terug  begin  verder
[p. 280]

XXII

HET voorjaar was gekomen. Caroline Craets en haar zusters lieten nieuwe japonnen maken bij hun couturière, die schimpte op de nieuwigheid van ‘Hirs’ - degelijke zware zwart zijden rokken fabriceerde, sterk geboord, met balayeuses rijk voorzien. Gebaleinde lijven, ware harnassen, die hun schrale middels inpenden tot miraculeuse dunte.

Louises kaarsrecht vermagerd figuur werd in de jaren van een groeiende statigheid. Adolphines lichaam puilde op onder het stijfgeregen corset - en dikwijls knipte zij heimelijk de stalen knippen los, omdat zìj benauwd geen adem halen kon. Ook leed zij soms aan een vreemde pijn.... Maar beiden keken met welgevallen naar Caroline, die nog kleuren droeg; bezagen weinig critisch den slechten bouw - breed in de heupen en plat van boezem - waaraan geen goed corset eenige gratie meer kon geven.

De corsetière stelde voor de buste op te vullen - haast alle dames deden dat - maar de dames Craets kregen een kleur, keken hoogmoedig over de juffrouw heen, zeiden koel: ‘dat moest ze maar laten.’

Toen ze pasten keek Caroline plots geboeid naar Louises mooien hals. En later op eenmaal zei ze:

‘Je hebt een mooien hals Lou - en je borst is mooi....’

Ze zweeg beschaamd omdat Louise zóó verontwaardigd keek, of ze iets onfatsoenlijks gezegd had.

‘Caro, dat zijn dingen, daar let een jong meisje niet op - en daar spreekt ze niet van. Dat is.... mannenpraat.’

Caroline staarde. ‘Als mannen dat mooi vonden, wat was er dan voor ergs aan om het te hebben.’

Boven voor haar spiegel bekeek ze nauwkeurig haar eigen beeld.

‘Toch ook niet zóó leelijk....’ Ze trok het hooge hemd, dat

[p. 281]

met een festonnetje om haar hals sloot, open, liet de tot den elleboog lange mouwen afglijden. Dan zag zij plotseling Annette met een kind aan haar borst - haar adem ging snel, haar hart bonsde.

‘Ik bèn nog niet oud - ik kàn nog wel trouwen.’

De starre wrevele plooi der laatste jaren week weg uit haar gezicht. Een plotseling opgeklaard, nog jong gelaat keek haar uit den spiegel aan. ‘Ze wou ook weer eens meer bij Annette en Frederik komen. Hoe kon je trouwen als je nooit een man ontmoette....’

In een honger naar vroolijkheid liep ze vaker naar mevrouw Goldeweijn, hielp haar geduldig met haar breiwerk. Want Fransje breide den laatsten tijd met den koortsachtigen ijver harer werkzame natuur. De ingewikkelde patroontjes onthield ze met moeite, en ze wilde Annette niet altijd boven roepen om de steken op te rapen waarover Neeltje zuchtte, Francientje stampvoette. Maar Caroline zat tevreden bij het rood en goud gesterde trommeltje, en samen ontwierpen ze wonderen der breikunst.

't Was stil geworden voor mevrouw Goldeweijn; want Fritsje, oma's kind, ging nu ook naar school. 's Morgens zag Annette hem de stoep afgaan, bleek en huiverend, altijd nerveus voor de school, die hij van den eersten dag af haatte, - waar hij de spelletjes, de teekeningen niet begreep, de andere jongens niet aankon. Waar Pieter voor hem vocht als hij voor den gek werd gehouden of geplaagd.

En zóó uit school zocht hij meteen bij oma zijn heil; ook vond hij altijd nog heimelijk 's morgens vroeg den weg naar oma's bed, waar dan door beiden meneer Prikkebeen dramatisch werd opgevoerd.

Daar bloeide een onbegrensde fantasie in die twee, de oude vrouw en het jongetje. Meneer Prikkebeen was voor hen een realiteit, in wiens lotgevallen ze honderd verscheidenheden wisten aan te brengen. Maar tegen de broers en zusjes liet Frits hiervan niets los.

Aan 't ontbijt al viel de heerlijkheid van den vroegen morgen weg als een kleurig kleed, en leverde de werkelijkheid vaal en grauw hem over aan het onbarmhartig schoolleven. Hij dacht verbijsterd hoe voor anderen zoo prettig kon zijn, en ook zoo iets onverschilligs, wat voor hem één lange kwelling was van dingen die hij niet begreep. Die al begon met den geur die hem bij de deur tegemoet kwam, zijn keel dik maakte van vrees en afkeer.

Fransje Goldeweijn, hoewel ze dit zweeg zooals ze elk diep leed gezwegen had, miste den kleinen jongen bitter. Fritsje ook was de eenige der kinderen, die bepaald verlangde bij haar te zijn. Fritsje, die zoo droomerig tevreden op haar schoot kon zitten kijken in den nog lichten avond, hoe de ezelinnen kwamen bij de buren om melk

[p. 282]

te geven voor 't zieke jongetje. De zachte mooie bruine dieren.... De eenige hij ook, die graag met oma uitging.

Annette liet het toe, hoewel wat angstig - al waren de grachten nog stil en veilig. En zij liepen, het ongelijksoortig tweetal, onbezorgd en gelukkig in elkaars gezelschap - langzaam hand aan hand, de groote blinde vrouw, met haar nog altijd bloeiend gelaat, en het kleine geelbleeke leelijke jongetje. Fritsje vertellend al wat hij zag, de grootmoeder luisterend, vragend. Samen hadden ze hun eigen pret over onverhoedsche moeielijkheden: een diepe stoep, waar Fritsje verstrooid haast intuimelde, een hond aan een touw, die zich vast om hun beenen draaide.... Zij liepen voort, stikkend van 't lachen samen, het geval varieerend en uitspinnend in honderd mogelijkheden. En kwamen thuis, luidruchtig opgewonden, moesten het in kleuren en geuren onmiddellijk vertellen.

Frederik vond het niet goed. Waarom speelde het jong niet met vriendjes, zat hij altijd bij een oude vrouw. Maar den eersten keer dat hij eens wat forsch begonnen was: ‘Nu je schoolgaat, moet je ook als een flinke jongen met jongens spelen, niet altijd als een baby bij oma kruipen,’ had hij een bijna vijandig verzet als een masker zien vallen over de teere kindertrekken. En aan 't eind van zijn redeneering had de jongen met een onmiskenbare verveling in zijn oogen ‘ja vader,’ gezegd, om er af te zijn.

Frederik dacht, hij had nog nooit oogen gezien waarin verveling zóó duidelijk zich manifesteeren kon. Maar het strakke verzet kènde hij: dat had de jongen van zijn moeder. Daarmee had zij als onbedreven kind hem al uit 't veld geslagen - daar kon hij nòg niet tegen op.

Er waren nog de diepere geheimen tusschen die beiden waar alleen Annette van wist. De nachten. Vreemde verschrikkingen klemden Fritsje dan in hun klauwen, tot hij lag in doodsangst, badend in zweet. Philip wou hij niet roepen, en hij keek in wanhopig verlangen naar de kier van de deur, zoo lang tot het hem te machtig werd. Dan glipte hij 't bed uit en sloop de gang over naar oma. Oma, die nooit vergat voorzichtig haar deur aan te zetten, omdat deze zekerheid alleen Fritsje rust gaf. En in haar slaap zelfs luisterde zij op die heesche kinderstem, wist zij hem staan bij de deur: ‘Oma!’

En onfeilbaar kwam het antwoord: ‘Kòm maar mekind.’

In bed, tegen haar sterke lichaam, trok zij beschuttend en warmend het teere bloedarme leven, en in haar armen viel hij in slaap, de eenige plek waar alles zich in hem ontspande. En de weinig nadenkende vrouw, die tactloos en zorgeloos kon uitflappen wat haar voor den mond kwam, repte nooit met één woord over deze nachten tegen Fritsje, noch tegen een der anderen.

[p. 283]

Ook overdag, als hij woedend, misselijk thuis kwam uit ‘dat hok’, waar het stonk, waar een rumoer krijschte dat hem van streek maakte als hij nog in de gang stond, waar het vale licht over witte muren hem huiveren deed, en hij de aardigheden, de grappen, noch de lessen begreep - ook dan kwam hij onmiddellijk opgeklommen naar boven, naar oma's kamer. Als zij zijn bevende klamme klauwtjes tusschen haar groote gezonde warme handen hield, vloeide een rustgevende kracht van haar in 't kind over. Dan begon oma meteen te vertellen, malligheden waar alleen zij samen om lachen moesten - maar heel gauw altijd weer over haar eigen jeugd, het huis in Monnikendam. En dadelijk vond de kleine jongen zijn innerlijke rust terug, de zonnigheid van zijn vroege kinderjaren, bij den grooten stap naar een leven dat oma voor hem opriep. Het aan een kant zeer misdeelde, aan den anderen kant zeer begaafde kind, beleefde helder en scherp een verleden, dat hij nooit had gekend - in een huis waarvan hij elk gebeuren, elk hoekje zag. En hij kon vragen:

‘Oma, wàt doet oude oma wel met de klok, nu het water in de gang zoo hoog staat - die wordt toch nat!’

‘De klok,’ zei Fransje dan heel gewoon, ‘die stààt immers niet in de gang - die staat toch in de blauwe kamer.’

‘Och natuurlijk, hoe kan ik zoo dom zijn.’

Niemand in huis kende die gesprekken, behalve Annette. Zij had een enkelen keer geluisterd, en een diepe ontroering had haar weg doen sluipen op de teenen. Nooit had zij iets van die wonderlijke wereld, waaruit de oude vrouw en het kind hun troost putten, verteld aan Frederik. Zij wist, hoewel zij zijn zachten spot eigenlijk niet te vreezen had, hij begreep die dingen niet.

Maar ook in de lange stille uren, dat zij alleen zat, ging Fransje Goldeweijn al meer en meer leven in het verleden. Zij was terug in de huizen op Het Water, op den Voorburgwal - zij praatte met haar man, met Leentje. Zij stond voor haar kasten, zag alles netjes gereid.... dàn had zij den kleinen Pieter op schoot. Maar zoo sterk was in haar levend gebleven het verleden, dat de graven haar nooit riepen, niet tot haar spraken. Levend slechts stonden om haar, die waren heengegaan: haar ouders, de lieve vader, haar man - haar kind....

terug  begin  verder