AMSTERDAMS vrouwen, weinige zeer goed gekleede in rijtuigen, enkele slechts te voet - de rest stijfjes Hollandsch - dromden de Leidsche Straat af naar het Leidsche Plein. Begeerte, nauwelijks betoomde nieuwsgierige begeerte in zedig neergeslagen oogen. Klein bijna alle de vrouwenfiguurtjes, die over straat wandelden dien Septemberdag van 't jaar twee-en-tachtig. De middels dun ingepend, de rok zeer gegarneerd, gingen zij. Niet vlug, dat paste niet voor een dame, te loopen als een straatjongen. Langzaam met bestudeerden stap - den sleep lieten zij achteloos slieren in het stof, want onder den langen fluweelen capemantel ging het opnemen moeielijk. Stonden dan voor het eerste groote confectiemagazijn, Maison Hirsch, door den Franschman Sylvain Kahn geopend.
Dat was heel iets anders dan hun huisnaaisters, dan de groote couturières zelfs maakten! Maar het was slechts te betalen voor enkelen; en jaloersche begeerige oogen keken naar een equipage die stil hield, waaruit een elegante vrouw, kalm, zelfbewust, het modepaleis binnenging.
De schoonzusters Craets hadden er op de Keizersgracht van verteld. Ze waren er binnen geweest met hun vriendin mevrouw Van Breugen uit Zeist, die zich daar liet kleeden. Ze hadden er de nieuwste Fransche façons gezien.
Annette luisterde zwijgend, maar iets in haar werd onrustig. Toen de zusters weg waren nam Frederik haar in zijn armen.
‘Wou Annètje Craets een japon van Hirsch?’
Ze schrok een beetje. Minder, haar eigen begeerte hardop te hooren uiten, dan omdat zijn liefde zóó scherp en vlug in haar las. De neiging zich toe te sluiten, het licht te wenden van haar innerlijk weg, deed haar zich weren.
‘Neen - ik zou alleen.... alléén die mooie dingen wel eens van dichtbij willen zien.’
Hij lachte luid op, zijn onbezorgden jongen lach.
‘Zien? Alleen maar zien?’
‘J-j-j-a....’
‘En waarom zou mijn vrouw niet eens een mooie japon van Hirsch aanhebben, als ze met mij uitgaat?’
Iets in haar sprong nu werkelijk terug. Haar eenvoud.
‘Neen Frederik, het is te duur.’
Hij werd bijna kwaad.
‘Te duur! Dat zal ik dan toch moeten beoordeelen.’
‘Ik ben 't niet gewend.’
‘Je bedoelt, je bent er niet mee geboren. Neen, je bent ook niet met mij geboren.’
‘Frederik doe niet zoo mal.’
‘Ik doe niet mal. Ik sta op mijn recht.’
‘Je rècht?’ Ze fronsde.
‘Het recht jou mooi te zien. Zoo mooi als 't maar kan.’
‘O - Ja. - Dàn.... eh....’ Ze keek naar buiten - keek in haar naaidoos - stond op - drentelde de kamer door - in een gracieus behagelijk bewegen.
‘Zoù ik dan eens gaan kijken bij Hirsch?’
Hij hield bijtijds zijn lach in.
‘Bijvoorbeeld.’
‘Ja, kan 't je schelen of niet?’ Ze keek beleedigd in zijn nu bedwongen onverschillig gezicht, waar de lach doorschemerde.
‘Je moet je eigen zin doen. De gelegenheid is er nu, eens niet te verschijnen in jurken à la Line Bergema, tusschen andere wèl goed gekleede vrouwen. Maar jij moet het weten.’
Ze wist het. Ze ging. In haar eentje, zonder iemand iets te zeggen. Ook aan moeder niet - alsof ze iets verbodens ging doen.
De Fransch sprekende chef joeg haar haast op de vlucht. Boos, of ze in een val gelokt was, keek ze uit de hoogte om zich heen. En het ervaren oog van den Franschman zag plotseling het opmerkelijke van dit ranke vrouwenfiguurtje - het fijne frissche gezichtje.
In gebroken Hollandsch, vertrouwen lokkend, vaderlijk, wees hij haar enkele modellen. Vroeg: wilde madame eens rustig boven zien?
Voor ze 't wist, paste ze. Schaamde ze zich voor haar te degelijk, te hoog ondergoed - keek daarom nog eens zoo hautain.
De Franschman keek naar de schoone schouderlijn, het dunne middel, kwam met een droom van een robe.
Een gloed steeg Annètje Craets naar de wangen. Kon zij zóó zijn?
Zoo gracieus van lijn de taille, de val van den sleeprok - het lijfje - naar een prijs durfde ze niet meer vragen.... deed het eindelijk toch...
Het leek haar ongeloofelijk - maar ze dorst niet terug. Ze nàm de japon, vluchtte in haar verbeelding, maar ging in werkelijkheid uiterst hautain kalm de deur uit, eerbiedig uitgeleide gedaan door den buigenden Franschman.
‘Madame.’
Een wanhopig verschrikt, kinderlijk Annètje stond een kwartier later in Frederiks kantoor.
‘Frederik, o hèlp me - 't is vreeselijk - ik kon er niet meer af - ik versta dien kerel zoo slecht - en 't stond zoo beeldig.... maar...’
Hij was opgesprongen. Het Annètje uit zijn verlovingstijd stond voor hem - aanbiddelijk.
‘Maar liefste - wat is er zoo erg?’
‘Ik durf 't niet zeggen. Ga jij erheen alsjeblieft - of neen, ik zal schrijven - neen, hoe kom ik er nu af! En hij is zoo prachtig - ik wist niet dat ik er zoo uit kon zien. Wat 'n zonde toch - maar hij kost....’
Hij had zijn hand op haar lippen.
‘Niet zeggen. Is de japon mooi?’
‘Oh....’ Een zucht.
‘Schat, wat kan 't me dan schelen wat hij kost! Ik kan van dat geld onmogelijk méér plezier beleven. Dank je wel voor je cadeau.’
Tranen schoten in haar oogen.
‘Ach Frederik, wat ben je vreeselijk lief en goed om 't zóó op te nemen.’
Hij lachte, pakte haar beet en danste met haar door 't kantoor.
‘We hebben een japon - we hebben een japon - pon - pon...’
Annètje had het Stance niet verteld. Dat was heel moeielijk. Want Stance vertelde zij alles. Maar voor deze dure japon schaamde zij zich tegenover de vriendin, die zoo zuinig zelf haar japonnen maakte en vermaakte. Ook wist ze te goed hoe moeielijk juist in dezen tijd Stance het verbeet, dat Dolfje, even oud als Frits, niet naar school kon.
‘Moeder, wat doet dat jongetje van tante Stance raar,’ zeiden haar kinderen. Een enkelen keer op aandringen van Annette nam Stance hem mee. Dan waren de kinderen, gewaarschuwd door hun moeder, geduldig en lief met hem.
Maar Stance en Annette beiden, als zij de kinderen in den tuin zagen spelen, letten den onwillekeurigen schrik op, dien Dolfjes rauwe kreten wekten - de bevangenheid waarmee ze griezelend terugtrokken, als hij met zijn onbeheerschte manieren hen beetgreep
Eenmaal had hij een toeval gekregen, waren de kinderen ontsteld komen aanhollen: dat Dolfje op den grond lag en zoo akelig deed.
En nooit vergat Annette Stance's gezicht, toen zij zwijgend en doodsbleek neerknielde op den grond bij haar ongelukkig kind, en hen wenkte weg te gaan.
Toen ze weer terugkwamen, vonden zij Stance zitten met Dolfje op haar schoot - een klein hulpeloos wicht, ondanks zijn zes jaren - zijn mooie blauwe oogjes uitgebluscht en dof - uitgeput, suf starende.
Annette had niet geweten hoè Stance te troosten. Verschrikkelijk ook, dat dìt gebeurd was tegen den achtergrond van haar vijf gezonde kinderen! Maar Stance, kalm, kon met een glimlach zelfs alweer weggaan. En niemand wist de wanhoop, den jammer, het medelijden dat haar verscheurde, toen zij uiterlijk rustig, uit die gelukkige woning het wagentje met Dolfje naar haar eigen zorgenhuis terugreed. ‘Alsof,’ dacht ze wrang, ‘alsof ik voor een examen gezakt ben....’
Voor moeder tenslotte kon Annette het bezit van de japon niet stil houden. Fransje had geluisterd, de zijde betast - met haar stijve groote vingers de lijn aandachtig volgend.
‘Dat ik daàr nu niets van zien kan!’
Sterke begeerte joeg haar toch dien kant uit. Ze zou de kinderen mee zien te krijgen. Maar Francientje wilde niet graag meer, dat wist de oude Fransje te goed. Zelfs naar de Sintniklaastafels, waar de anderen dol op waren, ging de oudste niet graag meer mee.
‘Ik vind het vervelend met oma te loopen, die niet zien kan,’ zei 't kind.
‘Je bent een mispunt,’ schold Philip verontwaardigd. En hiervan schrok Francientje. 't Wàs ook niet dat ze oma niet helpen wou of niet van haar hield.... maar ze hield van oma-in-huis en niet van oma-op-straat. Oma die zoo hardop sprak - familiaar praatte met de winkeljuffrouwen, die dan stilletjes lachten - alles betastte en in haar handen nam, soms vallen liet, en altijd dingen zei die Francientje niet gezegd wou hebben. Tenslotte omdat oma zoo boos en verdrietig boven zat, zij zelf zoo akelig vond wat haar als pleziertje werd aangerekend, smeekte ze moeder mee te gaan.
En Annette stemde toe, moeder met de kinderen toch niet vertrouwend. Op den Dam was 't druk, heel anders dan in haar jeugd. De vogelkoopman stond al lang niet meer op de kleine steentjes, de Rarekiek was weg bij de Nieuwe Kerk, en drie trammen maakten het daar druk en gevaarlijk. Het slot was dan, dat zij allen te samen
nog vroolijk uittrokken, en oma tot slot tracteerde in de melkinrichting in de Kalverstraat op chocolade en taartjes.
Dàt behoorde tot de gebeurtenissen, die de kinderen Craets in hun later leven onthielden. Zoo goed als het bezoek met vader op Nieuwjaarsdag bij de tantes. Moeder bleef thuis visites ontvangen, en op tafel in de achterkamer stond een groot blad met kopjes en een ketel melkchocolade. Je ging meestal door modderige straten op den raren dag, die geen weekdag en geen Zondag was, vol van menschen, die je anders nooit zag. En dan het komen in de duffe zijkamer bij de tantes, waar veel visite zat. Er was daar een lucht van kleeren. Je kreeg er een kopje chocola en een allerhandje. Fransje hield haar levenlang een afschuw van de vettige koekjes, die smaakten zooals het in de kamer rook.
Annette wist wel, hoe de kinderen met tegenzin gingen, maar Frederik wilde het niet merken. Zoo min als hij merken wilde haàr tegenzin in de Zondagavonden bij de zusters.
Dan waren er nog de Oranjefeesten. Annette trok met haar kroost langs versierde grachten, stond op de bruggen en verheugde zich op het sprookje van de illuminatie. In gedrang raakte ze, in levensgevaar onder de paardenhoeven haast - verkouden werd ze van het staan wachten op tochtige hoeken, of op den Dam om het prinsesje te zien. Dit wisten de kinderen: met Oranjefeest was moeder niet te houden, liep den heelen dag met oma en hen op straat.
Het liet Fransje niet los - Hirsch. Op een middag - Annette uit - kreeg ze met een zoet lijntje Fritsje en Sophie mee naar het Vondelpark. En in het terugkomen had zij onschuldig gezegd:
‘Nu moeten we even kijken naar die nieuwe winkel van Hirsch.’
Sophie, behoedzaam en handig, leidde oma voor de etalage - en Fransje Goldeweijn, geduwd en gedrongen, aan iedere hand een kind, stond er alsof ze alles zag, gretig opvangend wat om haar heen gepraat werd.
‘Wat had ze eigenlijk gewild,’ dacht ze dan, plotseling ontnuchterd - ‘wat had zij hier te maken? Vroeger ja. Nu zocht Annètje haar japonnen uit, en ze droeg donkere stoffen, licht paste niet meer voor haar leeftijd zeiden ze. Ach, ze had juist altijd zoo van lichte stoffen gehouden....’
‘Wat is er Phietje?’ vroeg ze, want het kind drong ongedurig tegen haar aan, of ze iets wou ontwijken - keek dan trotsch en wrevelig naar zoo'n rare mevrouw naast hen, die strak stond te kijken naar oma en hen.
Nu, bij de norsche beweging van 't kind, trok de kleine donkere
vrouw in haar schamele kleeren zich haastig terug, tuurde schijnbaar alleen oplettend naar de uitgestalde japonnen.
‘Kom Phietje, we gaan naar huis.’
Langzaam wandelde het drietal weg.
Van de stoep bij Hirsch keek Marie Weesburg hen na.
Dat was Fransje Goldeweijn met haar kleinkinderen. Annètjes kinderen. En Frans was blind geworden. Nu stonden ze hier nog eenmaal samen voor mooie japonnen en allebei vergeefs. Ze had zoo graag Fransjes stem eens gehoord, maar 't kind merkte het.
De vonk van begeerte leefde in haar oogen. Een voor een trok ze de japonnen aan, wandelde ermee in 't Park - ging naar Felix Meritis, naar den Schouwburg. Dan eindelijk draalde ze de stoep af. Met haar gestopten katoenen handschoen lichtte ze nòg gracieus den valen sleep onder den eigen gemaakten mantel.
Aan de kleine woning op het Schapenburgerpad deed Weesburg open. Nog altijd ontstelde haar zijn veranderd uitzicht sinds hij uit de gevangenis ontslagen was.
‘Er is een dame geweest uit Middelburg - ze komt terug.’
Er kwam een plotselinge sprank van hoop in haar oogen; maar hij ontweek haar blik, met een mismoedigen afkeer in zijn gezicht. Zij kende dien van den eersten dag na zijn thuiskomst, toen zij hem verteld had dat zij niet meer alleen waren.
‘Dat?!’ had hij geroepen. ‘Moesten we daar toe komen, zoo iets schunnigs!’
‘Het is toch niets verbodens,’ wierp ze tegen. ‘En ik moest toch leven.’
Nu zat hij weer daar met zijn handen onder zijn hoofd.
‘Als het iets goeds mocht zijn.... Zij zou méér moeten rekenen dan tot dusverre - en.... misschien toegeven tenslotte, wat ze altijd nog geweigerd had.’
Maar daar sprak ze niet over. Wat schuw zette ze de kale boterham op tafel en bedacht hoe wonderlijk het was, dat een man fraude kon plegen en in zoo'n afschuw zich verzetten tegen dit.
Er werd gebeld. Marie ging open doen. In de stille kamer bleef Weesburg alleen.
Uit de donkere gang klonken zachte stemmen. Marie's stem, vriendelijk, bezwerend, vleiend - een andere, nerveus, verstikt, snikkend soms....
Dan werd Marie's stem beslister, eischender - de andere zwakker - schreiend nu.... Een lang gefluister.
Toen Marie weer binnen kwam, hijgde ze licht. Ze zag bleek, of ze met moeite een besluit genomen had.
‘En?’
‘In orde ja, en goed betaald.’
‘Waarom zoo véél?’ vroeg hij wantrouwend.
Ze lachte kort.
‘Omdat ik 't krijgen kan.’
Ze stond bij de tafel, moe, verouderd, donkere kringen lagen om haar oogen. Voor haar geest verschemerde het visioen: Fransje Goldeweijn met haar goed gekleede kleinkinderen - iets geworden uit een totaal andere wereld.
Ze kwam in een eenzaamheid achter haar man staan, legde een hand op zijn schouder. Hij greep die driftig, staarde haar onderzoekend aan.
Ze keek terug - dwong zich tot een glimlach. Zat dan moe tegenover hem met een beduimeld boek uit de bibliotheek. Hij met de krant.
‘Heb je gezien, het Park is verkocht. Het rendeerde niet meer.’
‘Nu, wij gaan er toch niet meer heen.’
‘Die mooie tuin,’ dacht ze, ‘gelukkige jaren....’
Zwijgend zaten zij. Buiten op het kleffe onbestrate pad, plaste de regen.
Zij luisterden er beiden naar, dachten: We zijn twee menschen geworden, die nergens meer bij hooren....’
Verlangden eenzaam, dat de ander wat zeggen zou.