DEN elfden April van dat jaar acht-en-tachtig trok al wat muzieklievend was of er voor wenschte door te gaan, naar het openingsconcert van het nieuwe Concertgebouw; onder het verbijsterd oog der Nieuwer-Amstelsche politie, die moeizaam het verkeer zocht te regelen van een file rijtuigen, langs de P.C. Hooftstraat, de Stadhouderskade tot aan de Galerij.
De echte oud-Amsterdammers hielden zich van den beginne af wat stug. ‘'t Stond zoo ver buiten de stad, zoo ongezellig. En wat hadt je aan dat zoo-gezegde prachtig uitzicht van het voorbalcon. Jawel, je zag ver. Aan de overzijde van het weiland hadt je in de verte het Rijksmuseum - en de Waskaarsenfabriek. Rechts keek je over moestuinen tot voorbij den Amstel. Maar met de tram kwam je alleen tot het eind van de P.C. Verder was 't baggeren - griezelig en donker.
Waarvoor diende het? Was 't Parkschouwburgorkest onder Kes niet behoorlijk èn gezellig? En 't was een heel ding dat dit alles uit particuliere beurzen moest komen zonder subsidie. Wie verlangde er nu eigenlijk die zoogenaamd hoogere muziek....’
In den corridor begroette Amélie van Dugten in haar sortie, stralend de Craetsen.
‘Nu gaan we langzaam maar zeker komen tot den toestand,’ zei ze lachend. ‘Nu zal je onze brave Amsterdammers zien: niet rooken, geen consumptie onder de muziek....’
Onder geroes en gepraat trok het publiek van het oude geliefde Park de groote zaal binnen. De echte muziekliefhebbers hadden eindelijk getriomfeerd. Frederik Craets, altijd even jeugdig, slank, blond, met zijn on-hollandsch kunstenthousiasme stond daar - de trots van zijn dochter Fransje - en praatte met de andere steunpilaren van de nieuwe onderneming. De Negende van Beethoven zou
worden uitgevoerd met een expres gevormd ensemble uit het groote koor van Toonkunst, van Excelsior, de Wagner-vereeniging, Euterpe, Amstels Mannenkoor, Apollo. Hij keek om, zag Viotta langzaam de trappen van het podium afkomen, boog met zijn eigen hoffelijken zwier, keerde zich dan naar Willem Kes. Iedereen dacht dat Viotta nu ook Concertgebouw-dirigent zou worden; maar Viotta zelf wilde niet, en het was een publiek geheim dat Kes de gewenschte persoon hier was.
Annette, altijd een beetje bedenkelijk gestemd tegen zoo'n klassiek programma, vond het gezellig dat Frits naast haar zat, die voor deze gelegenheid mee had mogen gaan. Aan den anderen kant fluisterde Frederik haar met voldoening zijn opmerkingen toe.
‘Vijf en zestig menschen hebben we in het orkest - wat een bezetting hè?’ Hij groette telkens bekende figuren - meerdere uit andere plaatsen overgekomen.
In de pauze kwamen velen mevrouw Craets aanspreken, die bij haar entree al de aandacht had getrokken door haar lila toilet, met de groote tournure, de sleep lang, het puntlijf sterk accentueerend het altijd nog zeer dunne middel, het decolleté vierkant uitgesneden. En boven dit alles haar merkwaardig jong gebleven blank gelaat, tusschen de al zoo groote kinderen, die haar eerder schenen te verjeugdigen. Nog altijd ook trok zij meer mannen dan vrouwen in haar koele terughouding, haar weinig spraakzamen, puntig scherpen geest. Maar bij dat alles kon het zeldzame lachje, dat moeielijk doorbrak, van een verrassende bekoring zijn, een plots meisjesachtige vroolijkheid.
Uit het stemmengegons klonken in zaal en foijer de meeningen op over het nieuwe orkest en het gebouw - kwam ook bij de oude getrouwen de noodtoestand van het Park ter sprake, dat nog eens zou trachten concerten te geven als vroeger in den tuin dezen zomer onder Stumpff - bij genoeg deelneming ook weer solisten in het vooruitzicht stelde.
De oude Parkbezoekers ademden op na den dwang van niets dan taaie klassieke muziek, waaronder je geen woord mocht zeggen - en waarbij niet ‘bediend’ werd. Ze wilden hun oude Park terug, het steunen. Want dit - de tuin hier was nog niets - en 't lag zoo ver buiten de stad. Als gebeurde wat verwacht werd, dat hier een buurt van villa's verrijzen zou, dat een Museumstraat het Concertgebouw verbinden zou rechtstreeks met de stad, een Ruysdaelstraat met Nieuwer-Amstel - dàn kon het misschien iets worden....
‘Maar dàn,’ gebaarde heftig een echt oud-Amsterdammer - ‘àls dit Concertgebouw kans wou hebben te blijven bestaan, moesten
ook al die malle nieuwerwetsche fratsen afgeschaft! Dan moest er weer bediend worden onder de muziek - dan moest zacht praten en rooken toegestaan worden. De muziek mocht niet, zooals nu, hoofdzaak worden. Gezelligheid nietwaar, daàr kwam je voor, en anders bleef hij weg....’
Hoofden knikten - velen waren 't ééns....
Frederik Craets ving hun woorden op, en hij lachte: ‘Neen, neen - diè tijd was voorbij.’
Van Dugten werd aangevallen over het Damrak. Het jammerlijk gedempte, schilderachtige Water; één stoffige doode steenmassa de plek voor de Beurs bestemd. Maar wanneer kwàm die Beurs! Twee-en-een-halve ton had het dempen gekost, die van den voornaamsten toegang tot de stad een woestenij had gemaakt.
‘Boomen - boomen dan tòch!’ riepen de oud-Amsterdammers.
‘Het is te laat om nog boomen te planten. Een plantsoen, dat zou gaan.’
Maar het hinderde hem ook, en hij liep den laatsten tijd den ouden Pieter Craets uit den weg.
In de zaal keek Line Bergema met haar oudste zoon en dochter naast zich, spits met toegeknepen oogen naar den cour die zich om de Craetsen vormde - waartoe ook de Van Dugtens, Leedebour, Cloese behoorden.
‘Zullen wij mevrouw Craets niet gaan aanspreken ma?’ zei het meisje.
Maar de moeder antwoordde bits:
‘Daar zie ik de noodzakelijkheid niet van in.’
‘Ik ga toch maar, ik heb Francine iets te vragen,’ zei de jongen, en meteen was hij weg, waar hij Fransje Craets' blond hoofd bewegelijk zag keeren en wenden.
Line Bergema zat strak rechtop. Telkens groette iemand de vrouw van den bekenden dokter respectvol, een enkele kwam aanspreken, maar Line stelde bij zichzelf vast, tot een plaats als Annette, die dat alles onverschillig accepteerde, had zij het nooit gebracht. En zij was blij dat Bergema niet was meegegaan om al dien triomf aan te zien.
Enthousiasme en niet eindigend applaus barstte los na Beethovens Negende. De echte muziekkenners sleepten thans het overig publiek mee, dat zich half weerstrevend liet overstroomen door den vloed van geestdriftige waarachtige blijdschap om dezen eersten avond - de eerste schrede in een nieuwe phase van het muziekleven.
En één was er, die in zijn energieken kop de illusie zat te verwerken vaneen moeielijke taak: een tegen den stroom oproeien van in gansche geslachten gewortelde misbruiken - om eindelijk te veroveren hier
een publiek, dat uitsluitend kwam om muziek te hooren en niets anders. Dat geen bezoeker het wagen zou den mond te openen, zoolang hij de groote meesters spreken liet.
Willem Kes, bescheiden nog op zijn plaats in 't orkest als eerste violist, wist dat hij die man zou worden.
Francine en Frits, meteen naar boven gegaan, hoorden Pieter roepen. Dat deed hij alleen als hij benauwd was.
De jongen zat rechtop in de kussens - hij hijgde - op zijn voorhoofd parelde zweet.
‘Ik wou dat goed branden maar ik kan het niet vinden, jullie zijn ook allemaal uit,’ zei hij knorrig. Zijn bleek gezicht was klein weggetrokken, zijn blauwe oogen staarden vermoeid.
Fransje kwam op den rand van zijn bed zitten.
‘Heb je 't kwaad jongen?’
Hij duwde haar weg.
‘Niet zoo dicht op me. Waar is moeder?’
‘Vader en moeder blijven immers voor 't souper.’
‘Zoek jij het dan even op.’
‘Ik zal Phie vragen.... die weet 't wel.’
‘Jij weet ook nooit wat....’
Hij sloot afgemat de oogen.
Francine maakte Sophie wakker.
‘Phie, weet jij niet dat goedje voor Piet, hij is benauwd.’
Sophie stond meteen naast haar bed - nog slaapdronken wist ze in de kast waar moeder medicijnen bewaarde, het poeder; kwam ermee op Pieters kamer en stak het aan.
De jongen in bed, ademde begeerig den verlichtenden rook in.
Stil zaten de anderen erbij. Hij zei niets, gaf geen blijk dat hij blij was met hun gezelschap, en de drie vroegen niets. Trouw, zwijgend, bleven ze bij hem. Tot zij zagen dat hij indommelde. Toen slopen zij ongemerkt ieder naar de eigen kamer.
Maar toen alles stil was, kwam in Frits' bed voorzichtig een hoofd weer boven de dekens uit - werd een kaars aangestoken. En in 't flakkerend licht schreef Frits Craets met bonzend hart, zijn klein bol gezicht gloeiend van opwinding, regels op - versregels die in zijn hoofd zongen - schreef hij in een wonderbaar geluk, tot zijn hoofd leeg was - hij eindelijk met schrift en al onder de dekens gleed.
Toen Annette met Frederik in den nacht thuis kwam, rook zij dadelijk den bekenden geur....
‘Pieter benauwd....’
Zij schoof voorzichtig zijn deur binnen. De zijden sleep van haar feestjapon knisterde. Stil stond zij over den slapenden jongen aandachtig lang gebogen.
Hij sloeg plotseling zijn oogen op, zag haar.
‘Neen....wèg....’ zei hij zich omkeerend.
Zij wist, hij verdroeg niemand als hij even beter was. En zij dacht toen zij de kamer afging aan Philips aanhankelijkheid.