LOUISE en Adolphine zaten in 't middaguur bij Annette. Zij vertelden van visites die zij gemaakt en ontvangen hadden - verlovingen, en hoe de families geparenteerd waren. Van den jongen dominee Rickers, trouwe bezoeker bij de dames Craets, die er een bereide beurs voor alle nooden vond....
Louise zweeg eindelijk. Haar blik hechtte zich scherp aan Annettes hoog, zeer modieus kapsel. Sierlijk gedoft stond het volle bruine haar getorend op het kleine hoofd. En ginds in de andere kamer had Adolphine een flits gezien.... een avondjapon?
‘Heb je een nieuwe japon, Annette?’
‘Ja Phine.’
Annette liet zien: een japon van faille met breede zilveren gebrocheerde streepen. Zilverkant garneerde het decolleté, vormde een chou op den schouder, hier en daar op den rok.
‘Van Hirsch?’
‘Ja, van Hirsch.’
Louise keek Adolphine aan, kneep haar lippen opeen. ‘Toiletten zooals de deftige Hollandsche vrouwen ze niet droegen, die Parijsche modes. Maar Annette....’
Louise vooral was Annette in de jaren nooit nader gekomen. Maar zij zocht het huis in de hongerige gehechtheid van haar familiezwak, om de kinderen van haar broer. En in dezelfde gehechtheid duldde ze geen afwijken ooit van de avondjes - Zondags om de veertien dagen - waarbij in de voorkamer trekjes of quadrille gespeeld werd, en om tien uur precies Mijntje in de achterkamer het boterhammetje opzette.
Annette waren die avondjes een beproeving. Zij zaten in de suite bij de altijd walmende petroleumlamp. Louise wilde geen gas, hield hardnekkig vast aan haar ‘prachtige lampen.’ En Annette
zag nu en dan een roetvlokje vallen op de schuimtaartjes - ze zag ze in de spiegel op haar eigen neus - zag Frederiks smetteloozen zakdoek zwartig besmeurd en de kinderen ongeduldig poetsen. Alleen Louise zag niets. Er mankeerde aan die beste lampen niets.
Geen gas, geen overbodige luxe in haar huis! geen verweekelijking! In den winter werd maar nauwelijks toereikend gestookt; de overgang naar buiten was anders te groot, veroorzaakte verkoudheid. Een kruik was verwennen, en heimelijk liet Caroline den verwarmenden troost toch door Mijntje in bed leggen.
Haar gansche levensvervulling wilde Louise vinden in deze taak: de verzorging van haar zusters, en zij had zich gedwongen met ijzeren zelfbeheersching geen gedachte aan vroegere mogelijkheden en wenschen meer toe te staan. Het was duidelijk: dit had God voor haar bestemd, dit had zij te aanvaarden, dankbaar voor Zijn genade - zonder vragen of verzet. Zóó was in de eenmaal gevierde mooie Louise alles van het eigen innerlijk gedwongen in één richting, dat langzaam onder dien dwang ook alle levend begrip van anderen was verstorven. Had moeten sterven om niet de eigen moeielijk verworven rust te storen. Er was een vlucht, een veiligheid, een gemak in niets vragen, niet wroeten, zich maar overgeven aan een wil die beschikte. En haar vrouwwezen, dat smachtend eenmaal naar de natuurlijke vervulling teruggedeinsd was voor den man, zocht thans de bevreding in een zalige overgave aan een Sterke, die haar bedwong, streng en onverbiddelijk. Er kon een vreemde vonk gloren in Louises nog altijd mooie zwarte oogen - van dweepzucht en onbewust zinnelijke overgave, als zij op winteravonden de vrome romans lazen, door dominee Rickers aanbevolen. Maar als Frederik in haar bijzijn Annette kuste, wendde zij zich af, beleedigd als bij een onkuisch gebaar - en 's avonds op haar kamer vouwden zich haar fijne blanke handen vaster, gaf zij zich in extase over aan den Vader, die haar met strenge hand leidde en sloeg....
Kindervoeten draafden de stoep op - de bel luidde. Louise keerde zich verwachtend naar de deur.
‘Moeder!’ Ze vlogen binnen. Francientje aan moeders hals, Sophietje langzamer volgend.
‘Moeder, mag ik nog wandelen met Lize?’
‘Neen Fransje, nu zou ik eens thuisblijven. Phietje, zie je niet wie daar zitten?’
‘Dag tante - dàg tante!’
‘Wèl, wèl!’ Louise's stem verzoette in vleiende beminnelijkheid: ‘wat worden onze meisjes groot. Je groeit tante boven 't hoofd, Sophietje....’
‘Ja tante...’ Het kind bleef bij haar staan, zocht een gesprekje...
‘Moeder,’ Fransje bukte ongemanierd fluisterend naar Annettes oor: ‘Frits is boven - hij huilt zoo - hij heeft gevochten - meneer heeft dit briefje gegeven voor u....’
‘Wat moeten ze altijd met dat kind!’ ontviel Annette driftig. Zij zat op heete kolen, het liefst was zij dadelijk naar boven gevlogen, maar ze verdroeg Louises inmenging niet.
Toen haar schoonzusters eindelijk opstonden, opende ze het briefje.
‘Frits was een luie leerling, verstrooid en onverschillig. Maar sinds een poos openbaarde zich bij hem een noodlottige neiging tot liegen. Nu weer had hij de klas en ook den onderwijzer, dagen lang een heel verhaal voorgejokt over een groot huis, waar hij logeeren ging - met paarden en koeien in de stallen, een grooten tuin en allerlei moois. Hij vertelde het allemaal zóó overtuigend dat iedereen erin liep. Maar toen de onderwijzer die het niet vertrouwde, hem op een tegenspraak betrapte, en hem, toen hij zich verwarde, aan de kaak stelde, de jongens hem uitlachten natuurlijk, was hij er een aangevlogen en had geslagen en gebeukt.’
Annette vond den kleinen jongen op zijn kamertje.
‘Fritsje....’
Annette ging zitten, trok het kind, dat rampzalig verkrompen tegen de vensterbank hing, op haar schoot.
‘Vertel 't me maar.’
Maar Frits zweeg. Hij kòn niet zeggen wat hem overstelpte. De eenige verlossing uit zijn afschuwelijk schoolbestaan: het leven in oma's verhalen, leek al verder en verder weg te gaan sinds oma er niet meer was - en in een drift, een hevige begeerte het voor zichzelf terug te roepen, had hij het hardop willen vertellen aan de jongens.
Eerst hadden ze geluisterd, verwonderd en belangstellend, en hij had telkens weer doorverteld - maar de onderwijzer was er bij gekomen, en die had hem ineens een vraag gedaan die hij niet begreep. En toen had hij zich verward, en waren ze gaan lachen....
De gemeene lach van den onderwijzer die hem vasthield met zijn dóórvragen als een muis in de val, had hem razend gemaakt. En toen ze op de speelplaats daarna hem waren gaan plagen, was hij den langen Karelsen aangevlogen....
Maar 's middags had Fransje in de gang gestaan - zijn groote zuster. Die kreeg een briefje mee van meneer. En in zijn vernedering was hem dàt een balsem geweest: de verachting waarmee Fransje uit de hoogte den onderwijzer en de jongens bekeek, toen met haar hand op zijn hals beschermend en goedig zei:
‘Kom jij maar met mij mee, jongen!’
Bij stukken en brokken kwam Annette eindelijk alles te weten. En haar zachte stem, donker van verontwaardiging had gepraat:
‘Fritsje, die dingen van oma, - je moet oppassen ze voortaan niet meer te vertellen aan vreemden. Die moet je voor jezelf houden - alleen wij samen kunnen er wel over spreken. Het is 't zelfde, als dat je iets, waar je veel van hieldt, oma's ring bijvoorbeeld hier aan mijn hand, in de modder gooide.’
Als een ontvluchte uit een kerker, keek zijn schuchtere ziel haar aan. Hij, die zoo moeielijk en slecht leerde, geen eenvoudige som kon begrijpen, doorzag dit dadelijk en besefte helder zijn fout. Hij schaamde zich nu alleen nog over zijn domheid.
‘'t Zijn schoften,’ zei hij, en 't woord brak als een vloek uit den brozen kindermond.
Eén ding wist hij nu onherroepelijk: alles van oma was weg - voorgoed. Zelfs moeder kon daar niets aan doen. Hij moest erover zwijgen - gebeùren kon er niets meer ooit.
Maar de volgende dag zag een vertoornde moeder de school binnenzeilen met vliegend vaandel. En later zitten hoog en ongenaakbaar tegenover een korzelig bedremmeld schoolhoofd en een nijdig verlegen onderwijzer. En vlijmend scherp kwam het oordeel over die beiden van de zachte weeke lippen. Hoe een onderwijzer niet alleen sommen en taal had te leeren aan de kinderen, dat zijn taak verder ging. Dat een moeder haar kind aan hem toevertrouwde. En dat het onmannelijk en onmenschelijk was een kind prijs te geven aan den spot van een heele klas. Een zedelijk pak slaag van een sterke aan een weerlooze. Een lafheid en een domheid. En zij vertelde kort en duidelijk de toedracht der zaak.
De onderwijzer droop af naar zijn klas. Het schoolhoofd pleitte verzoenend: hij zou extra op Frits letten, natuurlijk niemand had dit alles geweten - en het was onervarenheid geweest van den jongen man. Met de andere Craetsjes was er toch nooit iets geweest, een apart geval dit....’
Maar Annette werd niet vriendelijk. Koel ging zij de uitgesleten stoep af, die haar kind iederen dag met vrees en afkeer beklom.
Aan Frederik vertelde zij de scène later.
Hij lachte goedig.
‘Ik vind het wèl wat erg, maar ik zal er hem niet hard over vallen.’
‘Dàt moest er maar bijkomen!’
‘???’
‘Ik heb dien onderwijzer uitgeveegd.’
‘Jij?’
‘Ja ik. Zeker.’
‘Maar lieve schat, dat is toch bedenkelijk.’
‘Wàt is bedenkelijk? Weet je wàt? Dat onze jongen door zoo'n kerel vermoord wordt geestelijk. En ik heb het hem gezegd. Dat hij een lafaard en een domoor is.’
‘Maar Annètje!’
‘Ja zeker. Zulke dingen zeg ik, als ik het noodig vind.’
‘Maar ik vraag je, waar blijft het prestige van de school?’
‘Van zóó'n school?! Wou jij daarvan een prestige hoog houden? Tegenover de kinderen soms?’
‘Tegenover de kinderen, ja waarempel.’
‘En zoo'n arm schaap alleen laten staan in de kou. Dat is niet eerlijk.’
‘Maar vrouw, begrijp toch! De jongen moet toch man worden - mensch. En dat gaat eenvoudig niet als hij maar den heelen dag blijft suffen over verhaaltjes van oma. Dat heeft den jongen totaal bedorven voor alle hersenwerk.’
Haar oogen waarschuwden.
‘Nu ja, nu ja, ik weet wel, 't is allemaal in liefde geschied. Maar nu moèt hij daar toch overheen geholpen.’
‘Hoe denk je dat dan te doen?’ wantrouwde ze.
‘Door hem op andere gedachten te brengen. Zijn geest af te leiden. Ga eens met hem naar Artis - en ik neem hem mee 's avonds langs het IJ.’
Zoo vond Frits een nieuwe sfeer om zich ontstaan. De jongens in zijn klas plaagden hem niet meer, sinds de uitbrander door het schoolhoofd aan de volle klas gegeven. Maar ze lieten hem links liggen. De onderwijzer was correct en koud - de moeder die hem terechtgewezen had, zat hem dwars - gaf hem de cijfers die hem toekwamen, altijd lage, zonder verder eenige notitie van hem te nemen. En alleen zijn oogen smaalden over den jongen dien hij nu eenmaal niet uit kon staan - en hard hatend keken de kinderoogen terug.
Frits leefde er eenzaam, uitgestooten haast, maar hij vond het rustig, Met de grooten, Pieter en Sophie, ging hij wel na vieren spelen in den tuin van de Hereeniging in de Vondelstraat. En thuis bemoeide zijn vader zich veel met hem. Ging met hem naar Artis en vertelde over de dieren. De anderen luisterden geboeid, maar Frits kon 't niet schelen. En eens, na een spannend jachtverhaal over leeuwen, tijgers en olifanten, waarbij de anderen ademloos hadden geluisterd, misten ze hem plotseling; en vonden hem een eind verder zitten droomen met een gewone dikke huispoes in zijn armen.
's Avonds ook, in voorjaar en zomer, nam Frederik hem mee op
zijn geliefkoosde wandeling langs het IJ. Francientje was daar dol op. Ze liep aan vaders arm en babbelde honderd uit. En 't bevallige kind, dat zoo aanhalig en lief deed, was zijn vreugdige trots.
Maar hoe groot werden ze al!
Dat zeiden zij, elkaar in de oogen ziende, soms met verwondering en iets van weemoed.
Annette kon denken hoe een groei zich in hun kinderen voltrok, die buiten hen omging. Wie had dit vermoed, toen zij allen klein waren? Nu, in de eenzaamheid die haar dikwijls bekroop - bij al de liefde van Frederik een eenzaamheid in haar denken - wist zij soms plotseling duidelijk, dat alleen het kleine Jetje nog haar eigendom was, de anderen al eigen wegen gingen.
En in een diepe verteedering kon zij het kleintje knuffelen en zeggen:
‘Zoo'n schat als dit heb ik nog nooit gehad.’
En dan dacht zij aan haar oudste. Zij wist, dat Francientje buiten school dikwijls met jongens liep, en 't had haar toen zij 't ontdekte, geschokt. 't Was iets heimelijks. In haar eigen open blank meisjesbestaan was nooit iets te verbergen geweest.
Toen zij er met Francientje over sprak, toonde het kind een vroegrijpe coquetterie, die haar kwetste.
‘Geef je wat om dien jongen?’ vroeg zij, en toen de oogen van 't kind de hare ontmoetten was zij het geweest, die onzeker terugtrok of zij iets belachelijks gezegd had.
‘Hij geeft om mij.’
‘En vindt je dat zóó prettig, van zoo'n jongetje?’
Dieper dan ze zelf vermoedde, raakte ze Fransje hier. In haar trots. ‘Dat moeder hem zóó zag....’
Haar vlinderhart, ontrouw aan alles, behalve aan al wat thuis was, liet hem al half los.
‘Je laat je toch niet zoenen?’ zette Annette 't verhoor voort met een vies gezicht.
En toèn had Francientje moeten lachen, onbedaarlijk! Moeders gezicht! Ze was opgevlogen en had haar omhelsd.
‘Schat - wat ben je toch een dòt!’
Maar Annette duwde haar af, drong aan: ‘Is 't zoo?’
‘'t Is... wèl... eens gebeurd... Maar...’
‘Jasses Frans!’
Zoo hartgrondig kwam 't eruit, dat Francientje zich plotseling geneerde voor zichzelf, voor haar wandelingetjes, haar draaierijtjes
waar ze Fritsje in betrok, die vereerd en trouw zweeg - het kleine broertje dat ze voor de ‘sta’ meenam. Plotseling hier in de kamer, met moeders ernstig verdrietig gezicht, stond dat alles in een minderwaardig licht.
‘Ik zal 't niet weer doen,’ zei ze spontaan, en ze meende het eerlijk.
Maar na vier weken was er een andere jongen, en Francientje Craets flirtte opnieuw en even hard.
Tegen Frederik, die gemoedelijk alleen het fleurige van zijn kinderen genoot, kwam Annette op een dag verontwaardigd los.
‘Frederik - ben jij de vader van dat kind?’
‘Ik heb me er altijd voor gehouden ja -’
‘Doe niet zoo mal. Ik wil dat jij nu eens met haar praat - ernstig - streng zie je. Dat gaat zóó niet.’
Frederik zuchtte. Hij wou die dingen maar veel liever niet weten. Nu moest hij er iets aan doen of hij kreeg 't met Annette aan den stok. Hij ging met Fransje theedrinken aan het Tolhuis - zij hing aan zijn arm en hij was zoo trotsch op haar, dat pas op den terugweg hij fut kreeg over 't geval te beginnen.
Ze knuffelde zijn arm vast tegen zich aan.
‘Nee vadertje, heusch, 't gebeurt niet meer.’
‘Een schat van een kind,’ zei Frederik 's avonds tegen Annette, ‘en 't heeft niets te beteekenen, ze heeft me verzekerd dat 't uit is.’
Ze keek hem aan, over de tafel, haar gezicht half spot, half ergernis.
‘Frederik - dat je de verkeerde dingen van de kinderen nooit zien wilt....’
‘O jawel: Fransjes coquetterie, en Pieters humeurigheid, en Philips hardleerschheid, en Sophietjes kattigheid, en Fritsjes onmaatschappelijkheid, en Jetjes - neen aan die volmaaktheid hapert niets. Mijn arme schapen.... och ik kijk maar alleen naar de goede dingen, to some good angel leave the rest!’
Ze fronste: die zucht van hem alleen de goede zijde van 't leven te willen zien, de rest te negeeren, was haar volkomen vreemd.
‘Ik.... begrijp dat nooit van je. Je moet toch ook 't minder goede willen zien?’
‘Waarom?’
‘Omdat het anders het geheel niet is. Omdat het de waarheid niet is. De waarheid is 't een zoowel als 't ander. In je zaken dan, op kantoor, zie je daar ook alleen maar naar 't plezierige?’ riep ze geprikkeld.
‘Dat 's heel wat anders. Zaken zijn zaken. Daar laat je niets over je kant gaan. Daar zou wat van terecht komen!’
‘Maar in huis! Je kinderen! Zijn wij je dan minder waard?’
‘????’
‘Ik bedoel: op kantoor, in zaken, wil je de waarheid nietwaar? Je bent een eerlijk mensch, je zoudt geen oneerlijkheid dulden in je handeling tegenover een ander, een handelsvriend.... wel?’
Hij lachte goedhartig.
‘Neen Annètje.’
‘Als je twijfelt, als je niet zéker bent, zoek je tot je de waarheid hebt?’
‘Ongetwijfeld.’
‘Maar hier in huis kan je de waarheid niet schelen.’
‘Maar vrouw!’
‘Neen, néén!’ riep ze heftig. ‘Als iets in de kinderen je verkeerd lijkt, dan kijk je eenvoudig een anderen kant op.’
‘Maar goede hemel, wat zal je op zulke kleinigheden zoo'n nadruk leggen! Ik voel veel voor dat beproefde kleedingstuk: de mantel der liefde.’
‘Je zult later onder je mantel der liefde nog met de gebakken peren zitten!’ zei ze vinnig.
Hij lachte vrijuit, en zij stond een oogenblik bij de tafel, kribbig, in verzet, eer zij naar boven ging om zich te kleeden. Toen zij de trap opliep, dacht zij, hoe lang geleden een jongen gelijk met haar gedacht had, en zij daarin een zeldzaam geluk had gevonden. Maar boven op het portaal gekomen, zag zij opeens haar moeder met haar vroolijken lach. En zij hoorde haar zeggen, verachtelijk met haar hooge stem:
‘Ik heb gelukkig nooit gedacht!’
En toch had die zon gegeven, en zooveel liefde, kracht, moed. En was Frederik niet een zon in huis, meer dan zij, met al haar denken.... Zij stond nog voor haar toilet, toen hij binnenkwam.
‘Annètje, mijn Annètje - waar haalt zoo'n wijze vrouw toch al dat onverstand vandaan! Jà, onverstand! Een vrouw krijgt rimpels van te veel denken - rimpels als Truida Leedebour - wéét ze dat wel goed? Wèg haar gladde gezichtje. Kijk, daar komt een diepe. Dàt is de waarheid nu. Zie je, ik ben toch consequent, want ik wìl er niet naar kijken.’ Hij gaf er plagend een kus op, schudde haar. ‘Hoor Aesopus!’
Ze begon te lachen.
‘Waarom Aesopus? Wie is dat?’
‘Ken je het weer niet, dat mooie vers: De Waarheid en Aesopus. Voortaan noem ik jou Aesopus.’
‘Hoor vader eens lachen!’ riep Fransje en ze draafde het portaal op. ‘Vader plaagt moeder zeker!’
Ze kwamen allemaal aanhollen - en later herinnerden zij zich dit: vader en moeder boven aan de trap, moeder blozend, vader met zijn arm om haar heen, één en al lach.
En Annette dacht:
‘Wat sta ik hier - zoo ernstig, zoo suf, en zoo saai....’