IN Juli kwam Philip Craets naat huis als adelborst eerste klasse, en wachtte op de aanstelling voor zijn eerste reis.
Annette kon hem stil bezien. Na de voldoening van hen beiden dat de niet vlugge jongen toch zonder tegenslag den eindpaal gehaald had, was er thans voor haar eerst ten volle het besef hoe zij dezen oudsten zoon volkomen ging afstaan aan het leven. Want zelfs nu al ging zijn aandacht, zijn verlangen, zijn belangstelling daarheen. Hij probeerde en paste zijn nieuwe uniform, paradeerde er mee in een nog kinderlijken trots, zijn buitengewoon knap lang figuur voordeelig gekleed in dit tenue. In een blague ging hij met vrienden zich wennen aan het dragen van politiek - het groeten met een burgerhoed. Het ging alles lachend, vermaakt, met een tikje zelfspot, maar Annette onderscheidde scherp: hij wàs van dit alles verrukt.
Tot eindelijk de met spanning verwachte oproep kwam, dat hij was bestemd met H.M. Schroefstoombootschip eerste klasse ‘Van Galen,’ in de maand October de reis naar Batavia en terug te ondernemen. Den zestienden September had hij zich te melden op het schip in Willemsoord.
De anderen, de meisjes vooral, leefden het mee. Pieter, kalm belangstellend, maar Frits kon dit alles perplex aanzien. Hij was nu twaalf, maar nog altijd, zooals Frederik het noemde, onmaatschappelijk. Hij vond zichzelf zoo min, en hij keek kleintjes naar Philips kranigheid, Pieters knapheid en werkijver, Francines levenslust, Sophies handigheid en beslistheid, en Jetjes plezier in alles. Hij moest denken, hoe hij van dat alles niets had, en hij verwonderde zich in een smartelijke weerloosheid.
‘Wat ben ik nou. Ik ben nooit wat.’
Het sterkst gaf zijn vader hem dit minderwaardigheidsbesef. Juist het uiterlijk wereldsch gemak, de zwier, de beminnelijke voorkomendheid, de geestige vroolijkheid intimideerden hem volkomen. Tegenover niemand wist hij zich zoo'n stumper. Moeder wekte dat gevoel het minst van allen; maar niemand had hem meer de rust gegeven van de oude blinde vrouw, die hem 's nachts aan haar sterk lichaam gekoesterd had en wier kinderlijke geest gespeeld had in wonderlijke overeenstemming met den zijnen. En slechts was het blauwe schrift waarvan niemand wist, de eenige remplaçant geworden, waarin hij zichzelf uitstortte in versregels - onbeholpen - maar met een aandoening door zijn heele wezen, die hij verwonderd voor zooiets als geluk hield.
Snel, snel gingen de dagen. Annette keek naar de boomen voor 't raam. Toen Philip in Juli thuiskwam was het zomer, had zij het afscheid weggeduwd - het tweede nu al; maar hoeveel zwaarder woog dit dan toen een kleine jongen onder haar vleugels vandaan naar het Instituut ging. Nu, de blaren begonnen al te verkleuren en over een paar dagen ging hij.
Nog eens werd zij zich bewust hoe haar hart aan dezen jongen hing. Die haar altijd had omgeven en aangehangen met de liefde en bewondering van zijn vader. Die moeielijkheden in huis met zijn goedmoedige zachtheid, zijn lach, zijn grappen had weten weg te ruimen - die zoo gehecht was aan huis, zoo weinig veranderd, dat de zorg voor zijn jonge mannenleven in haar geluwd was.
Maar in deze dagen kwam de bittere ontgoocheling, de eerste die deze zoon haar gaf: dat hij de aanstaande scheiding niet voelde als verdriet. Wel kon hij ineens zijn arm door den haren steken en zeggen:
‘Mamsje, niet ernstig kijken hoor - alles komt terecht. Al dat wa-a-àter hè? Maar ik drijf als een kurk moet je denken.’
Hij mocht soms even met een betrokken gezicht rondloopen en naar hen allen kijken, meestentijds was hij dol gelukkig in een popelende verwachting. Het was zijn met voorkeur gekozen leven - het onbekende....
Zij was er altijd trotsch op geweest dat zij en haar oudste zoo vertrouwd waren. ‘Mijn vriendinnetje,’ zei hij altijd, maar hierin ging hij een eigen weg. En niet met strijd - met vreugde en verlangen.
Jetje zocht hij in deze dagen, dat merkte zij op. Het kleine ding, nu vier jaar, dribbelde als een schaduw achter den grooten broer aan, en hij had haar den heelen dag bij zich. ‘Haast als een scherm,’ dacht Annette.
Maar den laatsten avond kwam hij op de canapé naast zijn moeder zitten en trok haar hand door zijn arm.
Zij zeiden niets. Hij zat op dat vertrouwde plaatsje waar hij als kleine jongen al kroop om een beetje te vrijen met zijn mooie jonge moeder of haar een moeielijkheid uit zijn jongensleven te vertellen. Nu keek hij naar haar en vond haar wat klein en verouderd met een moeden trek langs haar mond. Een sjaaltje droeg ze, deze eerste kille dagen; hij trok het behoedzaam op - het stond haar een beetje lijdend. En hij voelde zich groot en forsch daar zitten met haar hand tusschen zijn bruine jongensvingers. Hij keek de kamer rond - elk ding op zijn jarenlange plaats gebleven - de portretten aan den wand - het oude goudbruin leeren behang - ja alles toch zoo goed en bekend al die eigen dingen. Maar morgen ging hij weg - en wat zou 't fijn zijn hier weer te zitten en alles te vertellen van zijn reis... Nu éérst nog het weggaan... en dàn - dan ging 't erop los!’
Hij klopte zachtjes op haar hand, en iets zei haar dat hij dit in gedachten maar deed - in àndere gedachten. Er was ook zoo iets mannelijks in, iets dat van haar was weggegroeid in die mannenwereld, waar zij schuw en wantrouwend altijd buiten stond. Stil gleed haar hand tusschen de zijne uit.
Hij keek op, glimlachte. En noemde haar met het liefkoozende naampje van hèm alleen:
‘Wat dacht Klein? Dat ze wegloopt....’
‘Jij loopt weg.’
‘Ach Klein - Klein dan tòch!’ Hij boog zich naar haar toe, en kuste haar voorzichtig. ‘Lieve, jaloersche Klein!’ En een romantisch verhaal dreef in zijn gedachten boven, dat hij wel eens gehoord had - lezen deed hij niet - een vrouw, die jaloersch was op de zee - bij hèm nu zijn moeder....
Annette had thuis afscheid genomen. Lang en smartelijk klemde ze den oudste aan haar hart.
‘Vergeet me niet - vergeet je me niet??’
Hij rukte zich eindelijk los, liep weg, bleek, op zijn lippen bijtend.
Frederik, met al de kinderen, brachten hem naar den trein voor Den Helder. En de vader keek lachend, geroerd en trotsch naar zijn jongen, die tusschen de vele vroolijke, wat zenuwachtig-doende kameraden, groetend en wuivend zich voor de raampjes verdringend, de knapste was. En hij zag dezen zoon: geen hoogvlieger, en zonder geestelijke belangstellingen. Maar een eerlijke beste kerel, loyaal tot in de toppen van zijn vingers - die waar hij kwam, vrienden zou vinden.