DE winter zette stil in na Philips vertrek; want nu zag ieder pas hoe zijn onveranderlijk goed humeur, zijn kalme gelijkmatige aard elk had verlicht. Fritsje miste hem het meest van de broers en zusjes, want Philip kwam in al zijn schoolmoeielijkheden voor hem op, raadde hem en bemoedigde hem.
‘Mootje,’ kon hij zeggen, hem altijd noemend met den bijnaam dien hij den kleinen jongen eenmaal gegeven had, ‘Mootje, trek het je niet aan, jog. Sla ze op hun kop, metéén, vóór zij nog goed en wel beginnen, en de zaak is gepiept.’
‘Hun koppen géven d'r niet om of ik er op sla,’ zei Frits, en keek naar zijn zwakke kleine handen.’
‘Als ze maar merken, dat je dúrft....’
‘Maar ik durf niet altijd. Alleen maar soms.’
‘Nou dan soms.’
Zijn luchthartigheid deed wat zijn raad tekort schoot. Frits zàg dan opeens de dingen die hem beklemden niet meer zóó belangrijk, en hij ontsnapte als door een kier van een gevangernis. En oma miste Philip. Want de jongen had het begrijpend medelijden voor haar hulpbehoevendheid, en tallooze malen had zijn sterke behendige hand haar behoed.
Buiten kon hij zeggen: ‘Oma, gaan we wandelen?’
Dan spròng het op in Fransje. Ze kon wandelen tegen den jongen op, en nu Annètje niet veel liep, zat zij te lang op haar stoel naar haar zin. In gloeienden trots ging zij tusschen haar beide kleinzoons - Fritsje en Philip.
De brieven die kwamen van 't Instituut waren lang en fleurig. Met uitvoerige verhalen over de zeden en gewoonten, over het ontgroenen,
over de oudere jaars - over zijn pak dat heusch fijn stond, zouden ze eens zien, niet vader?’
Over zijn positie als baar schreef hij licht. En ze begrepen het thuis wel. De makkelijke flinke jongen, met een aangeboren tact zich te bewegen, zou het hìer ook niet zwaar hebben. Hij had een goeden ‘zeevader’ getroffen, die hem raadde en hielp, zelf ook heel gezien was onder de oudere jaars.
Annette zat met de brieven in haar schoot, die ze moeder voorlas. Haar denken en zorgen bij den jongen-van-huis; en tegelijk de andere gedachte, die haar naarmate de maanden vorderden begon te bezitten.
Toen zij het moeder verteld had, was die heel ontroerd en stil geworden. Dienzelfden middag nog had ze uit willen gaan om katoen te koopen voor een wiegespreitje.
En nog eenmaal kwam de lage wieg met de groen damasten gordijntjes naar beneden....
Hij stond er veilig opgeborgen en afgesloten in het zijkamertje. Annette wist hem er altijd; en tusschen haar zorgen voor de groote kinderen begon die wieg als een eigen kleine wereld haar aandacht tot zich te trekken. Maar het botste met het alledagsleven. Francientje vooral, met haar heftigen hartstochtelijken aard, haar gloeiende genegenheid en driftig verwijt, haar hevig verdriet en ten hemel zingende vreugd - dat kind liet Annette niet los. Het bond haar in een eigenzinnige hevige aanhankelijkheid aan zich vast, sleepte haar mee, naar haar kinderbelangen. Het irriteerde Annette, en zij verfoeide er zichzelf om. Soms zag zij Francientjes oogen met iets van afkeuring en critiek langs haar veranderd, niet langer te maskeeren figuur dwalen; en zij kon onredelijk jaloersch worden als zij Frederik, innig gearmd met zijn oudste, de straat zag opgaan.
Want Frederik kende deze buien van prikkelbaarheid, van onredelijkheid uit alle tijden voor de geboorte der kinderen. Hij verdroeg het geduldig voor zich zelf, maar hij kon niet velen dat zij onrechtvaardig tegen zijn oudste kind was - dat zij haar beknorde en bestrafte soms om onnoozele kleinigheden.
Met Kerstmis holde een opgewonden jongen in adelborstuniform het huis in, rende dol van vreugde van boven naar beneden, en zat of stond in één adem door te vertellen van 't Instituut, van de fuif met Sinterklaas, van de leeraars - een jongen die hard had moeten vossen voor zijn rapport, omdat hij nu eenmaal niet vlug was. Om ten slotte te kruipen als de oude Philip naast ‘Klein’ op de canapé, zijn hoofd tegen haar schouder, en een deuntje te vrijen....
Maar er was iets - er wàs iets - hij voelde het, en hij keek wat
verontrust onderzoekend zijn moeder aan, kreeg een kleur, zei tegen zichzelf: ‘Neè - dàt is te gek.’ Stond op, en drentelde de kamer uit met een onbehagelijk gegeneerd gevoel. In de gang nam Frederik hem mee naar kantoor, en zei hem daar: ‘Je moet moeder wat ontzien, en ook maar niets vragen... je bent nu al zoo groot dat ik het jou wel vertellen kan: er zal, heel onverwacht, nog een broertje of zusje komen.’
De jongen stond versteld. Vóór hij van huis ging had vader ernstig met hem gepraat over dingen, die hij weten moest - maar dit.... dit was iets dat daar buiten bleef, dat zijn moeder raakte en hem ergens kwetste. En toen hij aan tafel zat, vond hij iets veranderd, was er datzelfde, waarom zijn oogen snel telkens èn zijn vader èn zijn moeder ontweken.
Maar moeder zat zoo stil - zij was heel bleek, en zij keek hem niet aan. Slechts eenmaal toen zij opstond van tafel, zich 't eerst verhief met een haast alsof 't haar te lang had geduurd, zag hij haar oogen van den overkant op zich gevestigd, met een uitdrukking of ze hem naar zich toe trokken en tegelijk afduwden. Er was een verzet, een gekrenktheid en tegelijk een weerloosheid in, die hem in zijn zachten gevoeligen aard schokte.
‘Maar.... Klein - Klein - zijn moeder toch.’
's Avonds vond Francientje hem in de gang loopen. Zij bleef voor hem staan.
‘Je weet het ook hè?’
Hij gaf geen antwoord.
‘Moeder heeft 't mij verteld - jij en ik mogen 't weten, omdat we de oudsten zijn.’
Hij keek zijn zusje aan. Hij had de neiging haar 't zwijgen op te leggen - hij kon niet verdragen dat iemand erover sprak. En hij liep in een absoluut ongekende nijdigheid van haar weg.
Het heele Kerstverlof hing het tusschen hen - tusschen alle uiterlijke vroolijkheid door. Maar den laatsten avond vóór hij weg zou gaan, riep Annette, vroeg naar bed gegaan omdat zij zich niet wel voelde, hem bij zich.
‘Als je wéér komt, zal het nieuwe broertje of zusje er zijn - dan zal alles je ook weer gewoon lijken.’
‘Dat ze het allemaal gemerkt had en begrepen van hem!’ Zwijgend duwde hij zijn gezicht in 't kussen naast haar.
‘Mijn oudste, mijn jongen - mijn groote zoon - hoù je van me?’
‘Ik - ik - ik-e -’ stamelde hij hopeloos verward.
‘Ja, ja -’. Haar hand lag op zijn hoofd. ‘Ja, ja - het is
een beetje.... verwarrend mijn kind - ik word er wat moe van, jullie zijn al zoo groot....’
Hij kuste haat opeens onstuimig. Zij sprak niet meer.
Op een stormachtigen Januariavond werd het kleine Henriëtje geboren. Een fijn blond kind, met groote heldere grijze oogen. Fransje Goldeweijn zat er ontroerd mee op haar schoot, terwijl Fritsje er stug bij stond, de andere kinderen verbluft en nieuwsgierig op de hoogte werden gebracht omtrent de plotselinge aankomst van een zusje. De beide jongsten slikten den ooievaar, maar de vroegwijze Pieter zei minachtend, zijn scherpe blauwe oogen wijd tegen Francientje:
‘Ik weet best, waar 't vandaan komt.’
‘Hoe weet je dat dan?’
‘Van de jongens op school. Ze zeien tegen me: ‘Je krijgt een broertje of een zusje - ik zie 't aan je moeder.’
Francientje bleef stom. Moeders misvormd figuur rees voor haar op. En er was een plotselinge heftige schaamte in haar, een vrouwelijke drift haar moeder te verdedigen tegen jongensonbeschoftheid. Bruusk stoof zij op:
‘Wat heb jij met die jongens over moeder te praten!’
‘Dat doe ik toch niet! Zij begonnen.’
Het meisje werd vuurrood en warm van machteloos verweer. Ze liep weg, gleed de slaapkamer binnen.
‘Moeder - hoor eens -’
‘Ja kind -’
‘Moeder - waarom hebt u ons niet alles eerlijk verteld van 't zusje? Waar 't vandaan komt? Ik kan niet uitstaan dat de jongens op Piet zijn school erover kletsen.’
Annette zweeg. Haar hand lag stil - hoe bleek en mager was die geworden, ontdekte 't kind - op Francines driftige kleine hand. En ze dacht aan haar eigen strijd, haar jonge onwetendheid... Zij had nooit verweten aan haar moeder, maar wèl angstig getast in duister.
‘Als je wat ouder bent Frans....’
‘Nee nù! Waarom nù niet! Als die jòngens 't toch weten, waarom ik dan niet?’
Toen, in zachte woorden, behoedzaam vertelde Annette haar kind iets van 't geheim - genoeg om haar nieuwsgierigheid te stillen.... En toen zij weer beneden kwam liep Francientje heel rechtop uit de hoogte Pieter voorbij.
Pieter liep te staren, met zoekende oogen - en iets in heel zijn intelligente gezicht of hij voortdurend scherp luisterde....
Maar Frederik zat voor een brief aan zijn oudste in Nieuwediep en vond het nòg een moeielijke kwestie om te schrijven.
Het waren vreemde dagen in huis, zeiden de kinderen. Want moeder die nooit ziek was, nooit van huis, lag daar boven, waar baker De Haas regeerde. De oude baker, die niet zoo vlug meer uit den weg kon, en van Bergema menigen uitval te verduren kreeg. Maar mevrouw Annette, zijn lieve vriendin, werd in die dagen plotseling weer het balsturige Annètje waarmee hij zoo menigen onvoordeeligen strijd had gestreden. Ze was weer schuw en stug en keek hem letterlijk de kamer af. En gaf zich met grandioos voorbijzien van zijn dokters-kennis geheel over aan ‘dat vieze oude wijf’ dat al haar kinderen gebakerd had, en waar ze een onomstootelijk vertrouwen in had. Eenmaal kreeg hij zelfs haast ruzie met haar, voor 't eerst sinds hun beider vriendschap. Hij had iets verordend en den volgenden dag zei Annette kalm:
‘Baker vond 't niet noodig.’
Hij kreeg een rooden kop van kwaadheid.
‘Mevrouw, 't lijkt me beter dat u een anderen medicus neemt, die danst naar de pijpen van uw baker.’
Ze werd zenuwachtig en boos. Ze kon er nooit tegen terechtgezet te worden. Maar toen ze hem zag omkeeren, voelde ze opeens dat ze van hem hield. Er kwam een kleine blanke hand tusschen de bed gordijnen uit, en een zachte stem pleitte: ‘Wees nu niet dadelijk zoo kwaad - ik ben een dom mensch in die dingen, dat weet je toch immers al lang.’
Beneden ging het ook niet zonder strijd. Oma stuurde met Neeltje samen het roezige drukke huishouden langs de vele klippen. Met de kinderen liep het dikwijls spaak. Alleen Fritsje genoot oma's bijzijn, maar Philip die altijd met zijn goedmoedigheid veel in 't reine bracht, was weg; en de drie anderen, als oma baasde over dingen waarvan zij niets wist, over boterhammen, over hun uitgaan en thuiskomen - werden soms lastig en opstandig. De oude Fransje miste in die dagen onophoudelijk Annettes zorgende liefde, en voelde zichzelf niet meer dan een verlaten kind. Zij onderging al moeielijker de vertroebelde atmosfeer van wederkeerige geprikkeldheid, en worstelde diep ongelukkig den dag door.
‘Ze houën niet van oma,’ zei ze met twee groote tranen langs haar vermoeid, rood opgezet gezicht - ‘ik had ook in mijn eigen huisje moeten blijven.’
En tot Francientjes diepe ontzetting kwam het op een avond tot een van haar geweldige uitbarstingen.
Francientje wilde een kopje nemen en oma schoof er haar een toe.
‘Neen dàt niet - daar hebt u uit gedronken,’ zei 't kind kattig.
De toon kwetste Fransje zoo diep, dat opeens de oude hevigheid zich in haar baan brak. Ze vloog op, en niet te stuiten stroomden de klachten, de verwijten over het hevig geschrokken kind, dat wit van ellende zich niet te bergen wist voor die gillende luide stem - tot eindelijk mevrouw Goldeweijn de deur uit stoof, in haar blindheid het voorhoofd bonzend tegen den deurpost.
Haar jammerkreet van pijn mengde zich met de kreet van schrik van 't kind - Neeltje kwam aanrennen en Pieter - maar de groote sterke vrouw wrong zich los, begon snikkend en schreiend de trap naar boven te beklimmen.
Boven sloot baker De Haas vlug de deur der slaapkamer, maar Annette, met de ingeslapen baby aan haar borst, had het oude geluid met een hartklopping onderkend, en ze liet Francientje boven komen. Toen zij haar bleek, met verschrikte oogen, schuldbewust zag binnenschuifelen, begreep ze het al. En in tranen, van streek, snikte het groote kind aan moeders schouder het heele verhaal uit.
‘Ik kon 't niet helpen - ik kàn niet drinken uit een gebruikt kopje.’
Maar Annette praatte, sprak van oma's ongeluk, haar liefde voor Fransje, en hoe ze gedacht moest hebben, dat haar petekind niet meer van haar hield. Oma die altijd zóó goed was. Francientje, geschokt, voelde zich plotseling diep schuldig - snikte tegen haar moeders wang.
‘Ga naar oma en zeg dat het je zoo spijt.’
‘Maar oma huilt zoo - zoù oma weer goed willen zijn?’ weifelde het moeielijke trotsche kind rampzalig.
De moeder kuste haar medelijdend, duwde haar dan vastbesloten weg. Ze was doodmoe en erg ontsteld, de snikkende stem van haar moeder trilde nog in haar hoofd, en een plotselinge moedeloosheid dreef de tranen in haar oogen. Ze aaide zacht over het wicht aan haar borst.
‘Mijn kleine troost - mijn eenige kleine zoete troost.’
Boven op de gang stond Sophietje: ‘Oma heeft zich zoo erg gestooten zeg! vlak boven haar zieke oog. Wat heb je met oma gehad?’
Maar Francientje vloog haar voorbij, recht de kamer in van oma. Die zat uitgeput in den grooten stoel, een dikke roode buil zwol op
haar voorhoofd en langs haar wangen liepen de tranen in haar schoot.
‘Oma!’ Voor dit diep ongelukkig beeld wrong Francientjes hart in pijn samen. ‘O oma, wees u niet meer boos, ik hou zoo van u.’
Toen deed oma haar armen open, en in die omhelzing schreiden de twee Fransjes verzoend en verlicht.