terug  begin  verder
[p. 348]

IV

JANUS VINK kwam moeielijk zijn huis binnen in de Anjeliersstraat. 't Volk van den Jordaan was te hoop geloopen nu op de Lindengracht de politie de touwen had doorgesneden bij hun geliefd spel, het palingtrekken. Dat werd daar opeens als dierenmishandeling verboden! Opgeruid al maanden, vloog de woede in de weerspannige, geen enkelen dwang ooit verdragende Amsterdammers op.

Duizenden kwamen op de been; aan de lantaarn bij de Zaterdagsche brug was een roode vlag geheschen. Een rechercheur werd in 't water gedrongen, en vóór nog iemand het goed onderkende, leefde en tierde het oproer in den Jordaan. Alleen Mens, de koning van de Willemstraat, hield zijn buurt rustig. Zijn zonen waren het, Jacob en Leendert, die de roode vlaggen weer afrukten....

Tegen donker golfde de menschenmassa de nauwe straatjes en grachtjes langs - oproerige liederen zingend. Lantaarns werden uitgedraaid, straatsteenen opgegraven - een hagelbui van keien begroette de aanrukkende politie. In de Anjeliersstraat wierpen belhamels groote barricaden op.

De Amsterdammers zagen het met schrik - bleven in hun huizen, verboden hun vrouwen en kinderen uit te gaan. Vroeg in den morgen stond een versterkte politiemacht voor de Nederlandsche Bank - en op het stadhuis hielden burgemeester en wethouders doorloopend zitting. Van Dugten, vaal van vermoeidheid, hij kon niet tegen de warmte in de stad, zette met geweld tegen zijn afmatting kampend, zijn klare beschouwing uiteen, met de koelheid van geest welke altijd ieder die zijn vadsige dikheid aanschouwde, verbaasde. Hij was ook een der weinigen die dit gebeuren niet den socialisten in de schoenen schoof - erop wees dat dit alleen was opgescherpt verzet tegen de politie, na eenige keeren onverstandig optreden.

[p. 349]

Janus Vink werd razend op zijn klagende verwijtende vrouw, die brandhelder in haar kraakzindelijk kamertje zat voor den glimmend gepoetsten koffiepot en maar riep: ‘dat hàd ie nou van zijn smerige rooie soozejalen!’

Hij gaf al lang geen antwoord meer. Hij stond, in 't nauw gedreven, pal voor zijn buurtgenooten die geknot werden in de vrijheid zich te amuseeren. Een paling was geen mensch, daar hoefde je je zoo druk niet over te maken, een beest voelde zoo nauw niet. 't Was niet verstandig wat ze deden, want je dolf altijd 't onderspit; maar gelijk hàdden ze.

In den voor 't meerendeel oranje-gezinden Jordaan zat hij niet plezierig meer sinds Nieuwenhuis in Recht voor Allen als maar den koning affronteerde. Waar was 't voor noodig, al hàd hij gelijk. Vroeg je hèm, hij was er glad voor om in alle bedaardheid zonder menschenmoord, de koningen af te schaffen. Maar zoo was hij met zijn Jordaners, al zijn goeie vrinden sinds jaren, op een gespannen voet gekomen. Hij droèg geen oranje, en hij stàk geen vlag uit, en hij bleef achter in zijn kamer zitten als de koning en de koningin met 't prinsesje door de Willemstraat reden, en hij verbood zijn kinderen te gaan kijken. Dat zette kwaad bloed - en 't beroerde was dat Leen en de jongens het te lijden kregen. Ze scholden ze voor rooie soozejalen, en ze hadden zelfs een paar keer gevochten tot hij er tusschen kwam.

Het deed 'm zeer en hij dacht erover te gaan verhuizen, nu zijn nieuwe baas tòch heelemaal op Kromboomsloot woonde. Maar noù, met dit paling-oproer was hem de gal overgeloopen tegen de politie, vergat hij allen haat en nijd van zijn geburen, stond hij vierkant aan hùn zij. En met voldoening had hij de huzaren zien afdeinzen na den steenenregen, en zelf meegeholpen aan het opwerpen van de barricade in zijn straat.

‘Dàt was geen menschenwerk meer! paardenvolk opjagen tegen weerloozen - dat was duivelswerk - daar sting je hart bij stil.’

In de kamer zat Leen en huilde, dacht aan haar fatsoenlijken dienst, aan haar oude mevrouw, aan haar Janus-van-vroeger; een wildeman nu die zich daar met zijn grijzen kop woedend weerde bij de barricades.

Langzaam verschemerde de dag in den avond - ging de zon onder over den heeten Julidag. Maar in de straten bleef het onverminderd druk. En plotseling werd in het getier een gerucht verneembaar en begrepen: infanterie, die aanrukte met geladen geweren.

Gebrul, gekrijsch, gevloek, sloeg op in de nauwe donkere Anjeliersstraat. Vrouwen, gillende, vluchtten; nieuwsgierigen, journalisten raakten onder den voet, bij het krakend losbarsten tusschen de

[p. 350]

grauwe huizenmuren van een salvo, dat in zon doorstoofde, stikkend benauwde kamertjes, de menschen deed ineenkrimpen van schrik.

Toen, daarbuiten in de straat, hoongelach - uittierend. ‘Een salvo in de lucht! Ze dòrsten niet te schieten!!’

Uitdagend, den angst ziende van de jongens, die bleek, aarzelden te schieten, joelden en lachten de Jordaners - een groote kei vloog over naar de soldaten.

Een kort bevel....

Donderend helsch rumoer - gejammer dan in de nauwe menschenvolle straat. Met een gil had Leentje Vink de deur opengerukt; en met nòg een gil, die snerpend door al 't rumoer drong, was zij de barricade opgestruikeld, waar een grijze groote kerel, ontzind van drift de geweerloopen tegemoetstormde met heftige gebaren.

Veel jonge mannen, onwillig te schieten op hun eigen volk, richtten de geweerloopen hoog, over de hoofden; maar anderen schoten, angstig om lijfsbehoud. En hun ontzette oogen behielden het beeld van den grooten grijzen Jordaner, die rood van toorn, onbevreesd hen tegenrende, de geweerloopen trachtte omhoog te slaan: ‘Mannen! motten jullie je zonen, je broers, je eigen volk moorden! Wèg met de geweren! Vrede! Vre....’

Plotseling lag hij, neergestort in zijn bloed.

Gegil ging op - nieuwsgierigen die zich naderbij gewaagd hadden, vluchtten. In de nauwe straat weerden zij zich, trapten over gewonden en stervenden. En een wanhopige dolle vrouw beukte en sloeg zich een weg naar de plek, die haar radelooze oogen vasthielden, waar ze Janus had zien vallen. Ze vocht vertwijfeld, niet achtend de bajonetten, de charge, die de straat trachtte schoon te vegen. Een woedehuil krijschte uit haar rauwe keel, toen ze neerstortte bij den bloedenden man, in haar armen zijn weggezakte hoofd beurde tegen haar borst. Wanhopig zochten haar oogen de deur van haar huis - hoe kreeg ze hem daar!

Toen was in 't tumult naast haar een heesche stem:

‘Pak an, tante Leen, we motten 'm wèghebben!’ En ze zag naast zich Jaap, haar zusters kind, dien de tranen over zijn vuil, verhit gezicht liepen.

Samen tilden ze het roerlooze lichaam op, sleepten hem achterwaarts de barricade af, tegen de huizen gedrongen, weg uit het gedrang. Buren vormden een haag, stootten de deur open; en ze stortten het huisje in, smeten beangst de deur toe, legden het zware lichaam op bed.

Hij was niet dood, dat zag ze meteen. Zijn oogen trachtten haar te groeten, bedroefd - en uit zijn doorschoten borst rochelde de

[p. 351]

moeielijke adem. Gehavend, haar nette gladde haren losgerukt, zwierend om haar hoofd, haar heldere keurige kleeren verscheurd en bebloed, haar gezicht verwilderd en verwrongen in angst en ellende, boog ze over hem heen, hem liefkoozend met haar magere pezige werkhanden. ‘Janus - Janus - lieve Janus....’

Wìst hij hoe ze hem bevochten had aan de soldaten, niet achtend haar eigen leven - gevochten als een furie om zijn lichaam? De fatsoenlijke huilende Leen die hem zoo geërgerd en teleurgesteld en alleen gelaten had in zijn eerlijke overtuiging, zijn strijd, was verdwenen. De heftige, sterke, liefhebbende meid uit zijn jonge jaren was daar eindelijk en opeens weer bij hem. Die daar in die hel zijn kapotgeschoten lichaam in haar armen gekneld had en zijn armen kop tegen haar borst beveiligd.

‘Dàt is.... dat is.... Leen....’

Zij alleen verstond hem, hoe zacht en gebroken zijn stem - en begreep. Dan stikte zijn stem in een bloedgolf, die zijn longen vulde... zijn hart deed breken.

De kinderen jammerden, buren vulden het huisje. Alleen Leen huilde niet. Ze lag met haar hoofd op zijn borst, haar armen over hem heen, zoo stil of ze meegestorven was.

 

----------------

 

Den volgenden dag kwam Leentjes ‘jonge mevrouw’ op de boodschap dien morgen door een zoon gebracht. Tegen het verbod van Frederik in, die de buurt absoluut onveilig vond, ging Annette, eenvoudig gekleed, met de onbevreesdheid van haar moeder in dergelijke gevallen, naar de Anjeliersstraat.

Het was er onheilspellend stil. Vijandige oogen volgden haar, wantrouwend, honend. Velen ook kenden haar van de keeren dat zij met de kinderen tegen Sint-Niklaas was gekomen bij Leen.

In het donkere droeve benedenhuisje zat Leentje Vink in den leunstoel. Slap, onverzorgd, vermagerd en uitgeweend - een vreemde Leen, die wat stug opstond bij Annettes binnenkomst.

‘Ze hebben 'm vermoord,’ zei ze dof. ‘En zijn laatste woord was vrede. Dat heeft hij geroepen - tégen de geweerloopen in. Dat hoor ik in mijn ooren, dag en nacht....’

‘Arme Leen,’ zei Annette, ‘die arme goeie Janus....’

Toen barstte Leentje voor 't eerst in snikken uit. Den dominee, die gekomen was en gesproken had van berusting in Gods wil, van vergrijp tegen 't gezag en de vreeselijke gevolgen, had ze driftig weggescholden. Voor deze alleen beklagende woorden, schreide ze als een verlorene.

[p. 352]

‘U hebt 'm gekend - u weet wie hij was - och, en u hebt toch ook als kind bij me in de keuken gezeten....’

‘We zullen je helpen Leen, wees maar niet bezorgd....’

Mij kan geen mensch meer helpen,’ zei Leentje dof, ‘ik heb te veel op mijn geweten tegenover hèm. Maar mijn kinderen.... daar moet ik nog voor leven en zorgen....’

terug  begin  verder