terug  begin  verder
[p. 362]

VI

MIJN hemel!’ zei Frederik Craets, en hij smeet de courant neer. ‘De wereld staat op zijn kop! Nu schrijft Pierson notabene een stuk om kwijtschelding van straf voor Domela Nieuwenhuis - als die kerel weer vrij is, zijn we immers ons leven niet meer zeker. Dat heb je toch gezien met het Palingoproer. Je zult het nog beleven, dat we hier een nieuwe Fransche revolutie krijgen. Als het volk de baas wordt....’

Cloese lachte.

‘Keuchenius is ermee begonnen in de Kamer. Hij kòmt wel vrij.’

Frederik wond zich op, en de kinderen luisterden. In hun groote veilige huis zaten ze, en zagen in hun verbeelding het opgeruide volk langs de grachten aanstormen, de huizen plunderen....

Maar op een-en-dertig Augustus stapte een man onherkenbaar geschoren uit den trein, en 's avonds, toen heel Den Haag was geïllumineerd om prinsesjes verjaardag, liep het gerucht dat Nieuwenhuis gratie had gekregen. In Recht voor Allen schreef Croll een vlammend artikel: ‘Te laat.’

‘Te laat regeering. Gij hebt ons recht geschonden en dat wordt door geen ongevraagde gunst weer goedgemaakt.’

Frederik Craets en zijn côterie schudden machteloos verontwaardigd het hoofd, toen bij de nieuwe verkiezingen Nieuwenhuis in de Kamer werd gekozen voor Schoterland. Maar Nederland toonde zich openlijk tegen het socialisme. Geen Kamerlid groette het nieuwe lid of liet zich voorstellen; slechts de minister van Koloniën verwelkomde hem....

Ja, de wereld ging op zijn kop staan. En ostentatief had Craets, toen de Koning zeventig jaar was en Oranjefeest in Amsterdam werd gevierd de groote versiering van oranjetulpen laten aanbrengen voor

[p. 363]

de ramen; en uitzonderlijk wapperde van den gevel zijn vlag, de Prinsenvlag, oranje blanje bleu, tusschen al de rood wit en blauwe.

‘Ik kan de kleur rood niet meer verdragen,’ zei Frederik Craets met de zeldzame drift, die slechts de socialisten en de vrouwenbeweging in hem konden wekken. Want thuis was alles zonnig voor hem. Hij was op al zijn kinderen trotsch. Op Francine, zijn oudste dochter, die op 't assaut in Den Helder de reine was geweest. Op Philip, die zoo gezellig, als een man al, met hem op en neer ging - op Pieter, die zoo kranig zich er doorsloeg en zoo'n scherp verstand had. Op Sophietje, zijn kleine schoonheid, en zelfs op Frits, omdat hij zoo'n muzikaal begrip had, en zoo piano wist te spelen, dat hij er met genoegen naar luisterde.

Francine was nu van school. Meteen gevallen in het drukke leven van uitgaand meisje, dat zweefde van 't eene bal naar 't andere. In de morgenuren sliep zij lang uit - 's middags winkelde zij met moeder of maakte visites. Zoo leefden alle meisjes uit hun kringen.

Als Truida Leedebour kwam en van dit vlinderleven hoorde, kon zij bittere harde dingen zeggen.

‘Wij strijden met al onze kracht om een betere toekomst voor de vrouwen - maar meisjes als Francientje schijnt het nergens te raken.’

‘Neen,’ zei Annette koel.

Als zij alleen was, kwam zij dikwijls zelf in verzet tegen Fransjes leven. Stond haar eigen sobere jeugd voor haar op, toen zij vroeg van school slechts een leven van zorg en beslotenheid kende. Frans kende geen zorg, geen leed. Dat kon zij niet helpen - in hun huis was alles voorspoedig en gezond.

Maar tegen Truida's eischen en verwijten trok zij te velde, verwierp kort en minachtend wat die vrouwen wilden, zei rustig:

‘Fransje moest trouwen, dat was de bestemming.’

Toch raakte de nieuwe tijd, zij het haast onmerkbaar Francine Craets aan. Zij had op school een vriendin, die ongefortuneerd, onderwijzeres ging worden. En Fransje, midden in haar leventje van uitgaan, hield met den onverzettelijken trouw die voor enkelen in haar leefde, deze vriendschap aan; keek met respect, waarin iets van benijden was, naar dat harde doelbewuste werken voor de acte Lager Onderwijs. En soms kon zij denken: ‘Daar moet iets prettigs in zijn - hard werken en iets behalen.’

 

Maar ook de andere kinderen werden zelfstandig - er was plotseling een groei in hen, die Annette soms in gedachten deed stilstaan - een

[p. 364]

woord, een gebaar, een trek in de kindergezichten die over de tafel haar aankeken, waarin zij plotseling voelde: er is iets in hen veranderd.

Vooral haar jongens. Als Philip thuiskwam in de vacanties, telkens grooter, mannelijker en naast haar zat op de canapé, ‘Klein’ aanhaalde en vertroetelde - maar ook zoo vol van dat kameradenleven daar in Den Helder vertelde - dacht zij, hoe weinig weet ik meer van hem. Niet eens veel meer van zijn hard en moeielijk vossen voor elk examen, waar hij altijd nog weer nèt voor slaagde. Niet van zijn genoegens toch eigenlijk - niet méér dan wat hij vertelt en dàt vertelt hij ook aan anderen. Niet van dat groeiend en ontwakend mannenleven dat zij, zelf zoo kuisch en schuchter, in haar jongens zich zag baanbreken. Zij dacht als zij naar hem keek, waar hij stond recht en slank voor het raam, aan den tijd toen zij Jetje wachtte; zij den schroom, den wrevel in hem gevoeld had; toen ook de worsteling in haar zelf om al die tegenstrijdige gedachten zoo zwaar was geweest. Nu was in haar een schroom tegenover den wordenden man. En zij kon wonderlijk verteederd en tegelijk wat onzeker, zijn groote hand tusschen de hare vatten en naar hem opzien.

Dan kuste hij haar, trok haar met de liefkoozende innigheid van zijn vader naast zich.

‘Wat denkt Klein?’

‘Ik denk - dat je al een man bent, zoo groot.’

‘Ja - en wat een snoes van een jonge moeder heb ik nog. Ik ben trotsch op mijn moeder, gelooft ze dat wel?’

‘Dat zou ze graag willen gelooven....’

‘O coquet is ze, èn ze vischt....’

‘Neen.... neen.’

‘Ja, ja - maar ze mag nooit anders worden. Als ik trouw moet mijn vrouw op haàr lijken....’

Naar Pieter keek Annette, en wist hem gansch anders. Het prikkelbare kind, dat hijgend en hoestend zijn asthma als een eenmaal opgenomen last heldhaftig voortzeulde, had nooit haar aangehaald of verwend, ook nooit haar liefkoozingen verdragen. Alleen geëischt haar zwijgende hulp, als iets dat hem van nature toekwam. Een totaal andere aard dan zijn broer - vroegrijp en vroegwijs in een aangeboren gescherptheid op alle sexueele verhoudingen.

Toen Philip op den leeftijd kwam, had hij zijn vader gevraagd, open en eerlijk - en zij hadden samen gesproken, man tegen man. Maar Pieter Craets vroeg zijn vader niets. Hij wist. In Artis, waar zijn moeder soms op mooie zomerdagen 's middags zat met een thee-blaadje, een boek en een handwerk, terwijl de kinderen speelden in

[p. 365]

den tuin, liep hij, onrustig, gejaagd de kroesharige jodenmeisjes na, die getrokken naar zijn blondheid, hem zochten in hun spelletjes.

En eenmaal, met Frits erbij, verlos verbanje spelend, raakte hij met een meisje, een groot forsch kind verdwaald in een der verre laantjes.

Zij stond plotseling stil, toen ze hem naast zich hoorde hijgen.

‘Je mag niet zoo hard loopen, wèl?’ zei ze.

‘Waarom niet?’

‘Ik dacht dat het niet goed voor je was.’

Hij poogde weerbarstig zijn hijgen te bedwingen. Ze trok uit haar jurk een klein zakdoekje, begon het zweet van zijn gezicht te drogen - met een vrouwelijke teederheid, die plots zijn oogen diep en donker maakte. En op eenmaal had ze haar armen om zijn hals geslagen, zoende hem op zijn mond.

Hij trok met geweld het jonge soepele meisjeslijf tegen zich aan - voelde in een vreemde duizeling haar kleine borsten week tegen zijn harde jongenslijf.

‘Wat ben je sterk,’ zei ze, haar zwarte oogen in de zijne, ‘ik had 't nooit gedacht dat je zoo sterk was.’

‘Ik zou je best kunnen dragen,’ zei hij.

Ze glimlachte week.

‘Doè het....?’

Hij greep haar om 't middel, wilde haar tillen - ze was zwaàr.... dit schoot door hem heen, toen hij opeens vlak bij Frits' stem hoorde en die van zijn vriendje. Ze stoven uit elkaar. Het meisje liep met een glimlach naar haar vriendinnetje. ‘We moeten terug,’ zei Frits.

Het vriendje stootte Pieter aan. ‘Meisjes zoenen?’ grijnsde hij.

‘Stik,’ zei Pieter.

Aan 't groene tafeltje zaten ze daarna voor een glas frambozenlimonade.

‘Jullie hebt Pieter veel te hard laten loopen,’ zei Annette bestraffend.

Ze zeiden niets. Zogen braaf en kinderlijk hun frambozenlimonade - door een rietje.

In de verte dwaalden spiedend de meisjes.

 

Snel wentelde de tijd. De nieuwe geest, die eindelijk in alles was doorgebroken, in kunst en litteratuur, in handel en nijverheid, sleepte de jonge geesten mee, en verwijderde hen op eenmaal van het oudere geslacht. Tusschen de zestiger jaren en deze tachtiger lag een geweldige kloof. Hoe eentonig in vergelijking, onbewust van allerlei mogelijke genietingen, afgesloten eigenlijk van 't groote leven

[p. 366]

was haar jeugd geweest, dacht Annette. Maar ook, vele kleine diepe vreugden had zij gekend in al den eenvoud, die haar kinderen vreemd bleven.

Zij praatte er soms met Stance over. En verwonderde zich dan dat Stance lichter en makkelijker dan zij den nieuwen tijdgeest vatten kon. Kwam het doordat Stance alles aangreep om te blijven staan op den zwaren weg, dien haar huwelijk haar had opgeleid; waarover zij zich, zelfs tegenover Annette, niet uitte. Otto bleef ziekelijk. Den vorigen zomer had hij gekuurd in Bentheim, zwavelbaden waarvan hij iets beter terugkeerde met een snellen terugval in het najaar - reizen die hun bekrompen financiën haast uitputten. Dolfje was nu elf jaar, en geregeld gingen Stance en Otto hem bezoeken. Van die Zondagen bleef Otto dagen lang ellendig, verbeten zwijgend. Stance bleek, met het floers van tranen in haar helblauwe oogen, dat zoo wonderlijk contrasteerde met haar nog altijd zonnigen glimlach.

Maar zelfs Annette vertelde zij niet, wat haar de laatste jaren zoo slapeloos deed zijn: de herinnering telkens weer, hoe het kind dat weinig groeide, klein en tenger bleef als een jongetje van acht, het altijd koud had in de gestichtsatmosfeer, waar groote ramen wijd openstonden over de kale kamers; en op haar schoot gekropen zich verwarmde tegen haar aan, met zijn zwaarmoedig lachje aandachtig naar haar opkijkend. Maar bij het weggaan, zich aan hen klemde, en luid had geschreid. Wel verzekerde de zachte jonge broeder die de kinderen verpleegde, als een vader met Dolfje in zijn armen liep, dat het verdriet als zij weg waren, dadelijk geluwd was. Stance, in de wanhopige nachten die op zoo'n bezoek volgden, lag te worstelen met het probleem: niet tegelijk man en kind te kunnen verzorgen naar den eisch.

Francientje Craets was al aangenomen; ook dit ging anders dan in hun jeugd dacht Annette. Hoe ernstig en vol gewicht waren zij en Stance naar de plechtigheid gegaan met hun moeders, en naar het Avondmaal. Hoe hadden zij zich gevoeld onder den indruk bij het afscheid van hun vereerden dichter-dominee, plots nu volwassen meisjes, met opgestoken haar. Fransje dacht in de eerste plaats aan haar flatteuse zwarte japon.

Maar ook Annette was het oude geloof in den loop der jaren naast Frederik kwijtgeraakt. De tijd had het weggevaagd. Met al wat de nieuwe geest bracht, was ook godsdienst in hun kringen iets licht belachelijks geworden. Multatuli had eraan gerukt, tot het wankelde op zijn grondvesten, met honende woorden geblameerd al die kerksche vormen, waar geen enkel redelijk levend gevoel aan ten grondslag lag, noch uit voortvloeide. Hij had het oude, dat nog voort-

[p. 367]

vegeteerde verscheurd en vernietigd met het Gebed van een Onwetende. Maar wat had hij ervoor in de plaats gegeven?

Wat gaf iemand ervoor in de plaats....

Haar stond de ruwe toon in de nieuwe litteratuur tegen, waar gevloekt werd, de naam van God telkens misbruikt.... Maar den jongeren hinderde dat blijkbaar niet. Zij waren onverschillig geworden voor al wat religie was. Aannemen liet je je, omdat je ouders het wenschten, maar het was iets waarvoor je je bijna geneerde tegenover je vrienden, en waar je in elk geval niets indrukwekkends in vondt. Frederik zelf was niet geloovig. Maar hij was erop gesteld dat zijn kinderen werden aangenomen; ze moesten behooten tot een kerkgenootschap.

Philip wilde gelijk met Francientje worden aangenomen. En Annette, met haar andere kinderen bij zich in de kerk, had ontroerd aandachtig gekeken naar haar twee jonge vogels, die begonnen uit te vliegen.

Fransje thuisgekomen, het bijbeltje dat moeder hun allebei gegeven had nog in de hand, vroeg meteen mee te mogen naar het openingsconcert van het Concertgebouw. Zij was teleurgesteld - andere vriendinnen hadden een sieraad gekregen - hoe ouderwetsch was dit....

Maar Annette, met den soberen ernst van haar vader, had gezegd: ‘Het is geen feest. Het is een ernstige gebeurtenis. Een bijbel houdt je voor je heele volgend leven.’

‘U leest toch zelf nooit in den bijbel?’

Annette zweeg.

Ze was voor haar kinderen niet makkelijk te naderen. Haar aangeboren heerschzucht, en een zekere strakke ernst wortelend in een sterk besloten hevig gevoelsleven, gaven haar in haar gezin een onaantastbaarheid, die geen critiek verdroeg. En nooit kreeg zij - behalve met Frits - de vanzelfsprekende kameraadschap, waardoor Frederik de aangebeden vader was geworden.

terug  begin  verder