CLOESE ging Amélie van Dugten de laatste Fransche litteratuur brengen. Hij liep door de straten, lang, mager, gebruind, groette telkens. Hij was nog altijd celibatair, kon tot troúwen niet komen. Als hij zat bij Annette en haar moeder, dacht hij: ‘Zulke vrouwen zijn de beste. Altijd bekoorlijk, lief. Maar hun geest slaapt. Ik wil in dàt omhulsel den geest die met den mijnen gelijk opdenkt. Die geëmancipeerde vrouwen hadden evenmin intelligentie, noch cultuur. Hij erkende de redelijkheid van hun eischen, maar hij zag ze slechts als arbeiders, noodig om den weg te bereiden waarlangs eenmaal een beter geslacht ongehinderd en onbelemmerd zou kunnen gaan. Hun geest was blindgestaard op één punt, bekrompen. Er was geen enkele universeele onder, de beroemde Mina Kruseman incluis.
Amélie van Dugten was zijn vriendin gebleven. Als jonge man was hij jaren lang gecharmeerd van haar geweest, en zij had onder dien diepen invloed, zijn geest ontbolsterd, geleid, zijn belangstelling gewekt en geprikkeld. Nu bleef zij hem een zeer beminde trouwe vriendin, maar zijn jeugdliefde was lang gestorven. Zij was de vrouw van zijn vriend, en zij zaten menigen avond gedrieën; en lazen samen of spraken over de nieuwste litteratuur.
De uiteenloopende waarden die hier belangstelling wekten, gedichten van Perk, en ‘Met z'n achten’ van Van Maurik, lagen broederlijk naast elkaar in de boekwinkels - Van Mauriks werk toch ook een, zij 't dan onbeholpen maar eerlijke poging het waarachtige leven weer te geven. Tegen de dominees-litteratuur der laatste vijftig jaar in. Beiden gezocht door twee absoluut verschillende categorieën, de hooge droomer, en de goedhartig sentimenteele ziel.
Hij leefde in zijn groot huis met zijn moeder, met zijn schilderijen, zijn leven van zeer gezochten, rijken jongen man. Als hij te paard reed
door het Vondelpark, keken vrouwen en meisjes naar die groote rechte figuur, den scherpen ernstigen kop.
Sinds twee jaar was hij mede-directeur der Nederlandsche Bank. Zoo was hij midden in het groote zakenleven van Amsterdam komen te staan. En hij, die in Duitschland en Frankrijk de arbeidersbeweging gezien had in de kolendistricten, hij was met de Van Dugtens een der weinigen, die den groei dier beweging ook hier voorzag, haar onafwendbaren invloed peilde - die een gansch nieuwe maatschappij zich zag losmaken uit den ouden tijd. Met de Van Dugtens ook alleen kon hij hierover spreken. Craets minachtte de vrouwen, werd furieus om de arbeiders.
Leedebour geloofde in de arbeiders ten deele op zijn cynische wijze, maar was gezworen vijand van de vrouwen. Bergema bemoeide zich met niets, ging op en onder in zijn praktijk, zei: ‘medicus zijn eischt een heel leven.’
Cloese vond Amélie voor den vleugel, fragmenten spelend uit Wagners Meistersinger. Ze begroette hem op haar levendige wijze: ‘Blij dat je er bent. Mijn man zie ik niet meer. Die rijdt de stad rond met Krüger en Du Toit en Smit. De Transvalers willen nu toch wel den spoorweg van Kaapstad naar Pretoria - 't schijnt te lukken.’
‘Ja - we zijn eindelijk gaan inzien wat een fout we begaan hebben door alle verbindingen met Transvaal te laten varen - het is in '75 gebleken toen Burgers hier kwam voor 't zelfde doel. En onze droom van het grooter-Nederland, samengaand met Transvaal - een groote opbloei van Nederland in Transvaal.... Misschien dat het nu slaagt....’
Hij zag naar den vleugel, wees op den krippen sluier om Wagners buste.
‘Ik zie, de treurmare heeft je al bereikt.’
Ze knikte ontroerd. ‘Wie had het gedacht toen wij voor vijf weken den Nibelungencyclus hoorden. Den dertienden is hij gestorven dus. Kan je begrijpen dat we niet meer verwachtend uit zullen zien naar wat hij nog weer schenken zal? Dat Parsifal nu werkelijk het laatste geweest is?’
‘Parsifal is me de liefste niet. Waar hadt jij je in begeven? O, Sachs.’
‘Sachs,’ glimlachte ze met vochtige oogen, ‘heeft mijn onsterfelijke liefde. Ik ken geen mannenfiguur, in geen enkele litteratuur, die het wint in ontroerende waarachtigheid van dezen schoenmaker, of daarmee te vergelijken is.’
‘Of nog Mathilde Wesendonck hem tot de Evchen inspireerde?’
‘Ja waarschijnlijk. De liefde voor Mathilde heeft door al zijn werk geloopen als een roode draad.’
Ze zat peinzend. ‘Leeft ze nog?’
‘Ja. Of ze elkaar nog zagen na zijn huwelijk met Cosima weet ik niet.’
‘Wat vondt je in Parijs?’
‘Hier: Bonheur des Dames van Zola. Voor mij is er nooit zoo iets geweldigs geschreven. Speelt in een groot warenhuis. Ik vind Zola enorm van beschrijvingskunst en psychologie. En hier: L'Évangéliste van Daudet. Ook nieuw.’
‘Beter dan Jack?’ vroeg ze wat lusteloos. ‘Er is één figuurtje in Jack dat me 't heele boek waard maakt, dat van le petit roi de Dahomey. Hier komt de romanticus los van zijn beste zijde.’
‘En dan hier: Une Vie van De Maupassant.’
‘Ja, dat boeit me wel, Maupassant.... Rohan, waarom hebben wij hier geen romankunst? Waarom hebben we niets dan dames en dominees die onleesbare boeken schrijven?’
‘Tot voor kort kon je ook zeggen: waarom hebben we geen dichters? En nu is Perk gekomen.’
‘En gestorven. Zijn nagelaten gedichten liggen daar. Net uitgekomen. En wat nu?’
‘Emants met Godenschemering. Hélène Swarth ook gedichten. Ook sonnetten, en zeer schoone. Ik heb den bundel Blauwe bloemen. Prachtig van taal. Kloos....’
‘Ja - ik weet - ik heb ze in de Gids gevonden.’
‘Opmerkelijk van gedachte ook. Ken jij Elize Post? Zij leefde op 't eind van de achttiende eeuw; die onthulde de geheimen harer liefde zonder schroom voor 't publiek. En deze Hélène Swarth doet dat ook. 't Zal steenen regenen van de brave burgerij.’
‘Maar romans! De roman vraag ik!!’
‘Die is er niet. Na Multatuli is er geen proza meer geschreven, hij is nog altijd de eenige. Maar wie weet in deze dagen te boeien als Schimmel in Sinjeur Semeijns - en mevrouw Bosboom....’
Amelie lachte. ‘Mevrouw Bosboom is de eerste intellectueele vrouw in ons land, weet je dat wel? De eerste geëmancipeerde met de pen. In Majoor Frans komt ze op voor de vrouw, in hoeverre die zich te onderwerpen heeft aan de conventioneele regels van fatsoen, gesteld door den man. Zij kan fier met Truida en Mina Kruseman schrijden aan 't hoofd van het vrouwenleger.’
‘Maar mevrouw Bosboom is absoluut een vrouw - zoo'n boek lijkt een vergissing bij haar. Een absoluut vrouwelijke vrouw. Van Truida gesproken, ik zat laatst in Felix - daar zegt een meisje naast me: “Kijk eens mama - kijk daàr eens een raar mensch zitten, die heeft een mannenhoofd.” Ik kijk: Truida. 't Is ontzettend van achteren.’
‘Arme Jacob, hij geneert er zich zoo voor!’
‘Ja, mijn hemel, van zoo iets maken ze hier een kwestie. Kwesties zijn hier aan de orde van den dag. 't Schijnt dat de redactie van Vragen des Tijds Domela Nieuwenhuis' artikelen niet meer wil opnemen. Hij zal zich moeten beperken tot Recht voor Allen. Ik las hoe hij Marx herdacht.’
‘Léés jij Recht voor Allen? Dat is toch een schendblad?’
‘Al naar je 't nemen wilt. Amélie, lieve vriendin, we leven in een tijd, dat de nieuwe geest eindelijk ook in Holland aan 't woord komt. De strijd overigens, zooals die hier gestreden wordt, boeit me weinig. Te schreeuwerig. En nu ze in hun program de vrouw erin halen, meer dan ooit. Dat hitst al die malle vrouwen maar op, ze zijn toch al zoo uit hun evenwicht.’
‘Maar Rohan, je moet Bebel lezen, dan zie je hoe de vrouwenbeweging wortelt in het socialisme!’
‘Ach, 't is mogelijk. In theorie is 't waar, maar 't is in de praktijk me zoo onsympathiek. Sinds ik Louise Michel hier gezien en gehoord heb, ongetwijfeld eerlijk en overtuigd - maar een levend bewijs tot welke excessen het leiden kan. Ze is jaren verbannen geweest wegens deelname aan de Commune, naar Nieuw-Caledonië. Een deerniswaardige figuur om te zien. Broodmager, geheel in 't zwart, je twijfelt of je een man of een vrouw voor je hebt. Er was een relletje opgezet door de studenten. Die kwamen gewapend met fluitjes - 't begon direct bij haar opkomst. Maar ze schijnt aan dergelijke tooneelen gewend, stoorde er zich niet aan. Ze sprak, moet ik zeggen, eenvoudig en klaar over de rechten der vrouw, maar ook niets bizonder. Het meest trof me de medelijdende blik, waarmee ze haar fluitend en sissend gehoor monsterde. Er was iets in haar van buitengewone goedheid.
Maar Amélie, ik bid je, laten we daàr ons niet verder in begeven. Geef me muziek - geef me Meistersinger - neen Tristan.’
Ze speelde op haar opmerkelijke wijze, geheel zich verliezend in de muziek, gedempt erbij zingend, met haar diepe zware stem. Hij keek naar haar schoon donker profiel, en zat te denken, dat hij nooit één andere vrouw gevonden had met wie hij geestelijk zoo vertrouwd was. En hoe zij toch niets aan passie meer in hem wekte. Eerder nog Annètje, die haast een analphabeet was in alles wat kunst betrof. Hij glimlachte met iets teeders, toen hij bedacht dat zij ook zelfs dit rare woord niet kennen zou. Annètje die er laatst in de komedie verrassend lief had uitgezien. In wat voor Parijsch toilet gestoken? Allerbekoorlijkst.