BROEIEND hing de warmte van een Meidag over de stad - onder het volk was de stemming geprikkeld. Verarmde luierende kerels slenterden rond, argwanend bekeken als socialen. Verzet broeide - met de aanstaande verkiezingen vreesde men een uitbarsting.
De rijke Amsterdammers fronsten. Liefdadigheid en armenzorg hadden hun ruimen steun gehad - het comité voor Krakatau na de ontzaggelijke ramp in Indië had bewezen hoe ruim en graag men gaf. Maar de nieuwe geest verzette zich oproerig tegen liefdadigheid. Recht! Stemrecht! Opdat wat eeuwen lang was gebleven in handen van een bepaalde kaste, thans uit het volk zou komen: regeering.
Pieter Craets en zijn tijdgenooten wonden zich op - zij stonden scherp gekant tegen den tijdgeest. Daaraan ging ook het stadsschoon te gronde. Nu hadden ze pas weer de Hoogesluis verlaagd. Waar was dat voor noodig. Kwamen de kèrels er niet altijd met hun vrachtkarren overheen? Dan maar geen tram, maar de stad behouden als zij was.
In den tuin, waar mevrouw Goldeweijn den ganschen morgen gezeten had, bloeiden de seringen, de jasmijn. Zij zat stil, haar altijd bezige handen rustend in den schoot. Een doffe hoofdpijn drukte haar oogleden neer, hield haar in een vreemde loomheid beklemd. En maar nauwelijks had ze dien morgen haar tegenzin kunnen bedwingen in de voorstellingen van meneer Prikkebeen, opdat Frits niets merken zou. Nu nòg lag haar breiwerk onbegonnen naast haar op het tafeltje, snoof ze alleen verblijd de bekende geuren.
‘Seringen, paarse en witte, zei Annètje - en jasmijn. Gouden regen stond er ook. Dien had ze niet meer kunnen zien. De gouden regen in Monnikendam.... wat was het toch broeiend warm hier.’
Ze stond op, rusteloos; dwaalde het pad op en neer, voorzichtig schoffelend - luisterde telkens of nòg niet de Dam speelde, dat de kinderen uit school kwamen.
‘Komt er onweer?’ vroeg ze Neeltje.
‘Neen mevrouw. Onweer? De lucht is zoo blauw.’
‘Ik vind 't zoo benauwd,’ prevelde Fransje voor zich heen, ‘ik begrijp niet hoe ik 't dan zoo benauwd heb....’
Aan de koffie had ze opeens het plan met Frits en Sophietje naar 't Vondelpark te gaan. Frederik schudde krachtig neen.
‘Dat gaat niet moeder! Het is te druk en rumoerig in de stad met die socialisten-opstootjes. Als u tusschen het volk raakt, komt u onder den voet.’
Fransjes vroolijke verwachting viel in stukken. Haar slapen bonsden - ze zag ongewoon rood.
‘Maar alleen de grachten langs vader?’ pleitte Sophietje.
‘Dàt mag wel - als jullie aan den huizenkant blijft,’ besliste Annette.
Frederik zweeg, maar onwillig. Hij was altijd ongerust als de kinderen met oma uitgingen. En nu - 't volk was niet te vertrouwen....
Nadat die proclamatie uit Karlsbad hier was aangeplakt - door wie wist niemand - waren de veroordeelingen, de vechtpartijen met de politie niet van de lucht. En dàt waren dan de heeren, waarvoor algemeen stemrecht geëischt werd! 't Rapalje in je regeering!
In 't spion keek Annette het drietal na. Ze hadden goedendag gezegd, moeder stralend vergenoegd om het uitje - bij de deur ongeduldig half lachend zingend: ‘We gaan!
Dàg mekind!’
‘Vandaag of morgen of heelemaal niet!’ dansten de kinderen rhytmisch aan oma's hand de stoep af.
Daar gingen ze. Oma's rijzige rechte figuur in 't midden, aan iedere hand een kind. Ze praatten meteen druk. Annette zag de hoofden der kinderen telkens opkijken en knikken. Nog in later jaren zou zij zich dit prentje in 't spion herinneren: de groene boomen, de zonnige stille gracht, en de drie langzaam wegwandelende figuren.
In de Lange Leidsche Dwarsstraat stond het zwart. De veroordeeling van Van Ommeren, den secretaris van den Amsterdamschen Bond voor Algemeen Kiesrecht, werd verwacht.
Toen de deuren geopend werden, de Partij naar buiten kwam, gingen op straat luide kreten op. Jordaners, oranjegezind, hieven vuisten, heldere wijven gilden hysterisch, en daartusschen drong bang en woedend de politie om vechtpartijen te voorkomen, dreef de menigte, gescheiden, gedeeltelijk de Leidsche gracht op. De socialisten, omringd van hun partijgenooten, waren meteen omsingeld; een vuist sloeg een grooten kerel de pet van 't hoofd. Getier, gevloek, gejammer van onder den voet geloopen vrouwen, ging op. Angstig om de blanke sabels die plotseling getrokken werden, deinsde het volk. Groote politie-versterking rukte aan, had onmiddellijk drie of vier socialisten in hun midden, begon koers te zetten naar het Leidsche Plein.
Tumult ging op, maar ook hier werden de vechters uit elkaar gejaagd. Stompend, duwend, als een kluwen in elkaar verward, rolde de menigte de Leidsche gracht op, stroomde over de Prinsengracht. Hier raakten opnieuw de partijen slaags, draafde politie aan, veegde de gracht schoon.
Mevrouw Goldeweijn was met de kinderen al pratend de Leidsche gracht opgedwaald - en op de Prinsengracht beland. Opeens hoorden zij in hun kalme wandeling rumoer van aanhollende voeten, kreten...
‘Allemaal menschen oma! Ze vechten!’ riep Sophietje ontzet.
De blinde vrouw schrok. Hulpeloos wendde ze zich, luisterde gespannen.
‘Op een stoep oma, gauw op een stoep,’ drong Fritsje beslist.
Ze klauterden beangst een hooge stoep op. Stonden er nu, hand in hand tegen de smalle groene deur van een burgerwoning gedrongen.
Het volk, dat vechtend, gillend, vloekend voorbijdraafde, zag hen. Lachende ruwe woorden vlogen over naar de opvallend groote statige vrouw, die met blinde oogen in haar bloeiend gelaat schijnbaar onbewogen hen aanstaarde.
Een kerel en een groot wijf liepen de stoep over, bleven voor haar staan. Ze voelde de kinderen aan haar hand angstig terugtrekken.
‘Kijk ze staan, trotse medam! Mot je staan kijken hoe we als beesten opgejaagd worden! Ben je in een mooie kemedie?!’
Fransje Goldeweijn kende geen vrees. Ze voelde de vijandige tronies vlak bij zich, en haar groote krachtige handen hielden de bange kinderhanden in vasten beschermenden greep.
‘Menschen,’ zei ze, en haar hooge stem was wonderlijk gedwee en rustig tegelijk, ‘vrouw, ik ben blind - ik kan je niet zien.’
Even poosden ze. Toen stootte de forsche Jordanervrouw den kerel de stoep af.
‘'t Mensch is blind, hoor je 't? Ken je an d'r oogen zien.’
De bende rende voorbij. Politie joeg achter hen aan. Toen was de gracht weer leeg.
Sophietje huilde even na van schrik.
‘Zijn ze weg?’ vroeg Fransje, haar hoofd luisterend keerend.
‘Ja oma.’
‘Kom, dan gaan we naar huis.’
Ze wou opeens naar huis. Ze hield de kinderhanden heel vast, en bezon zich nu 't gevaar dat ze geloopen hadden. Ze dacht aan haar schoonzoon en werd zenuwachtig. Haar hoofdpijn was erger teruggekomen, het bonsde en klopte in haar slapen, in haar achterhoofd. En haar voeten deden zoo wonderlijk.
‘Huil je nog?’ vroeg ze Sophietje. Die zei dapper: ‘Welnee oma.’
‘Neen, want we zijn toch voor ons plezier uit!’ lachte oma. En toen moesten ze alle drie ineens lachen - want oma en Fritsje begonnen een verhaal, waarnaar Sophie met spanning luisterde: hoe de politie kwam en hen meenam, ieder op een paard en voor de deur afzette. Maar oma had 't zoo warm, want die agent had voor 't gemak zijn helm op oma's hoofd zoo lang gezet - als op een kapstok. En later trok hij ook zijn jas uit, en hing die oma om, en zoo reed oma te paard over de Keizersgracht.
----------------
Annette, die het kleine Jetje juist in de wieg teruggelegd had, keek op de klok.
‘Nu zouden ze gauw terug zijn.’
Een geluid, een roep, een driftig kloppen tegen het raam deed haar omzien. Op de hoogste stoeptrede stond Sophietje, met een bleek ontdaan gezichtje en wees, en wenkte.
Een ongeluk!
Annette vloog naar de voordeur, stond op de stoep plotseling overplast van warmen zonneschijn.
‘Wat is 't? Oma onder een rijtuig? Waar is Frits?’
Maar Sophie, snikkende, schudde neen. ‘Ze hadden heusch goed opgepast - ze hadden gewoon geloopen, en oma zei net: “Zijn we er nu nòg niet, wat duurt die weg vandaag lang!” en zij keek net naar de krakelingen van bakker Van Nes op den hoek van de Reguliersgracht - en toen ineens struikelde ze doordat oma tegen haar aanviel. Oma lag op de stoep, Van Nes was buiten gekomen en zijn vrouw, en samen hadden ze oma in huis gedragen. En nu lag oma daar. Fritsje was bij haar, en....’
Maar Annette luisterde niet meer. Ze riep Neeltje om dokter Bergema te halen, en meneer te waarschuwen als hij van de Beurs kwam, en
holde zonder hoed of mantel de stoep af, de gracht langs naar van Nes.
In den winkel kwam de dikke bakkersvrouw haar al ontsteld en ontdaan tegemoet.
‘Ze hadden de oude mevrouw op de canapé gelegd - ze wisten zoo gauw niet....’
‘Nee - nee....’
Annette, den winkel door, kwam de donkere achterkamer in - waar wàs nog meer zoo'n donkere kamer achter 'n winkel - en zag haar moeder liggen, paarsrood in 't gezicht, bewusteloos.
Een kreet ontsnapte haar. Ze zag Fritsje niet eens, die zich huilend aan de slap neerhangende hand klemde. Ze boog zich naar de roerlooze gedaante, die nog kort te voren zoo vroolijk en blij was weggewandeld.
‘Wanneer we terugkomen weten we niet.
Vanavond of morgen of heelemaal niet.’
‘Moeder - o moeder!’
Radeloos staarde ze, keek dan om.
‘Frederik - waar bleef hij....’ Maar meteen zag ze Bergema binnenkomen.
Haar oogen lieten zijn gezicht niet los, tot hij de slappe hand zacht neerlegde.
‘Ze moet naar huis vervoerd,’ zei hij stil. ‘'t Is een beroerte.’
Dien nacht waakten Frederik en Annette om beurten. Laat in den avond was Bergema nog gekomen. Hij zei niet veel. En in den langen lichten Meinacht zat Annette, en dacht aan haar vaders ziekte, ook in 't voorjaar. Ze had altijd gedacht: moeder werd heel oud - die blééf bij haar....
Een angst van verlatenheid beklemde haar plotseling. Met in elkaar geslagen handen zat zij voor 't bed, en keek naar de roerlooze gestalte,
Vroeg in den morgen kwam Bergema terug. Stil ging hij het nog slapende huis door naar de bekende kamer, waar Annette verlangend oprees bij zijn komst.
‘Hoe is 't? Wat denk je?’
Hij hoorde haar angst. En stond zwijgend neer te zien op het bed, de zwakke pols in zijn hand. Toen liep hij naar 't raam, waar Annette stond.
‘Geef het over,’ zei hij zacht. ‘Ze heeft al zooveel afgestreden, en ze is zoo dapper geweest. Als ze nu beter werd, zou ze verlamd zijn.’
Ze ging achteruit of ze een stoot had gekregen.
‘Moeder! Moèder verlamd?! Die groote, levendige, sterke
moeder - die nooit had geklaagd, zou diè zitten, hulpeloos, in vernederende afhankelijkheid!’
‘Neen, neen,’ schreide ze wanhopig tegen 't kozijn geleund, ‘neen, neèn!’
Hij trachtte haar te troosten, hij hield zooveel van haar, en haar hevig verdriet maakte hem van streek. Om hèm hield ze zich tenslotte in - verlangend alleen te zijn.
En de dag ging....
Frederik kwam boven, op de kamer waar hij nooit dan onwillig was gekomen - als een opoffering. Voor 't eerst van zijn leven leerde hij de kwelling van schuldbesef. Wist opeens hij de tallooze keeren, dat de oude vrouw hem altijd weer opnieuw gul en goedwillend was tegemoetgekomen na zijn stugheid. En de hoop was in hem, dat zij beter zou worden, hij nog de kans zou krijgen hartelijk tegen haar te zijn....
Als verschrikte vogels schoolden de kinderen dien akelig vreemden dag in huis. Voor 't eerst beroerde de verschrikkende macht van ziekte en dood hun kleine levens, en ze doken ervoor ineen, huiverig en beklemd. Ze gingen stil naar school, kwamen om twaalf uur dadelijk boven, slopen de zitkamer in, keken met bange oogen naar 't hoekje waar moeder niet weg was. Vreemd, dat oma niet daar zat in den leunstoel - nu eerst wisten ze hoe oma daar altijd gezeten had. En Francientje, met haar berouwvolle moeielijke natuur, haar groote liefde, en groote geprikkeldheden, herinnerde zich opeens zoo vele keeren dat oma verlangend om haar geroepen had om een steek op te nemen of iets te vertellen, en zij weerstrevend slechts gekomen was, zich zoo gauw mogelijk weer uit de voeten gemaakt had. Als oma beter was, zou ze heusch altijd lief en geduldig zijn en elken dag met oma uit wandelen willen gaan. En voorzichtig gaf ze een zoen op de onverschillig koude wang.
Dan verlangde ze dat Philip zou komen - haar beste kameraad; en sloop stil naar de wieg, waaruit ze heimelijk het kleine zusje als een troost op haar schoot nam.
‘Wat 'n dot,’ en er werd iets wakker in het wilde oppervlakkige kind.
‘Je mag 'r niet uit de wieg halen,’ fluisterde Sophietje bestraffend. ‘Ze moet slapen om dezen tijd - ze heeft net gedronken.’
‘Ga weg,’ snauwde Francientje gestoord, ‘laàt me toch.’ En ze begon te huilen, en stopte haar gezicht in 't warme bundeltje.
In den avond kwam Philip, geschokt en bedroefd. Zoo uit het volle roezige jongensleven stond hij vreemd in de ziekenkamer, waar zijn bruine jongenshand - teeder als zijn vader, dacht Annette - zacht
de stille hand vasthield in schroomvallig beklag. Ging hij onwennig door huis, zat bij Francine en liet zich vertellen - stond een moment verbluft voor de wieg, waaruit een kleine, nog niet door hem gehoorde stem kraaide. En in al hun droefheid, moesten ze allemaal plotseling lachen om zijn schrik en verwezenheid.
‘Wat sta je daar?’ zei Sophie vinnig. ‘Is 't soms geen schat..?’
‘Ik - ik e - dacht er niet aan,’ prevelde hij wrevelig.
Hij slenterde de kamer door, kwaad, gegeneerd. Later riep zijn moeder hem. Hij vond haar met Jetje in haar arm.
‘Bekijk je kleine zusje nu eens,’ zei ze.
Hij hoorde, jaloersch, in haar stem een klank die hij niet kende.
Om haar plezier te doen nam hij het handje, keek in 't verwonderd gezichtje. Dan grepen de garnalenvingertjes naar de glimmende knoopen, 't mondje gaapte. Hij vond een klein kind, volgens jongensgewoonte nagepraat, vies en griezelig. Toch was dit wel grappig. Maar hij zei niets.
Later op den dag, toen hij boven kwam om naar oma te zien, zag hij zijn moeder zitten met het zusje in den arm. Hij zag niets dan haar rug, maar instinctief begreep hij en kreeg een kleur. Vond het een idiote toestand.
En hij was blij dat hij haat een half uur later weer alleen zag, voor het bed.
Toen ging hij naar haar toe. ‘Klein....’
‘Mijn lieve jongen.’ Ze legde een oogenblik haar hoofd tegen hem aan.
----------------
Maar in den ouden twijfelaar, met de geel damasten gordijnen, waar de levenslustige Fransje zoo menigen avond haar ziel in lijdzaamheid had bezeten, en met gevouwen handen het gebed had gezocht uit haar kinderjaren - daar ebde nu langzaam en vredig eindelijk dat sterke leven weg - op eenmaal neergeveld.
Langzaam dreef het af - den eindpaal toe. Gleed tusschen hen door - onbereikbaar reeds. Gewiegd op de echo's van tallooze kinderliedjes - In den winkel van Sinkel.... op meneer Prikkebeens avonturen - op het geluid van snelle kindervoeten - op al wat in die kamers daarboven gretig gespannen was opgevangen uit het leven beneden. Hunkerend beluisterd - trotsch of blij, of weenend bewaard.
Dreef het af - langzamer, trager. Een bleek versmald, in bizondere schoonheid verfijnd gelaat - in den vroegen morgen van den derden, dag stil gebleven.
‘We gaan! Dàg mekind!’
Langs de gracht ging Fransjes roodneuzige vriend, de kruier van de Oudebrugsteeg, in 't zwart gekleed, en zei huis aan huis aan, met schorre stem: ‘De familie Craets maakt bekend, dat mevrouw de weduwe Goldeweijn-Stevensen hedenmorgen om vier uur is overleden.’
De wonderlijke burgerjuffertjes, die gezeten hadden bij het roodgesterde blaadje en de karafjes - de doove buurman Hillebran en zijn dochter - de ruige neef Klaas, zoo ontroerd in zijn familiezwak, dat hij Annette en Frederiks handen maar schudden bleef, rood en zenuwachtig trompette in zijn onmetelijken zakdoek - kwamen de trap op van het groote huis, nog eenmaal naar de kamer waar Fransje lag, de mond als in een lichten spotlach om dat goedgemeend kabaal.
En oom Pieter en tante Sophie kwamen. Oom Pieter beneden, snoof en blies, zijn kromme neus paars van aandoening - ‘een kranig wijf, en een lieve vrouw ook.’ Maar tante Sophie liep langzaam stijfjes haar eigen trap op, stond er hijgend in de welbekende kamer - en legde een oogenblik haar trouwe bolle hand op de ineengestrengelde bleeke vingers.
Stance Bremer schreide heete tranen met Annette in haar armen om haar lieve moeder Frans. Maar mevrouw Bremer kwam zitten op den stoel naast het bed, en zat er lang en onbewegelijk stil, als in een woordeloos gesprek met de doode.
Toen zij de stoep weer afging schudde haar hoofd als de kop van een groot droevig dier langzaam heen en weer.
En Annebet Kooistra kwam, verlegen maar vastberaden de hooge stoep op, en stond stil en eerbiedig naast de vriendin, die nooit iets van háár gedachten en strijd begrepen had, alleen maar lachen kon om ‘zulke vrouwen’, maar ook veel had kunnen lachen bij eigen nood.
En Leentje Vink kwam om nog eens haar mevrouw te zien. Annette ging met haar naar boven en ze stonden er te zamen.
‘Ach, ach,’ stamelde Leentje, ‘wat 'n mooi gezicht toch. Weet u nog hoe trotsch uw Pa altijd in zijn hart was op mevrouw? Wat kon ze d'r ook mooi uitzien in vroeger tijd - met die paarse geblomde japon, weet u nog? Och, och, en die arme oogen - ze heb wat overbracht.’
Maar ook de muziekvrienden kwamen - Leedebour en Truida, beiden afzonderlijk. En Cloese legde nog eenmaal een zeldzame roos tusschen de gevouwen handen. Amélie van Dugten omhelsde met
groote tranen Annette, zei: ‘Je hadt een schat van een moeder, Annètje.’ En Bergema, die haar in zooveel moeiten geholpen en getroost had, vervulde ernstig en ontroerd zijn laatste werk.
De zusters Louise en Adolphine bleven beneden - maar boven schreide Caroline ontroostbaar voor den leegen, rood fluweelen leunstoel. En nooit was de verwaarloozing, haar uiterlijk verval van den laatsten tijd zóó aan 't licht gekomen als nu zij stond, rood gevlekt van 't schreien, met verwarde piekharen en ingezakt figuur, tegenover de statige rustige gestalte in bed.
Bij Philip vond Francientje den meesten troost, verteerd van berouw als zij werd, nu zij wist nooit meer iets te kunnen goedmaken. Met Sophie was zij nooit intiem geweest, Philip en zij waren beste kameraden, en de eenvoudige warmhartige jongen vond het verlossende woord onbewust, toen zij schreide.
‘Maar weet je wel Frans, dat oma altijd dadelijk weer goed was - ze heeft 't best geweten dat je spijt hadt.’
‘O ja - o ja oma was zoo goed, maar ik heb haar toch 't verdriet gedaàn.’ En ze benijdde Fritsje, die geen enkele schuld op zijn geweten droeg, telkens in argelooze vertrouwdheid nog met oma, die daar te slapen lag, naar haar toesloop, en stil op de stoof naast haar bed zat. Een kleine wachter.
Maar op den avond voor de begrafenis, toen kransen en bloemen werden binnengedragen in de achterkamer, waar oma nu lag, en daarboven het ledikant vreemd leeg stond - werd zacht gebeld. En Annette, in de gang geroepen door Neeltje, vond er, haar plotseling herkennend in de armoedige kleeding, de eenmaal voor haar kinderlijke oogen zoo elegante mevrouw Weesburg.
‘Ik wou niet binnenkomen Annètje, maar mag ik je moeder niet even goedendag zeggen?’
En daar, nog eenmaal, waren zij te zamen - de getrouwen in nieuwe snufjes en winkelvreugd. Marie Weesburg, vervallen, verkommerd, staarde op de groote stille handen die zoo gul ontelbare malen de hare gevonden hadden - naar 't schoone kalme gelaat, en zij dacht:
‘Die hier zóó liggen mag is gelukkig.’
Ze trok haar dichte voile neer, dat Annètje haar tranen niet zien zou, reikte haar stom een hand. Maar Annette, met ontroerde oogen deze getuige uit vroeger dagen aanziend, vroeg haar vriendelijk binnen te komen, even te rusten.
De ander schudde het hoofd. Voorbij Frederik, dwars door de kinderen heen, ging zij, klein, donker, onaanzienlijk, het groote huis weer uit.
-----------------
Achter de gesloten gordijnen, in die kamer waar vreemd overdag het gaslicht brandde - Frederik haar teeder had goedendag gekust vóór hij de deur uitging - familie en vrienden haar omringden, hoorde Annette den langzamen stap der paarden zich in beweging zetten. Een ontzettende eenzaamheid drukte haar, die haar zonder schreien, versteend en doodsbleek deed neerzitten, haar kleine blanke handen vastgeklemd in haar zwarten schoot.
Weggevallen al wat haar kindsheid en jeugd was.... Weggevallen - in een afgrond. Oh - alleen gelaten - geen vrouw, geen moeder - een alleen gelaten kind....
Ze stond plotseling op, benauwd - doelloos. Toen was een hand om de hare, Stances oogen keken liefdevol, droevig haar aan. En weggescholen tegen de portière in elkaars armen, als vroeger toen zij kinderen waren, schreiden ze samen.