terug  begin  verder
[p. 333]

II

AMÉLIE VAN DUGTEN liep langzaam de grachten langs naar haar eigen huis. Zij had een poos bij Annètje gezeten, het kleine Jetje kraaiend tusschen hen in - tot de groote kinderen uit school kwamen, de kamer vulden met fleurig jong leven.

En Amélie had in haar stoel gezeten en toegekeken. Ze was bij de Craetsenkinderen zeer geliefd en vereerd; een voor een hadden ze haar blij begroet, had haar warm donker gelaat zich in genegenheid naar elk gekeerd. Ze luisterde naar Francientje, die met de rijzige rechtheid, het bloeiende van haar grootmoeder de kamer doorliep en vertelde van pret die ze gemaakt hadden op school bij de zangles. Keek naar Sophie, donker, tenger, heel mooi kind, gereserveerd en koel, die meteen haar handwerkje had opgenomen. Pieter, met de groote scherpe oogen, den forschen neus van zijn grootvader Goldeweijn, hangend voor de vensterbank, met een dadelijk uit zijn tasch gevischt boek; en Fritsje, teer, klein, grauw, een aapje, kleumend bij de kachel, verstrooid en onvriendelijk tegenover vreemden, voor niets oogen hebbend dan voor de twee jonge poezen: Sjukke en Bengalen.

Amélie kende ze van klein af in al hun eigenaardigheden. Toen tante Sophie de stoep opkwam, beladen met pakken - je kon op zoo'n dorp niets krijgen - was zij opgestaan, had alleen even de joyeuse entree afgewacht om de oude vrouw te begroeten.

Tante Sophie bleef eten - oom Pieter kwam straks. Ze zat er, zich koesterend in al het bekende, vertrouwde - haar oud huis - haar uitzicht - de bekende geluiden op de gracht. Zij klaagde niet als zij in Bussum in haar erker met haar handwerk, oom Pieter het hek zag uitgaan, maar zij keek met een zucht soms rond in haar kamers, waar zij niet van leerde houden. En de tuin was een tochtgat - de Gooische dienstboden waren slecht. Zij was in een vereeniging

[p. 334]

voor armenzorg in 't bestuur gevraagd, maar ze kon met de Gooiers slecht opschieten, miste haar Jordaners, die allen haar kenden, en tegemoet liepen. 's Avonds knipte ze uit tijdschriften al wat de kinderen van de Keizersgracht op regenmiddagen kon bezighouden; en Paasch en Pinksterdagen waren mijlpalen waar ze een heel jaar lang naar toe stevende, met honderd plannen voor de logé's.

Amélie ging heen. Thuis vond ze haar kamers groot en leeg. Ze ging zitten in den fauteuil en staarde den stillen tuin in. En ze zei half voor zich heen: ‘Ah! que la vie est quotidienne....’

Van Dugten kwam van zijn kantoor de plaats door. In de waranda bleef hij staan:

‘Amélie, hoe vindt je den tuin nu? Beter zoo hè, met dat pad verlegd. Een klein park.’

‘Ja,’ zei ze, ‘een keurige tuin. Een tuin van menschen zonder kinderen.’

Hij had de zelfbeheersching haar niet aan te zien. Hij dacht, dat zij er zich bij had neergelegd; dat haar kunstzin, haar bevrediging in schoonheid, haar tenslotte de vervulling hadden gebracht. Samen waren ze de jaren door gegaan in een volmaakt harmonisch intellectueel samenleven.... dàt had hij gedacht. Nu opeens viel het gevoel over hem dat hij alleen stond, ze een weg ging dien hij niet volgen kon.

‘Ben je opgeschoten in l'Oeuvre? Ik heb ook de Gids voor je meegebracht met het stuk over Moore, van Netscher.’

‘Wie is Moore.’

Hij negeerde haar lustelooze geprikkeldheid. ‘Moore heeft den naturalistischen roman in Engeland ingevoerd en Zola daar gepropagandeerd. Later is hij weer van Zola afgedwaald. Jij herinnert je toch A Mummers Wife dat we samen lazen op Wight?’

‘Natuurlijk. Ach ja, dàt is Moore, hoe kan ik zoo dom zijn.’

‘En hier iets van je gading: Het Amsterdamsch Weekblad met een artikel van Jan ten Brink ‘Letterkundige stormvlagen’. Over dat stuk in de Nieuwe Gids van Van Deyssel: ‘Ik houd van het Proza’.

‘O ja, dat interesseert me wel.’

Hij lachte. ‘De oude tijd tegen den nieuwen. Machteloos van taal - van een Hollandsch dat afgedaan heeft, zijn eigen onmacht en waardeloosheid bevestigt, juist nu het zich zet tegenover de brandende schoonheid van dit proza. 't Is een merkwaardige periode die we beleven in de litteratuur.’

Maar ze bleef apathisch. Ze had dien morgen met geweld zich willen dwingen tot Van Deyssels vertaling van Akedysseril, en het kon haar niet schelen. Ze zàg het niet. Ze zag alleen dat volle kinder-

[p. 335]

leven in Annetjes huis, waarheen ze gegaan was in de diepe vermoeidheid welke de laatste maanden haar lichaam en ziel drukte. Waar was haar enthousiasme, haar sterk gespannen aandacht. Ze miste opeens ook de energie nog te veinzen om den wil van haar man.

Lange uren had zij gezeten en nagedacht. Schuld en Boete las zij in de Fransche vertaling, en zij peinsde hoe de Russen het intellect eigenlijk niet telden, den sterken nadruk legden op het onbewuste in de ziel. Zij had veel gelezen; den ganschen opbloei van het naturalisme, waaraan Holland vreemd bleef tot nog toe, in de Fransche litteratuur meegeleefd. En nu troffen haar de Russen, na al de breedvoerigheid in beschrijving van Zola, de psychologische uitrafeling, na de uitgezochte woordkunst der Goncourts, als een stoot in haar hart door hun belangrijke en tegelijk eenvoudige natuurlijkheid. Dàt werk sprak ook oneindig meer tot haar, dan al die woordkunst van de Nieuwe Gids - dat blééf bij impressies - inspiraties - momenten. Ze wilden ook niet anders, deze wonderlijke zoekers naar schoonheid, naar muzikale schoonheid vooral, wier optreden ze met belangstelling gevolgd had. Nòg altijd hield ze de sonnetten van Kloos, van Hélène Swarth, van Perk - voor 't mooiste wat in Nederland, na Vondel, aan lyriek verschenen was. Maar zij had den honger in haar hart naar den grooten roman. Niet de momenten bevredigden haar; ze verlangde een aaneengeregen schoon geheel. Dàt gaven de Russen. Datgene wat de jongeren bij hun bestrijding van Zola, hem verweten als gemis: het drama der innerlijke conflicten. En zijzelf, hoe groot de vereering blééf, die zij had voor den Franschman - nòg durfde je hier in Holland een boek van hem niet in je kamer laten liggen, en Line Bergema en consorten vonden haar reeds lang geen fatsoenlijke vrouw meer, wànt zij las Zola! - zij zelf voelde na het laatste werk toch ook de révolte mee dier jongeren tegen wat zij noemden: un violent parti-pris de 1'obscénité.

Zij stond op, liep onrustig heen en weer. Nòg altijd een mooie vrouw al was zij haast vijftig, en dat beduidde hier in Holland oud. Maar zij, die haar jeugd in Parijs had doorgebracht en gevierd was geweest en bekend, zij had immer van die jaren behouden een gratie, een zwier, die haar nog jong deden schijnen.

Die jaren. De laatste maanden waren zij met plotseling onverflauwd leven in haar opgestaan.

Heel jong had zij een liaison gehad met een veel ouderen man; bij haar een verterend hartstochtelijke liefde, van zijn kant een laatste passie, door deze felle, zeer jonge vrouw in hem gewekt. In een coupé van den trein waarin zij samen een uitstapje deden, was hij plotseling dood gebleven. En gedurende de vreeselijke reis van

[p. 336]

twee uren, had zij den tijd te bedenken wat te doen - hoè de situatie te redden voor hemzelf, zijn vrouw en kinderen. Toen had zij plotseling op het perron van een klein station den Hollander Van Dugten gezien. Zij had hem eenmaal slechts ontmoet op een soirée, maar in haar doodsangst sprak zij hem aan, vertrouwde hem in haar radeloosheid.

En hij had onmiddellijk de situatie overzien, sterk onder den indruk van de vrouw, die zelfs in deze wanhopige positie haar waardigheid en hautaine geste niet verloor. Hij was in de coupé gekomen, had haar verzocht onmiddellijk uit te stappen, en heen te gaan. Toen hij haar niet meer zag, had hij alarm gemaakt, in een gesloten coupé een doode te hebben gevonden. Eindeloos waren de last, de moeite, de verhooren geweest - maar het geheim bleef bewaard.

Zij las het relaas in de couranten. Zij was verdoofd, verwezen naar Holland gereisd, met slechts één ding in haar kapotte hersenen: dat hij tevreden over haar zou zijn geweest. Hij hield niet van scènes, eischte onder alle omstandigheden zelfbeheersching en goeden smaak. Rustig was hij door den vreemden Hollander naar zijn huis vervoerd.

De band met Van Dugten bleef. Hij had de uitgelezen welgemanierdheid zich op een soirée als een vreemde aan haar te laten voorstellen, gaf in een boeiende conversatie over kunst geen blijk haar ooit te hebben ontmoet.

Zij verloor bij die houding voor 't eerst haar kalmte. Toen zij met hem zat in een der kleine salons van Couturier, was 't haar te machtig geworden. Haar gepassioneerde sterke natuur verdroeg den ijzeren band der zelfbeheersching niet meer, nu de ééne naast haar zat, die nà haar nog den geliefde gezien had, hem een laatst geleide was geweest. Zij viel plotseling flauw.

Van dat moment af had hij haar niet meer losgelaten. Van 't oogenblik af dat hij haar in zijn armen optilde, wegdroeg tegen zijn borst, had hij geweten, dat zijn leven zonder deze vrouw verloren was. Hij sprak haar ook nù niet over het gebeurde. Maar hij volgde haar als een, die een recht op haar gekregen had.

En Amélie, na den schok, ondervond deze bizondere persoonlijkheid als een troost. Een fijne geest met een uitgebreide kennis op velerlei gebied. In zijn groote praktijk een gezien Amsterdammer. Zij was eenzaam in deze stad, waar zij niet had school gegaan, weinig kennissen had, waar men haar voor niet geheel fatsoenlijk hield om haar Parijsche kleeding, haar vrije manier van leven.

Een verlammende stilte was in haar innerlijk ontstaan door den

[p. 337]

dood van haar amant. Dezen man zag zij als de vriend, de redder in den nood - een ook die alle sluimerende intellectueele belangstelling in haar vermocht te wekken.

Hun kort daarop gevolgd huwelijk was een harmonisch samenleven geworden. Een huis hadden zij gesticht, waar al wie kunst liefhad gastvrijheid vond. Die andere periode uit Amélie's leven lag afgesloten, en slechts het exubérante in deze vroeg wat zwaar geworden vrouw, de hartstochtelijke vonk in de donkere oogen, de bevend bewegelijke neusvleugels, spraken daarvan.

Langzaam echter, zeer langzaam had zich de wond geheeld. Van Dugten en zij hadden geen kinderen gekregen, en zij aanvaardden het beiden schijnbaar zonder protest. Hij zweeg om haar te sparen, en bij haàr verzette zich lang de trouw aan den doode, tegen de gedachte zelfs aan een kind van een ander.

Maar de laatste paar jaar was onmerkbaar een kentering gekomen in Amélie's philosofische gelijkmoedigheid. Kwam het doordat al wat zij bewust en onbewust verdrongen had, plotseling in de nieuwe kunst stem kreeg, als een late echo van haar eigen leven?

Ontsteld kon zij neerzitten tegenover deze nieuwe litteratuur, deze muziek die openscheurde met enkele rake, niets ontziende zinnen, wat diep bedolven had gelegen. Met Wagners Tristan und Isolde was het begonnen - met Zola ging het voort, met de Russen werd het voltooid. Anna Karenina had haar meegesleept - en zij vroeg zich verbijsterd af of zij negen-en-veertig was.

Met de oprakeling van langgeleden gevoelens, doemde plotseling op het besef hoe het leven voorbij was. Hoe ver achter haar reeds lag wat de dichters bezongen, en het eene, dat had moeten volgen als de brug waarover de gang naar den ouderdom licht werd en natuurlijk, het kind, was niet gekomen.

In deze wonderlijke dagen werden de diepste instincten van den mensch tot leven gewekt. En slechts zij, die zich bergen konden in de veiligheid van bevredigde natuur, kregen een kans er ongeschokt en ongehavend door te komen.

Dien avond toen Van Dugten binnen kwam, en haar wéér vond zitten zooals zij dien morgen had gezeten, - vermoeid en lusteloos en zwaar - brak hij het zwijgen.

Hij kwam tegenover haar, zijn goed gezicht bezorgd, en zei:

‘Amme - wat is er?’

‘Er is niets.’

‘Dat er niets is kan 't juist zijn. Wil je me dat niet nader omschrijven?’

Zij keek hem aan, diep en lang met haar wonderlijke oogen. En

[p. 338]

werd zich opnieuw bewust welk een absoluut betrouwbaar kameraad deze man was. Als dien lang geleden middag op een klein Fransch perron.

‘Bernard,’ haar stem fladderde, ‘ik was bij Annètje Craets - zulken als Annètje, en zelfs als haar moeder met haar rampzalige oogen - gaan in veilige haven....’

Hij wachtte, zijn gedachten vlogen.

‘Vrouwen als ik.... nu de jaren komen....’

‘'t Is heel natuurlijk,’ ving hij haar, ‘dat je leegte gevoelt, maar 't hoeft niet zoo te blijven -’

‘Wàt zeg je?’

Hij stond op, keek in zijn geliefden tuin - en dacht: ‘Als het moèt....’

Toen hij zich weer omkeerde, zei hij:

‘Waarom zouden wij geen kind aannemen? Of desnoods twee? Geloof je dat we een kind waaraan je al je zorgen geeft - dat hier in huis opgroeit, - niet even liefhebben kunnen als eigen ouders?’

Zij zat verbijsterd.

‘Ik weet niet - het is niet gegroeid in je gedachten gelijk in je lichaam.’

‘Maar nu zou het groeien met onze gedachten.’

Ze keek hem opeens strak aan.

‘Is het.... een wensch van jou ook?’

‘Geen oorspronkelijke, neen.’

Ze verslapte weer. Ze wist: het was hèm geen gemis geweest. Hij was volkomen tevreden met haar. En een vreemd kind in huis nemen, was voor haàr gevoel iets gewelddadigs; het zou alleen iets geweest zijn, als ze er tevens een wensch van hem mee vervullen kon.

En zoù het de vreeselijke moeheid wegvagen die alles overspande als een vaal gordijn....

Hij keek naar haar en den ganschen avond liet het hem niet meer los: die andere episode uit haar leven.... En hij zocht in wantrouwen en bittere vrees naar haar gedachten.

Maar hij had de beheersching niet verder te vragen.

terug  begin  verder