebour te hebben ontmoet; hij begreep nu niet goed meer waarom hij zóó hardnekkig hem ontweken had.

De vrouw die voor hem kookte en het werk deed was naar huis. Stil en donker lag de winkel. Voor de eenzame kamer had hij dezen avond haast geen moed; hij stak de lamp aan, kreeg een boek.

Hij dacht: ‘Ik ben een-en-dertig en ik moest nu getrouwd zijn. Zooals mijn kennissen. Maar ik kan geen vrouw onderhouden.’

Hij zat laat in den nacht te lezen: Lassalle's Arbeiterprogramm. Het wond hem niet meer op als vroeger. Hij stond er kalm tegenover - het was iets dat zich nu eenmaal in de maatschappij voltrekken mòest. Maar het sleepte hemzelf niet meer mee.

Opstandig ook was hij niet meer. Hij had te lang de stille, wijze onderworpenheid aan leven en dood van zijn moeder meegeleefd, dag aan dag in haar ziekte, toen zij leed de afschuwelijkste pijnen.

[p. 249]

Hij had haar gebroken stem aangehoord, die zeggen kon: ‘Ach kind, wat ons is opgelegd door den Vader, daar zal een reden voor zijn, en dat hebben we op te nemen. Het schijnt in 't begin te veel; alsof iemand je onverwacht een zware last op je schouders gooit - je valt, je bent het gewicht niet gewend. Maar je tobt overeind, en eindelijk sta je weer, en je leert voort te gaan. Het is.... ja, daàr komt alles op neer Karel: je moet de juiste houding weten te vinden.’

Wist moeder?’ dacht hij dikwijls. ‘De lieve onderworpene en toch zoo sterke....’

‘Jouw houding is niet de opstandige, Karel,’ zei ze eens, ‘de jouwe is als de mijne: werken in eigen omgeving.’

Toen Leedebour werkelijk na een paar dagen binnenliep, spraken zij samen als vroeger. Karel vertelde openhartig van zijn zorgen.

Later was Leedebour teruggekomen en had hem het voorstel gedaan: een kennis van hem kon op zijn kantoor een kwieken, jongen man gebruiken. Een positie met goede vooruitzichten. Was deze winkel niet een hopeloos getob? Eenzaam en zorgelijk zijn leven?’

In Karel De Roos sprong het op: zijn jeugd die eischte. Een goed inkomen - trouwen - een gezin. Eindelijk het leven bemachtigen! Geen angsten meer voor wissels - je salaris opsteken iedere maand. Oh, 't totaal andere leven. Léven! Al 't andere achter je laten als een droom. Practisch, normaal leven.’

Een grenzenlooze dankbaarheid tegenover Leedebour vervulde hem. Voor den tweeden keer was die op zijn weg gekomen, weldoend, reddend. Hij liep de stad in als de winkel gesloten was, en overlegde waar hij zou gaan wonen. Wonderlijk! Hij stond stil, en ademde diep. Hij had altijd gedacht: hij hoorde nu eenmaal in dien winkel in de Warmoesstraat. Nu was de heele stad van hèm! Hij kon overal wonen! Hij werd een meneer die 's avond zorgeloos flaneerde, niet tobde over den dag van morgen. Ergens zou een huis zijn - zijn huis - waar een vrouw op hem wachtte - kinderen.... Hij zou zijn deel hebben aan 't leven.

De nieuwe toekomst vulde zijn dagen, deed hem door zijn huis gaan, zijn winkel, met het gevoel of hij daar reeds mee afgerekend had.

Maar op Oudejaarsavond ging hij door de Kalverstraat, keek voor een boekwinkel, ergerde zich plotseling. ‘Daar lagen nu niet eens de gedichten van Perk - nergens te zien! Raymond de Schrijnwerker jawel, van Maurik - nòg eens van Maurik - ja dat was de groote man, de lieveling van het publiek.... In de hoogte

[p. 250]

Multatuli - een beetje weggestopt. Maar hèm kregen ze niet voor die goedkoope successen. In zijn winkel tenminste zou hij vechten voor den nieuwen geest, die met Perk in de Gids was gekomen - dien Douwes Dekker den grooten stoot had gegeven.’

Hij bleef met een schok stil. Hij zag niet meer de etalage, de boeken. Hij zag: zichzelf zonder zijn boekwinkel, waarin hij van, jongen af gevochten had voor wat zijn liefde bezat. Hoe berooid, hoe arm zou hij zijn zonder zijn eigen winkel, waarin hij pleiten kon, strijden voor het beste van den menschelijken geest. Er zouden honderden boekwinkels zijn in Amsterdam, vòl van Van Maurik, Van Lennep, Agatha, Tollens - maar zijn eigen goed winkeltje daar in de Warmoesstraat, waar hij al het echt mooie kon neerleggen en aan 't licht brengen, dat zou er niet meer zijn.

Hij ging langzaam den thuisweg - hij begon te hinken, als altijd wanneer hij moe of bedroefd was. Dat mooie leven, zonder zorg, tusschen vroolijke menschen - een man die 't goed had, met vrouw en kinderen, dàt kon hij toch niet verloren laten gaan!

Een onverhoedsche windvlaag wierp hem bij den hoek van den Dam haast van de been. Hij keek op naar de wild jagende luchten. Er liep bijna geen mensch op straat. Ja natuurlijk, ieder zat nu thuis bij zijn familie, in zijn gezin....

Hij ging de donkere Warmoesstraat in, sloot open. Zwak en heesch tinkelde de winkelbel boven zijn hoofd - een oude gebarsten stem. Tweemaal in zijn leven had die gezwegen: toen zijn vader en zijn moeder waren gestorven, had hij den klepel vastgezet. Zijn moeder luisterde ernaar in haar ziekbed - haar heele leven had aan die bel gehangen. Zijn vader had erop gewacht.... En hoe jong al was zijn eigen hopen en vreezen met die bel gegaan, als kind dat vroeg de zorgen meeleefde.

Hij stond in den winkel en keek rond. Opgegroeid was hij hier, geleerd was hem hier uit te kijken naar wat de menschelijke geest aan schoonheid bracht. En plotseling kreeg hij het gevoel of hij hier op dezen wachttoren gezet was om een steentje bij te dragen in den bouw van het leven. Wat zou hij daarbuiten zijn? Een kantoorheer, een uit duizenden - met werk dat die duizenden even goed of beter konden. Maar wie zou zijn plaats gaan innemen? Wie zou hem weergeven dit vrije leven, te strijden voor wat zijn geest onverbrekelijk liefhad?

En zijn jeugd-optimisme behaalde ook op het andere de overwinning.

‘Waarom zou de winkel nog niet eens een goeden tijd gaan beleven, dat hij trouwen kon?’

[p. 251]

Toen Leedebour een der volgende avonden binnenkwam, zei Karel, een beetje verlegen:

‘Meneer Leedebour, ik blijf u heel dankbaar - maar ik hoop dat u 't mij niet kwalijk neemt: per slot van rekening kan ik tòch niet van mijn winkel af.’

Om Leedebours sarcastischen mond lag een trek, dien Karel niet goed kon duiden. Spot? Spijt? Maar toen hij hem aankeek wist hij het plotseling: begrip.

‘We spreken er niet meer over,’ zei Leedebour, zoo warm als zelden iemand hem hoorde.

‘En laten we nù nog wat over litteratuur kletsen.’

terug  begin  verder