GAAT het niet?’
‘Neen mevrouw, het spijt me heel erg, maar 't kan niet. We nemen geen kinderen met toevallen.’
‘Dank u. Kom Dolfje.’
In den helderen zonneschijn van den Februaridag ging Stance de stoep af van de school voor achterlijke kinderen - wandelde naar huis. Ze had zoo gehoopt Dolfje op deze school te krijgen, dat hij toch iets leerde - óók een schooljongen zou zijn.
Mislukt. Wat moest het nu....
Teederder trok ze zijn kleine hand tegen zich aan, keek in zijn goedige blauwe oogjes, die telkens naar haar opzagen. Nog altijd praatte hij niet, bracht slechts klanken voort, die alleen zijn ouders verstonden.
Op straat trok zijn zonderling tenger figuurtje, zijn struikelend sloffend loopen de aandacht, naast de statige mooie moeder. Een paar vrouwen stonden stil, keken hen na. Stance voelde pijnlijk bezeerd hun blikken.
Toen ze thuis kwamen, de hooge trap opgestommeld, zat Otto te wachten.
‘En?’
‘Neen. Ze nemen geen kind met toevallen. Ik had zóó gehoopt, daàr....’ Ze beet op haar lippen, trok Dolfjes jasje uit.
Hij keek somber voor zich uit. Het kind speelde zoet tusschen hen in met zijn blokken. Op eenmaal hoorde Stance een geluid, dat haar koud van schrik deed omzien.
Otto zat met zijn gezicht in zijn handen te snikken. Het volgend oogenblik was ze bij hem, trok hem in haar arm, zijn hoofd tegen haar schouder.
‘Onze jongen,’ steunde hij - ‘ons arme lieve jochie....’
Ze klemde hem zóó dat ze hem haast bezeerde.
‘Huil zoo niet, och huil zoo niet - of ja, doe 't maar wel als je dat helpt - ik kan er wel tegen....’
‘Oh -’ kreunde hij wanhopig. Hoe dikwijls had hij haar dat het laatste jaar hooren zeggen. Maar hij wist, tegen één ding zou ze niet kunnen: als ze de waarheid wist van Dolfje.
Dat onderhoud, nu twee weken geleden, met Bergema! In de misère dat hij zoo slecht liep - wat hàd hij in zijn beenen, en telkens duizelingen, een gevoel of hij in elkaar zou zakken als op dien eersten keer in Indië - was hij naar Bergema gegaan. In dien anderen vent had hij geen geloof meer, hij had trouwens achteraf gehoord dat het een prul was.
En daàr was 't gebeurd: Bergema's vraag die plotseling naar voren gerukt had een in zijn bewustzijn teruggedrongen periode vóór zijn huwelijk.
Als een bliksem was het in hem neergeschoten.
‘Dat? Dàt??’
Hij had er gezeten, verbleekt, vergrauwd, zijn stamelende droge lippen met moeite de woorden vormend.
‘Dit - kon toch geen gevolg nog zijn? Zóó lang erna?’
‘Helaas wel.’
‘Je wilt zeggen dat het niet beter geweest is?’
‘Blijkbaar niet.’
Zijn leven stortte in. Lawine van gedachten - herinnering aan kennissen, kerels in de kracht van hun leven, die hij had zien vergaan - en dan de gedachteschok die zijn hoofd spleet:
‘Zijn kind. Dat kind....’
Stance doemde voor hem op. Stance met haar dapperen glimlach, haar getob met Dolfje, haar onbewustheid.
Hij wist niet dat hij zat te stamelen:
‘Dat heb ik niet geweten - niet geweten - niet....’ Hij was Bergema vergeten. Hij zat zich wanhopig te verdedigen in een radeloos terugzoeken naar die lang geleden jaren.... Tot hij opschrok, rond zich zag de vreemde kamer, Bergema met zijn rug naar hem toe voor 't raam.
Moeielijk dan zijn eigen stem, hard en heesch:
‘Zeg me dan de rest ook maar. Is de jongen - ook mijn schuld?’
Toen had Bergema, weer tegenover hem, kalm betoogd:
‘Dàt was nooit met zekerheid te zeggen. Hoeveel dergelijke kinderen waren er niet met gezonde ouders.’
Maar hij had het wel begrepen in zijn scherp onderscheidend, eigen zoeken: Bergema die hem den stroohalm toestak om zijn beetje levensmoed aan op te trekken.
Die middag had hem de laatste hevige duizeling bezorgd, waarvan hij zich nog steeds niet hersteld had. De medicijnen die hij in 't begin zoo nauwgezet had ingenomen, vergat hij, keek ze niet aan. Waarom moest hij nog zijn best doen beter te worden - was hij maar dood.
Sinds dat uur bij Bergema was zijn bestaan gebroken. Hij zag het in twee stukken: vóór en nà dat consult.
In de vele stille uren dat hij zat - een zieke - overdacht hij zijn leven. Zijn onnadenkend, los geleefd jonggezellenbestaan, plotseling ingetoomd na de eerste waarschuwing. Wat dacht je, als jongen zoo van huis, aan die dingen. Hij ging naar een dokter, die hem tenslotte genezen verklaard had.
Daarna had hij kalm geleefd. Hij was toen ook aan trouwen gaan denken. Maar die Indische meisjes -- azen op je traktement - vóór alles de vraag: hoeveel. Hij hield ook niet van dat kleine donkere type.
Toen, in zijn tweede verlof, ontmoette hij Stance. Dat bloeiende, blonde, jonge, vroolijke had opeens zijn vroeg getaanden levenslust weer aangewakkerd: zoo'n vrouw, dan werd alles nog eens de moeite waard. Hij had het in even teleurstelling een lichte verovering gevonden: zoo'n verliefd, dwepend jong ding....
In de Indische jaren was hij haar toen, verrast, heel anders gaan zien. Mooier nog was ze geworden - maar de warmte, de innigheid, de onzelfzuchtigheid van haar groot hart, dat was wat hij iederen dag ervaren ging als iets verwonderlijks. En in het gemeenschappelijk leed om hun eerste kind had hij haar troostende kracht pas beseft.
Maar hoe onontbeerlijk was ze hem geworden sinds hij niet meer gezond was en sterk! Hoe had ze, toen hij zich zoo onbegrijpelijk ellendig was gaan voelen, den moed in hem aangeblazen, dat in Holland alles veel beter worden zou. Hoe hield ze hier vol, dat het ook zóó gauw niet beter worden kon, dat het koele klimaat toch ook eerst inwerken moest, te lang had hij den Indischen invloed ondergaan....
Hij had zich geklampt aan dien moed, die overtuiging. Hij kon haar geen uur missen sinds hij ziek was.
Maar nu....
Nu snakte hij ernaar alleen te zijn. Had hij voortdurend het geïrriteerd gevoel te moeten wegvluchten van alle gezelschap. Om te denken - uit te denken dat gruwelijke. Nu beklemde en benauwde hem ook haar tegenwoordigheid in een hevige prikkelbaarheid, die hem dan achterna weer heftige wroeging gaf.
Verbeten zat hij het uit te denken - in diepen wrok tegen een noodlot dat hèm schuldig deed staan tegenover het eenige wat hem lief was, terwijl anderen ongedeerd voortleefden. Wie had hem ooit gewaarschuwd? Wat wist je als jongen van die dingen. Hij niets. Later hoorde je van vrinden. Maar wie had hem, onervaren, de mogelijke gevolgen voor zijn later mannenleven voor oogen gesteld? Geen schepsel. Je vader niet en je moeder niet - de twee die heetten je te beveiligen, verzorgen! Larie. Wàt noodig was geweest, dat hadden zij niet gedaan. Nu droeg zijn vrouw en zijn ongelukkig kind er den last van.
Hij hield zich 's avonds moe en onwel - ging vroeg naar boven. Het was hem een kwelling tegenover Stance te zitten, aan te hooren haar tobbende zoekende opmerkingen over Dolfjes toestand. Hij zag hoe ze hem aankeek, niet begrijpend zijn schijnbare onvriendelijkheid, zijn afweer. En hij ontweek haar oogen - deed of hij las.
Soms dacht hij: als zij het wist, hij haar alles biechtte? Dan zou ze hem misschien haten; maar misschien ook zou ze willen begrijpen dat hij toch geen schurk was toen hij haar trouwde; eerlijk meende daartoe het recht te hebben.
Nu - terwijl hij haar zachte armen om zich heen voelde, de altijd zoekende angstige vraag in haar oogen vond, dacht hij weer:
‘Zou het niet beter, barmhartiger zelfs zijn ronduit te spreken samen?’
Maar hij had den moed niet. En zij dacht: ‘Waarom is hij zoo veranderd - of.... of ik hem hinder - houdt hij niet meer van me..?’
Er lag een brief op het buffet, dien ze geen van beiden geopend hadden nog. Het was een uitnoodiging voor Annettes en Frederiks koperen bruiloft.
Hun moede droeve gezichten keken over de fleurig, hartelijk neergepende woorden elkaar aan.
‘Wij passen niet op een feest,’ zei hij kort.
Een brok schoot in haar keel.
‘'t Was Annètje, 't was moeder Frans - 't was alles uit haar onbezorgde gelukkige jeugd!
‘Passen wij daar niet?’ prevelde ze half onbewust voor zich uit. ‘'t Is toch geen schande ons ongeluk!’
‘'t Is een straf,’ had hij bijna gezegd.
Maar 's avonds stond haar veerkracht weer op.
‘We zullen gaan,’ zei ze, ‘tegen dien tijd zal je immers weer veel beter zijn.’
Hij had den moed niet haar te weerstreven.
----------------
In de Warmoesstraat klonk getier en gelach - honend en dreigend. Bij het café Staats dromde volk de deur uit, brak half daar buiten uit in gevloek en beschuldigingen. Binnen trachtte de eigenaar, kwaad en beangst, zich verstaanbaar te maken. Hij had bezoek gehad van de politie, die hem raadde de vergadering en het socialistencongres niet in zijn lokaal te doen plaats vinden. Hij was immers de eenige niet die geweigerd had.
De Roos stond aan zijn deur. Hij zag de bekende figuur, die Domela Nieuwenhuis den laatsten tijd in Amsterdam geworden was, langs gaan, omringd van een opgewonden spottende verontwaardigde menigte. Een paar riepen een scheldwoord naar den braven burgerheer daar in zijn winkeldeur. En Karel De Roos lachte innerlijk: was hij niet een der eersten geweest, die den doop van het socialisme had ontvangen?
‘Naar 't Café Cosmopolite van Penning dan!’ werd er geroepen, en allen trokken op naar dien kant. Van den Dam kwam politie aan - helmen blonken.
Het vlugschriftje: ‘Amsterdams redding door de politie,’ was als een vuurtje door de stad geloopen; het stelde de commissarissen in een bespottelijk licht, en het prestige der politie, nooit groot in Amsterdam, kreeg er een geduchten knak door.
‘Jammer,’ dacht De Roos, langzaam naar binnen gaand, ‘dat al die kleine schermutselingen zoo de groote idee vertroebelen.’ Nog altijd leefde hij van verre, maar volkomen toegewijd, de lotgevallen der beweging mee: het officieel programma van de Partij was bevestigd, bijna geheel gelijkluidend met het Duitsche programma van Gotha. Slechts was er dit in opgenomen, wat men niet vond in het Duitsche: ‘De sociaal democratische partij, van meening dat personen van beiderlei geslacht gelijke rechten en gelijke plichten moeten hebben, is besloten alle haar ten dienste staande middelen aan te wenden tot algeheele opheffing van de vrouw uit den staat van slavernij, waarin zij verkeert.’
De Roos, hoewel bekomen van zijn eerst onbesuisd vurig geloof in alles wat de nieuwe leer betrof - leefde toch de punten van het program geloovig in. Op de vergaderingen zat hij in de zaal, en liet er den ganschen heftigen stroom van een nieuwen tijd langs zich bruisen. Hij hoorde er Nieuwenhuis, bezielend, meesleepend - hij hoorde er onbeholpen arbeidersstemmen - hij hoorde er Truida Leedebour, die de arbeidersbeweging fel meeleefde in de overtuiging dat de vrouwenbevrijding groeien moest met die der arbeiders. Hij zat daar en hoorde den machtigen klop van den tijd. Zonder ophouden hamerde die aan dichte, aan verdedigde, aan zwakke,
wankele deuren. Maar open gingen allen voor dien onweerstaanbaren drang.
----------------
Annette ging wat angstig langs de straat, vermeed de volksbuurten. De stad was roerig, politie bleef op de been. Als zij een paar mannen te samen zag, dacht zij schichtig: ‘Socialen’, maakte een kleinen omweg. En ze bezon, dat zij zich eenvoudiger had moeten kleeden, nu zij ver de stad in moest - 't volk was zoo vijandig gestemd tegen de gegoeden. Dat bracht allemaal die Domela Nieuwenhuis. Nu ging ze bestellingen doen voor hun koperen bruiloft. Ze voelde zich een beetje gewichtig - ze was nog eens de bruid, en Frederik had haar een diamanten hanger gegeven. In een meisjesachtige vreugd bedisselde ze alles voor het feest....
De Keizersgracht lag dicht, al haar kinderen reden op het ijs. Toen ze bij huis kwam, zag ze juist Sophietje het trapje naar den wal opklauteren, en Frederik dreef zijn troepje met keukenstoel en langen stok naar binnen. Voor 't raam zat mevrouw Goldeweijn met Fritsje aan haar schoot, en keek door zijn oogen naar de schaatsenpret.
In de kamer was 't een gejoel van verhalen over vallen en opstaan, van vorderingen en avonturen. Oma leefde er in mee, kwam zelf te verhalen over lange verre schaatsentochten, van Monnikendam over de Zuiderzee naar Marken en Volendam.
De kinderen zaten geboeid te luisteren. In die dagen kwam een eerbied wel in hen bij de wonderlijke voorstelling: oma jong en op schaatsen. 't Was zoo moeielijk te rijmen met wèl goede vriendelijke oma, maar die daar toch meest boven zat in haar kamers, zoo anders dan de hunne beneden. Oma waar ze een beetje beschermend tegen deden, die je helpen moest.... Maar nù wist opeens oma de dingen van ijs en schaatsen het best van iedereen en had voor alles raad. En naar oma kwam je nu ook het liefst met je verhalen, want die begreep dadelijk alles - en moeder snapte er niets van.
Het was ook wonderlijk dat oma en vader, die anders haast nooit samen praatten, nu telkens een gesprek hadden - en ze merkten wel, dat vader oma's verhalen van de tochten die ze deed, geweldig kranig vond.
‘En u dan, moeder?’ zei Philip eens.
Maar vader zei meteen op den toon, alsof alles wat moeder zei of deed, iets bizonder liefs was:
‘Moeder reed geen schaatsen.’
‘Neen,’ zei Annette en ze kreeg er haast een kleur van, ‘ik heb nooit zulke prettige dingen meegedaan toen ik jong was. Zulke echt vroolijke dingen.’
‘Dat deden de meisjes toen in Amsterdam niet,’ viel oma in, en haar lip trok verachtelijk. ‘Ik heb ook niet meer gereden in mijn trouwen. Opa vond dat hoorde niet. Ik was een buitenkind, en ineens was alles uit.’
Philip kwam naast zijn moeder zitten, naast ‘Klein’ zooals hij haar liefkoozend noemde, met het teedere van een man; en aaide behoedzaam langs haar blanke frissche wang.
Toen het ijs eindelijk weer weg was uit de gracht - op een morgen toen ze opstonden keken de kinderen door 't raam in open donker water - verdween ook het aureool dat oma een korten tijd had omzweefd. 't Was nu weer de oude oma, die boven op haar kamers woonde.