terug  begin  verder
[p. 257]

XVIII

DE zaal van het Nut stroomde vol. Nog altijd trok Douwes Dekker een groot publiek, werden zijn Ideeën door de jongere generatie gretig gelezen en aanvaard. En zijn onderwerp van dezen avond ‘Strafrecht’ deed zeer velen uit intellectueele kringen toestroomen, al was 't alleen maar om te luisteren naar het meesterschap over de taal, een Hollandsch als niemand anders in Nederland te hooren gaf.

De verouderde vergrijsde figuur op den katheder vuurde zijn niet altijd te verdedigen, maar gespitste aanvallen tegen de juristen af - om dan plots over te slaan met de bekende agressieve heftigheid op het feit, dat in heel Amsterdam de gemoederen vervulde: de annexatie van Transvaal door Engeland.

De luide herhaalde roep om recht uit het stamverwante volk, had een echo gewekt in de kalme Hollandsche harten. Een adres van meer dan tweeduizend voornaamste ingezetenen was gericht aan het Engelsche volk: een beroep op hun edelmoedigheid en rechtvaardigheidsbegrip.

Het was een warmer gevoel dan meestal Amsterdam, het hart van Nederland, bezielde. Dezen morgen ook hadden de couranten overgenomen het stuk van Henry Richard, de bekende voorstander der vredeszaak, die releveerde hoe Gladstone zich niet ontzag de annexatie van Transvaal als onstaatkundig en onrechtvaardig te brandmerken.

Van den katheder wierp Douwes Dekker plotseling zijn aanklacht; recht tegen de welvoldaanheid om 't adres, om comité's die ijverig geld inzamelden voor Transvaal, in. Den plotselingen fellen aanval: ‘hoe men meende in Holland 't recht te hebben te vloeken wat in Transvaal gebeurde, als men voortdurend toejuicht wat in Atjeh gebeurt.’

[p. 258]

Beweging van verzet, verontwaardiging, ging door de zaal. Deze oproerkraaier! Hun heilig huisje, Indië-Atjeh, aan te grijpen! Spot over den onzin smaalde om mannenmonden uit de handelswereld - uit de ervaren oogen der juristen. Een lach van niet begrijpen om deze hersenschimmige beschuldiging.

‘We kònden immers Indië niet missen. We moesten het verzet tegen ons gezag toch fnuiken - dat kon een kind begrijpen. Dat was totaal iets anders dan met Transvaal.’ Koel luisterde men verder, opziend naar den man, die altijd had gewekt wat hij niet bedoelde. Een zaaier met breeden stap gaande over het Hollandsche land - voor de groote beweging uit, welke hij zelf later zou verloochenen als niet bij hem behoorend. Maar geen begrip ging open achter de honderden oogen die naar hem opzagen, waarom een eenmaal tevreden levend volk, plotseling opgestooten uit zijn rust - gedwongen tegen zijn aard, zijn klimaat, zijn religie te leven en vreemde, aan zijn wezen vijandige wegen te gaan - opstond en zich bloedig te weer stelde.

Dekker, in zijn vier-en-zestigste jaar nog even fel en strijdbaar als vroeger, keek in de kalme spottende verontwaardigde gezichten - voelde dat hij hen niet bereikte - eischte onder herinnering aan den Max Havelaar, recht voor het tot woestenij geworden Lebak. Maar te veel verbond zich de gedachte aan zijn eigen leven en Tine met die namen; en Karel De Roos in 't midden van de zaal, de donkere oogen onafgewend gespannen op den afgod van zijn jongensjaren, hoorde achter zich schamper fluisteren over Dekkers particuliere omstandigheden.

Er hing een eenzaamheid om de figuur, die een hevigheid van gevoel had, een dorst naar rechtvaardigheid, door de massa niet getolereerd. En slechts een enkele onder zijn gehoor voelde hoe deze - eerder dan hij, die hier in 't land zou genoemd worden de vader van het socialisme, - in zijn stem het geluid had van den naderenden voetstap op den weg der volken, waarvan eindelijk de echo's ontwaakten in Amsterdam.

Op de derde rij had Annette Craets onbewegelijk zitten luisteren. Voor 't eerst sinds lang greep iets buiten het eigen leven haar met krachtige ontroering. ‘Het was waar, wat deze man zei. Een schandelijk onrecht, en dat hij het durfde zeggen was prachtig....’ Zij zat zóó stil, dat Craets haar zachtjes aanstootte, fluisterde: ‘Zoo gecharmeerd van dezen Multatuli?’ Maar hij zag haar oogen hem aanzien met iets van vervreemding, dan meteen weer zich wenden naar den spreker. Het was een van die momenten, dat zij Frederik ver van zich voelde, en de pijn daarom haar wee en zwak maakte.

[p. 259]

En tegelijk de vreugd, wrang en zalig tegelijk, te worden opgetild in een nieuwe gedachte, die waarheid was - en door die waarheid schoon....

Van Dugten, bij het uitgaan, zag haar oogen wijd met dat kinderlijk gretige en tegelijk afwerend in zichzelf gekeerde. Frederik, licht uit zijn humeur om den kerel, die altijd weer iets nieuws wist aan te randen - een slecht spreker bovendien nog - spotte wat tegen een paar kennissen. De Roos wendde onwillekeurig het hoofd om: hij herkende de stem. Toen plotseling keek hij bij 't snel weer afwenden, terzijde in Annettes gezicht. Een oogenblik zagen zij elkaar aan - verward, peilend. Dan groette Annette hem, warm en onbevangen - of zij zóó zou gaan praten tegen hem. En de vroege jaren waren in hen beiden machtig en onverflauwd, terwijl zij als twee vreemden gescheiden, zwijgend in de menigte naar den uitgang drongen.

 

Den volgenden dag kwam Annette bij Stance.

‘Waarom was je er niet? Ik heb naar jullie uitgekeken.... Multatuli....’

Maar Stance, die haar vriendin verwelkomd had met de gewone warmte, sloeg geen acht op haar praten over de lezing. Haar blauwe zonnige oogen stonden ontsteld, haar mond beefde.

‘Annètje - je weet wel, wat de Indische dokter zei over Dolfjes stuipen.... 't Werd al erger den laatsten tijd - toen hebben we Bergema geroepen.

‘En?’

‘Hij zegt, 't zijn geen stuipen - 't zijn toevallen.’

‘Toevallen!’ schrok Annette wild op. ‘Hoe kàn dat?!’

‘O dat wéét ik niet, dat weet ik óók niet. Ik denk er aldoor over. Hoe kàn 't? Ik ben zoo gezond en Otto toch ook vroeger. We hadden gezonde ouders. Hoe kòmt 't, dat mijn kind niet goed is....’

‘Zou Bergema 't wel weten?’

Stance moest even lachen.

‘Och Annètje, dat ben jij weer! Was 't maar waar. Maar ik zie 't nu ineens zelf. Herinner je je nog, zoo'n ongelukkige jongen, die altijd op den hoek van de steeg bij ons stond? Die soms neerviel? Als kinderen waren we bang voor hem.’

‘O Stance, maar dat.... zoo is 't toch niet?’

‘Ja, zoo is 't wel. Ik heb dien jongen altijd onthouden.’

Ze probeerde zich te beheerschen.

‘Soms hebben epileptici een goed verstand. Ik heb gelezen dat Napoleon ook epilepticus was - en Caesar.... Maar 't schijnt....

[p. 260]

de vorm van zijn hoofdje is ook niet goed - och hij is ook zoo achterlijk. Hij praat nog niet.... Als ik hem vergelijk bij jouw Frits.... Mijn arm diertje.’

Annètje begon te schreien. ‘En Otto?’

‘Die trekt het zich zoo vreeselijk aan. Ik houd me goed voor hem. Ik kan er beter tegen. Ik.... ik vind 't ook zoo erg om 't moeder te zeggen.’

Ze zweeg - zat er groot, geslagen.

‘Wat een kinderen waren we toen we trouwden. Ik weet al lang dat het leven vreeselijke dingen brengt.’

Annètje zei: ‘Leefde vader nog maar. Dièn zouden we kunnen gelooven.’

Thuis vertelde zij het Frederik, zoo ontsteld en bedroefd als hij haar zelden gezien had: De vervreemding van den vorigen avond was vergeten, toen ze troost zocht in zijn armen. Maar er was plotseling iets in zijn gezicht, dat ze niet begreep.

Ze duwde hem terug om hem te kunnen aanzien.

‘Waar dènk je aan?’ vroeg ze dringend.

Maar hij kuste haar zwijgend, zei alleen: ‘'t Is een vreeselijk ongeluk.’

 

De oude Pieter Craets liep van de beurs met Frederik op. Hij blies, rood, zwaaide zijn stok met gouden knop.

‘Vanmorgen moest ik iemand spreken, die daar woonde op den vroegeren Oetewalerweg - dat noemen jullie nu de Linnaeusstraat. Kom je er ooit? Neen hè, te ver. Maar 't is er mooi, ga er eens heen met je kinderen. Dat wordt een tweede Vondelstraat - mooie villa's aan weerszijden. En als de tram er komt, ben je niet langer dan een half uur van den Dam. Nu ja - nu jà, ik moet niet denken aan dien mooien Roomtuin, waar we als jongens heengingen - met zijn koepeltjes en prieeltjes - die gaat weg - ja die gaat ook weg. Er gaat langzamerhand veel liefs en moois weg uit mijn Amsterdam, en wàt krijgen we er voor terug....’

Naar Amsterdam trok bij, vond er op de Groote Club zijn tijdgenooten, zamelde er gretig de nieuwtjes, waar Sophie in Bussum naar zat te springen. Voor de ontvangst van zijn nieuwe jonge Koningin had hij in de Commissie zitting genomen, en zijn rood gezicht had ontroerd zich gebogen voor haar zoo jeugdige, wit satijnen gratie.

Op zulke dagen was je Amsterdammer en niets anders.

Een bulletin trok plotseling hun aandacht. Samen lazen ze, gespannen.

[p. 261]

‘De Czaar van Rusland door de Nihilisten vermoord. Een bom onder het keizerlijk rijtuig....’

Zij zagen elkaar aan, hun gezichten onder de hooge hoeden ontdaan.

En om hen heen liep door Amsterdam de mare: Bommen! Keizermoord! Nihilisten. De kinderlijke vraag ook aanstonds:

‘Hèbben ze de moordenaars? Hebben ze hen?’

‘Dat waren de Nihilisten - dat was wel ver weg in Rusland - in dat half wilde land konden zulke dingen gebeuren, maar hier - hier leefden toch ook hun soortgenooten - de socialisten - boeven en moordenaars ook diè!’

----------------

Daar ginds in Petersburg op den besneeuwden grond weggerold de Keizershelm. Het verminkt bebloed Czarenhoofd tegen de borst van een officier - de slede, de snel, snèlrijdende slede met het bloedende lichaam. En een laatste klacht van de bleeke lippen:

‘J'ai froid -’

Jonge mannen en vrouwen gegrepen - fijne intelligente gezichten, die den moord uitdachten. Galgen, waaraan jonge vrouwenlichamen hangen, roerloos gerekt - gevangenissen waar jonge levens smachten, oud worden, zonder de wereld te hebben weergezien....

De groote hevige gedachte der Nihilisten - die de schoonheid en het geluk aan Rusland brengen zou. Vanuit Rusland over de gansche wereld.

Gefnuikt en gebroken - gemoord aan galgen - begraven in onmenschelijke gevangenissen. De ellende over Europa in de harten van alle broeders der beweging.

‘J'ai froid....’

terug  begin  verder