terug  begin  verder
[p. 291]

XXIV

DE oude Pieter Craets liep over de Wereldtentoonstelling achter den aanbouw van het Rijksmuseum, in den zomer van drie-en-tachtig. Het was er vol en druk van vreemdelingen, en hij leefde erin met al zijn felle belangstelling, sleepte Sophie mee.

‘Zie je, dàt moeten we hebben! Vreemdelingen hier, om te zien wat we allemaal te geven hebben. De herleving van ons industriewezen, die ze hier te zien krijgen!’ Maar weer naar 't hart van de stad gekeerd, sloeg zijn tevredenheid om. Hij werd rood, snoof en blies, de gouden knop van zijn stok onder zijn kin gedrukt: ‘Vreemdelingen overal! Maar het Amsterdam dat hen ontvangt is niet meer ons eigen Amsterdam. Ze zijn hier gek geworden in den Raad. Amsterdam moest een moderne stad worden, en met hun schennende handen ontzien ze geen schoon. Jammerlijk is de stad aangerand. Thorbecke is voorgegaan, en na hem is een geest van roekeloos verwoesten, van alles ruimen voor het toenemend verkeer, vaardig geworden hier. Naar den duivel met hun mooie breede verkeerswegen! De vreemdelingen komen niet om onze breede Sarphatistraat, om ons moderne Rembrandtsplein - ze komen om onze heerlijke grachtjes - ons water - onze boomen - onze gevels. Is 't niet jammerlijk dat ze nù juist den Nieuwezijds-Voorburgwal dicht gaan gooien! Het schilderachtige Water, wat is er van geworden? Een stoffige zonnige straat, een woestenij, waar de achtergevels van de Warmoesstraat dwaas op neerkijken. Weg de schuiten, weg de boomen, weg 't mooie water. De Nieuwezijds-Achterburgwal, dat groene, bochtige, smalle grachtje, wat is 't geworden? Spuistraat - grauw - leelijk - vermoord!’

[p. 292]

Ze gingen door de stad, die altijd hun stad bleef, twee deftige ouderwetsche menschen - zich verzettend tegen een groei, dien ze niet meer begrepen in zijn onweerstaanbaarheid.

Maar nieuwe elementen drongen zich dat jaar in het Amsterdamsche leven. Met de tentoonstelling kwam een Berlijnsch orkest onder leiding van Bilse, en Frederik Craets en zijn muziekvrienden luisterden, getroffen door een nieuw geluid: dìt was orkestkunst zooals hier nog niet gegeven werd.

Fransche werklieden ook kwamen in de stad - afgevaardigden der Fransche vakvereenigingen, die in verbinding traden met de Hollandsche arbeiders. Zij belegden een openbare vergadering in Frascati, gepresideerd door Domela Nieuwenhuis; den dag daarna ontving het Centraal Bestuur van het Werkliedenverbond de Fransche gasten. Met algemeene stemmen werd de motie aangenomen: ‘de vergadering spreekt als haar overtuiging uit, dat de groepeering der werklieden moet strekken tot de vrijmaking der arbeidende klasse en tot opheffing van het proletariaat.’

Ditmaal gaf de pers van de groote vergadering een uitvoerig verslag.

Door Amsterdam ging een beroering. Wie de beweging aanhing - de meest vooruitstrevende vrouwen ook - werd warm, dat deze eindelijk over onze grenzen was, ook hier leven en adem kreeg. Maar de Amsterdammers in hun groote huizen, de kleine winkelstand - een groot deel van den meest Oranjegezinden Jordaan - stond vijandig en scherp gekant tegen de oproerkraaiers die elk bezit aanrandden - alles waar een fatsoenlijk mensch zijn leven lang voor gezwoegd had. In de gezinnen, in de families sloop tweedracht, als een ziekte die de harten vervreemdde. Broeders stonden vijandig tegenover elkaar, moeders zagen angstig hun zonen wegtrekken naar dien Domela Nieuwenhuis, ‘die al dat ongeluk in de wereld had gebracht.’

Leentje Vink zat bij haar ‘jonge mevrouw’ en klaagde haar nood. Haar man had altijd gelééfd in dat Werkliedenverbond. Ach, zij had altijd gezegd, wat doe je d'r in. Wat maàk je je druk voor anderen. Jij hebt toch immers goed je brood! Laat ieder voor zich zorgen. Maar afijn, 't ging ook allemaal in 't fatsoendelijke daar. Maar nu het Werkliedenverbond met de Soozejalen samen die Fransoozen hadden ontvangen, werden ze in één adem genoemd in de krant. Vat u wel? En nu had Roest gezeid: ‘Jij gaat òf dat liederlijke verbond uit, òf mijn deur.’ En och mevrouw, je moet mijn baas kennen, Goed is hij als een lam, maar hij laat zich niet op zijn kop zitten. Ik heb 'm altijd met een zoet lijntje weten te krijgen, waar ik hem hebben

[p. 293]

wou, maar nooit met geweld. Dan wordt hij een tijger. En laàt hij nou met een kwaje kop Roest de bons hebben gegeven - en laat hij nou bij me thuis zitten. Ja? Dat is nog nooit gebeurd.’

Ze schreide met dikke tranen in haar wollen omslagdoek, en Fransje en Annette hadden diep medelijden met Leen - vonden dat Janus heel onverantwoordelijk gehandeld had.

‘Hij zegt maar: “Ik kan me prinsiep niet verzaken.” Ik vraag maar, als vrouw zijnde, wat is dat voor praat! Als 't gaat om je brood, kijk je niet naar prinsiep! Maar ik zeg niks meer, want dan wordt hij als een stier, en zegt dat ik, zijn vrouw, hem steunen moet en niet afvallen.’

Janus Vink zwierf door de stad, als hij tenminste niet met zijn vuisten onder zijn kop zat te tobben - verbolgen en rampzalig. Hij had pal gestaan in zijn fatsoenlijk Werkliedenverbond en nooit met oproer of socialen te maken willen hebben, en nu had het noodlot hen te zamen gegooid. En wàt moest hij nu. Hij wou nog altijd niet met de socialen, maar zijn verbond opgeven, ook niet. Een poos had hij wat los werk gehad bij den bouw van den Parkschouwburg, nu was dat ook afgeloopen. En weer stond hij broodeloos, huilde zijn vrouw, en liet hem alleen. Hij had altijd in al die jaren geloofd: ‘Leen en ik, dat zijn d'r één.’ Maar Leen kwam op voor de kinderen tegen hem. ‘Brood voor me kinderen!’ daarmee was ze hem fel te lijf gegaan.

En daarmee had hij bij de ellende om zijn werkeloosheid, om de verwardheid van zijn Bond, ook nog, waar hij heelemaal niet tegen kon: de tweedracht in zijn gezin.

Van Domela moest hij niks hebben. Die man was vrijdenker, dat was iets verschrikkelijks. Ja, dat zat Leen ook dwars. Die dacht dat hij nu meteen ook zoo'n godloochenaar geworden was. Maar op dat congres van vrijdenkers zouden ze hèm niet zien!

Vreemde oogen keken dien zomer door Amsterdam. Vreemde stemmen spraken woorden die niet meer verloren gingen. Gretige ooren vingen de woorden van Büchner, van Annie Besant, Breadlaugh. En in de Dageraad voerden de Belgen De Paepe en Anseele het woord naast Nieuwenhuis om de socialistische denkbeelden te verbreiden.

Langzaam, een niet te stuiten stroom, die den dam van conventie, onwetendheid, dóórbrak, verbreidde zich het socialisme in Nederland. De kreet om Algemeen Stemrecht wapperde in de lucht van den Septemberdag op groote strooken papier, toen de Koning naar de opening van de Kamer reed.

En met de arbeidersbeweging drong die zijstroom op, langzamer,

[p. 294]

trager, bemoeielijkt, maar voortschrijdend toch: de vrouwenbeweging.

Bebels werk ‘Die Frau und der Socialismus’ had het voor Duitschland uitgesproken hoe de vrouwenslavernij wortelde in de armoede der arbeiders, en slechts de vrouw was op te heffen door den levensstandaard der arbeiders op te heffen. Een Hollandsche vertaling was er nog niet, maar de leiders spraken erover in de vergaderingen, en langzaam maar stadig groeide de beweging der vrouwen in kracht. Maar moeizamer, banger voor spot, hoon, dan die der mannen - moeielijker ook zich bevrijdend uit de oude ketenen, die te veel liefs tevens mee vasthielden.

Truida Leedebour was een bekende spreekster geworden, ook in de arbeidersbeweging, al wist men wel dat zij feitelijk daarin slechts de bevoorrechting der vrouw zocht. Dit jaar had zij gereisd in Duitschland, de kolenbekkens bezichtigd - in Frankrijk en Engeland de fabriekscentra. Zij had gesproken en vriendschap gesloten met vrouwen als Fanny Lewald, Butler, Lesser-Kiesling, Morsier in Parijs. En Leedebour wond zich op, omdat zijn zuster naar haar dierbare vrienden hooren ging op het Haagsche Congres tegen de gereglementeerde ontucht.

‘Goeie genade,’ zei hij tegen Van Dugten, ‘die vrouwen tegenwoordig, ze hebben geen schaamte meer, geen gevoel van eerbaarheid, geen kieschheid. Prostitutie! Ze behoorden het woord niet eens te kennen!’

 

Langzaam dunde zich de file van equipages en vigilantes, die tot den Amstel reikte; en langzaam kwamen Van Dugten en Leedebour den schouwburg van Van Lier uit, waar Sarah Bernhardt triomfen had gevierd als Fedora.

‘Alléén haar stem al,’ zei Leedebour, den avond memoreerend, ‘haar gouden stem, die gebroken in smart wonderbaar van klank is. Ach, la divine Sarah - zij is dan toch ook inderdaad verrukkelijk...’

‘Maar bij ons herleeft die kunst - er is er eene, die Sarah begint na te volgen. Zij heeft ook Fedora dit jaar magnifiek gespeeld....

‘Frenkel Bouwmeester.’

‘Ja die. Die heeft óók een stem - een prachtige.’

‘Jammer, dat de meeste van onze acteurs en actrices hun Amsterdamsch accent in de wieg hebben meegekregen. Daarvoor hadden we een Tooneelschool noodig, dat ze zuiver Hollandsch leerden spreken.’

[p. 295]

‘Ik heb nu eenmaal een heiligen schrik voor al wat school is. Werkelijke talenten worden er door onoordeelkundig schaven en fatsoeneeren soms geknauwd - en de middelmatigheid die andere geen kans zou krijgen, wordt er kunstmatig opgefokt.’

Leedebour liep te mijmeren.

‘Een heerlijke avond. Heel kunstlievend Amsterdam opgekomen. Maar waar waren de geëmancipeerde vrouwen. Die wou ik erheen hebben! Dat ze zien hoe een echte vrouw lijdt, weent, liefheeft - hoe ze loopt, hoe ze schreit....’

‘In 't buitenland zijn ze veel erger nog dan hier, dat beloof ik je. En als je nu van geëmancipeerd praat, wie is dat méér dan la divine Sarah!’

‘O maar als een vrouw zóó groot is - alles zoo bekoorlijk doet - dan mag het. Dan is het geen emancipatie ook meer, dan is het persoonlijkheid.’

Van Dugten lachte. Groette.

Leedebour ging in den zachten voorjaarsavond naar huis. Geheel vol van wat hij gezien en gehoord had, moest hij meteen zijn verslag schrijven. Eens weer naar schoonheid te kunnen wijzen! Bewijzen, dat er nog schoonheid in de wereld is, en dat het komt van een vrouw.

Hij werd strijdlustig nu hij aan zijn zuster en haar geestverwanten dacht - in een minachting, gemengd met drift.

Op het Leidsche Plein zag hij plotseling een menschenmassa de Marnixstraat uitstroomen - opgewonden, betoogende, pratende menigte. Daartusschen van verre helmen. Politie die tot orde, kalmte maande. Leedebour raakte er een oogenblik midden in, werd meegesleurd in de golf, tot hij zich drukte tegen den muur van Maison Stroucken, waaruit de menigte naar buiten puilde. En nu herinnerde hij zich: Nieuwenhuis zou debateeren met den orthodoxen dominee Westhoff. Wat deed die goede dominee in de kou, tegen een gewiksten kerel als Nieuwenhuis!

Het dunde. Hij zag de bekende figuur van Domela Nieuwenhuis omstuwd door geestdriftige vrienden de Marnixstraat ingaan. Opeens liep Truida vlak langs hem. Ze zag niets, ging daar, een vrouw van veertig, groot en grof geworden, mannelijk. Tegelijk met iets moederlijks ook. Haar gezicht, rood, geestdriftig, keek met groote oogen vol vereering naar den leider.

In een oogwenk had hij haar hand gegrepen, en haar uit het gedrang getrokken. Zij gaf een kreet, tot de werkelijkheid teruggebracht, werd woedend toen ze haar broer zag.

‘Wat doe je? Wat beteekent dat?’ stoof ze op.

[p. 296]

‘Ik verkies niet dat je als een vagebond onder dat volk meedraaft. Daarginds vechten ze. Moet je een sabelhouw oploopen?’

‘Oh!’ Ze snikte van overspanning en woede, terwijl hij haar voorttrok, den hoek van de Leidsche gracht om. ‘Begrijp dan toch mensch, wat hier gebeurt!’

‘Ja ik zie het. Een opgeruide troep volk achter een paar handige praatjesmakers aan. Moest je daar je avond aan geven? Ik had je mee willen hebben naar den Schouwburg, naar Sarah Bernhardt. Daàr hadt je gehoord.’

‘Had ik.... daàr....??!’ Ze stikte van drift. ‘Daàr! Waarom had ik daar gehoord?’

‘Omdat je daar schoonheid, de zoo schaarsch gevonden schoonheid te genieten hadt gekregen. Door een vrouw.’

Ze holde de trap op, gooide de deur open van de kamer. Hij zocht met wat bevende hand - hij kon met al zijn sarcasme niet tegen scènes - lucifers, en stak het gas op. Toen het plofte zag hij Truida staan, midden in de kamer. Ze was bleek. Haar oogen staarden donker en scherp.

‘Is dàt volgens jou de schoonheid die vrouwen in de wereld moeten brengen? Dàt! Neen, dan kèn jij de wereld, dan ken jij 't leven niet. Ik ken het nu. Ik heb het geleerd. Jij niet. Ik hàd 't al geleerd in '70 - daar in Frankrijk. Jij hebt maar wat theorieën zitten verkauwen op je studeerkamer. Maar ik - ik ben geweest in de fabrieksdistricten. Ik heb gezien de arbeiderswoningen, krotten. Waar de mannen werken en hun huis haast nooit zien - hun kinderen amper kennen. De vrouw is lastdier, niets dan dat. En waar de vrouw zelf werkt is 't nog erger. Ze heeft haar kinderen niet kunnen verzorgen, ze heeft ellendige kwalen, de kindersterfte neemt toe. En dan de huisnijverheid - die levenstoestanden. Ik zal je wat zeggen: Alette Jacobs heeft gevraagd in den Raad om stemrecht, om op de lijst der kiezers geplaatst te mogen worden. Ze is intelligent, ze heeft gestudeerd, ze is dokter, zoo goed als jouw dooie vrind Bergema. Ze hebben het geweigerd. Weet je wat ze gezegd hebben? Dat het te betwijfelen staat of de vrouw wel in 't volle genot van burgerschap, van burgerrechten is. Daar ze uitgesloten is van de voogdij, behalve over haar kind.... Maar weet je wat de vrouw wèl mag? Abortus plegen, omdat ze geen raad weet hòe haar kinderen te voeden. En dat zijn niet de prostituées - dat zijn de diep voelende, echte vrouwen....’

‘Mijn hemel mensch houd op, hoe kom je aan de woorden! Hoe weet je ze! Hoe kan een fatsoenlijke vrouw ze in den mond nemen!’

[p. 297]

‘Neen, een fatsoenlijke vrouw mag van jou en jouw gelijken alleen maar stommiteiten in den mond nemen! Over de liefde en den hartstocht gillen en “weenen” op een tooneel! Dàt noem jullie dan schoonheid.’

‘Ja waarachtig.’

‘Schoonheid! Er is geen schoonheid zeg ik je - er bestáát geen schoonheid. Het is een misdaad te spreken van schoonheid zoolang duizenden kinderen verkommeren en sterven en in hun groei geknot, kwijnen in de mijnen en fabrieken. Zoolang duizenden vrouwen ongelukkige kinderen voortbrengen, hun kinderen vermoorden, of zien sterven van gebrek. Zoolang duizenden flinke mannen geen raad weten om zelfs den redelijksten eisch van de eenvoudigste levensvoorwaarden in hun gezin te bevredigen. Zoolang duizenden vrouwen liggen te sterven in ziekenhuizen met de afzichtelijke gevolgen van syphilis, en mannen besmetten. Zoolang....’

‘Schreeuw zoo niet....’

‘Ja, ik wil schreeuwen! Ik zou het van de daken willen uitschreeuwen over heel zoo'n vervloekte slapende stompzinnige stad! Ik zou het die rijke kerels en hun harde, domme vrouwen in de ooren willen schreeuwen, dat diè man daar, door de politie opgejaagd, die met zijn partijgenooten alles over heeft, alles lijdt voor zijn overtuiging - dat diè de eenige is met schoonheid in zijn ziel. Lees in Recht voor Allen zijn vertaling van De Wevers van Heine.’

‘Goeie hemel, menschlief, dat kent ieder beschaafd mensch met notie van litteratuur al làng. Die gevoelssocialisten - Freiligrath en anderen - hebben er ettelijke zoo gemaakt. Heel mooi. Maar jullie wéten zoo weinig - daar val je nu eindelijk als bij een nieuwtje van om.’

‘Nieuwenhuis wordt er toch maar gerechtelijk om vervolgd. Zóó gevaarlijk vinden ze 't blijkbaar al is 't dan ‘zoo oud en algemeen bekend.’

‘Omdat hij natuurlijk weer op de smakelooze wijze der socialisten dat afficheert.’

‘Neen, omdat ze innerlijk voelen dat er een vreeselijke waarheid in schuilt. En dat niet willen erkennen. Om te lezen in een gedichtenbundel, mooi, treffend; maar vooral niet overbrengen in 't leven. Jullie maakt van 't heele leven litteratuur!’

‘Als je tenminste....’

‘Maar wij - wij moeten die litteratuur niet! Wij beleven het leven zelf in bloed en schande....’

‘Schande zeker, als 't op deze manier gebeurt.’

Zij stond stil. Ze werd zoo doodelijk bleek, dat hij schrikte, dacht dat ze flauw zou vallen. Hij wou iets goedigs, verzoenends zeggen gaan, toen zij alweer begon te spreken.

[p. 298]

‘Jacob - als jij in Fedora de schoonheid van het vrouwenleed zóó hebt .... genoten, kan jij dan niet óók eerbied hebben voor vrouwenleed vlak naast je? Jij bent eenzaam, maar denk je dat een vrouw als ik, die zoo'n macht tot liefhebben in zich heeft en dol op kinderen is, denk je dat ik niet eenzaam ben? Ik ben een sterke gezonde vrouw, en het werk dat me volgens de natuur toekwam - mij zoo goed als Annètje Craets - is me afgenomen! Nu heb ik ander werk gevonden: voor anderen leven en vechten, en probeeren mijn eigen ongeluk te dempen met wat veroverd geluk voor anderen - ook misdeelden. Maar vindt jij het.... riddelijk - vindt jij het achtenswaardig - vindt je het.... fatsoenlijk - jij de eenige die me na staat, mij te beschimpen, te minachten bij je vrinden, waar je maar kunt?’

Hij was gaan zitten. Er lag een pijnlijke trek om zijn mond.

‘Ik.... minacht je niet,’ zei hij eindelijk, ‘ik wil je bewaren voor spot.’

‘Jij kunt me niet bewaren voor iets.... jij die zelf jarenlang aan een vrouw de hemeltergende onrechtvaardigheid begaat alles van haar te eischen en haar niet te trouwen!’

‘Laat mijn leven erbuiten,’ wees zijn hand af.

Wat wist een meisje als Truida van de armoede, de ontbering die een leven als het zijne bracht. Trouwen! Jeanne was een best schepsel, hij wilde haar niet missen, zou haar ook niet in den steek laten - misschien wist hij zelf niet eens hoe vast de band der gewoonte al geworden was na twaalf jaar. Maar trouwen - nooit.

Een groote, bleeke vrouwenfiguur rees vooz zijn geest - Stance Bremer - en daarnaast: hij bij Jeanne komend op haar bovenhuisje. Zijn mond werd bitter. ‘En 't eenige wat je verlangde: een behagelijk huis, door Truida bestuurd, die er een waardig en voornaam cachet aan had kunnen geven - dat was ook weg. Nu vocht hij alle dagen met een onredelijk, verwilderd wezen.’

Naast hem snikte Truida onbeheerscht, in elkaar gedoken op de canapé, haar hoofd in haar armen.

‘Stil - stil.’ Hij was opgestaan, zijn hand lag op haar hoofd. Ze nam die tusschen de hare, wrong haar onbewust - en zat stijf rechtop, snikkend voor zich uit te kijken....

Tot ze plotseling opsprong, de kamer uitliep. Hij hoorde haar boven heen en weer gaan, en zat lang beneden nog op. Zijn verslag was hem in stukken en brokken uit zijn hart, uit zijn hoofd gevallen. Hij hoorde Truida's woorden: ‘Jij maakt van 't leven litteratuur!’

‘Ach ja - ach ja -’ mompelde hij....

Zijn pen bleef liggen op 't blanke papier.

terug  begin  verder