VOOR 't eerst werd Ibsens stem gehoord in Holland - lokte de aandacht van de groote tragedie bij het Nederlandsch Tooneel naar den Salon des Variétés van Kreukniet en Poolman, waar een nieuwe kunst sprak. Een die de diepe roerselen van de menschenziel weergaf in niets dan gesprekken, waarbij weinig van het groote gebaar te pas kwam.
Anna Sablairolles speelde Nora - en een felle discussie ontstond in verontwaardigde en verdedigende conversatie over de vrouw, de ontaarde, die man en kinderen kalm verliet om ‘zich zelf te zijn.’
Het was een strijd, die tot de mannen en vrouwen van dezen tijd nog niet sprak; en de eerste ontmoeting met een geest, die conflicten opwierp, waarover niemand nog ooit had gedacht, wekte verzet. Na afloop was de bijval gemengd, rumoerde het in de gangen en daarbuiten nog tegen deze uitleving van het individueele. Annette Craets was naar huis gekomen, in zichzelf gekeerd en nadenkend. En op Frederiks verwonderde vraag - want Annette was conservatief - ‘heb je dit zoo mooi gevonden, ben je daar zoo van onder den indruk?’ zei ze langzaam en bedachtzaam:
‘Ja. En het is ook niet waar wat jullie zeggen: dat Nora een vrouw is zonder hart. Omdat zij heengaat uit haar huis.... misschien,’ zei Annette plotseling in een van haar scherpe snelle uitvallen, ‘had zij wel te véél hart.’
‘Een vrouw, die zonder reden man en kinderen in den steek laat!’ riep hij zijns ondanks heftig.
‘Zonder reden.... Omdat hij haar of de kinderen niet sloeg, of met andere vrouwen was?’
‘Ja zeker. Dat zijn redenen; te billijken als een vrouw haar man verlaat. Maar dit.... Die man hield van zijn vrouw!’
Zij trok langzaam de spelden uit haar kapsel.
‘Die man hield niet van haar zooals zij dat verwachtte - geloofde....’ Zij wachtte even, want een schok ging bij de eigen woorden door haar heen, die haar even hijgen deed. ‘En zooals zij dat noodig had....’
‘Noodig had....’
‘Ja - hij hield niet zoo van haar, dat hij haar schuld op zich wilde nemen....’
‘Neen allemachtig! Nogal geen kleinigheid! Een valsche handteekening.’
‘Uit liefde voor hem gezet.’
‘Dat is de liefde van een onwijs denkende vrouw.’
‘Jullie mannen zijn allemaal 't zelfde. Met jullie verstand, jullie eer, jullie goeden naam. Doodsbang om er een splintertje van te verliezen. Maar.... zooals Nora zegt: Dat alles hebben toch duizenden vrouwen, zonder zich te bedenken, aan hun liefde geofferd.’
‘Omdat een vrouw het gewicht van die dingen niet ziet.’
‘Neen,’ zei ze, er was iets afwijzends in haar zooals zij zat voor haar toilet en zich half naar hem toekeerde. ‘Neen, van die dingen ziet een vrouw niet zoo het gewicht. Want andere dingen wegen ons zwaarder: als een vrouw gelóófd heeft in een man, en hij gooit dat geloof kapot.’
‘Als een vrouw zùlke dingen gelooft, ja dan kan ze verwachten dat hij het kapot gooit.’
Ze zag hem aan. Voor haar geest stond Stance met haar ongelukkig kind. Ze dacht: hoevéél dingen worden er in een vrouw kapot gemaakt.
‘En nòg,’ ging hij voort - ‘is dàt een reden, je man te verlaten omdat je in hem teleurgesteld bent?’ Hij liep heen en weer, zooals hij altijd deed als hij opgewonden was.
‘Omdat je teleurgesteld bent in den ander! Mijn hemel, al was 't niet één, maar honderd keeren! Zeventig maal zeven keer zal je vergeven en opnieuw beginnen - als je werkelijk liefhebt. Nora had evenmin lief als Helmer.’
Zij sprak niet meer. Een looden vermoeidheid hield haar ingeklemd.
's Nachts lag ze wakker en staarde uit in de vertrouwde slaapkamer; het nachtlampje, een kleine blauwe lichtkern op de tafel. Veilig en vertrouwd sinds jaren dat alles. Als de rustig slapende man naast haar. En toch was dezen avond haar diepste zelf in haar geschokt en naar boven gehaald, hoorde zij Nora's woorden, stond zij op de bres naast die verre zuster der verbeelding. Dacht zij, een lang gelukkig getrouwde vrouw, met groote kinderen, gespannen en aangetrokken
aan den scherpen geest van den Noor, die het vrouwenhart in zijn nooden en verlangens en tekorten proefde en openlei, en raakte in den kern, zooals tot nog toe nooit één het geraakt had.
En dan weer hoorde zij Frederiks woorden: ‘Omdat je in een ander teleurgesteld bent! Zeventig maal zeven keer zal je opnieuw beginnen.’
‘Ja, ja. Maar toch niet als iets je manneneer raakt. Niet voor de heele wereld een lage smadelijke schuld op je nemen. In huis, ja, tusschen vier muren, omdat....’
Zij lag stil - er bleef even een open ruimte in haar denken, en toen stond het klaar en helder voor haar:
‘Omdat je zelf niet anders kùnt. Maar dit groote niet te willen en tòch te doen. Omdat je liefhebt. Dàt.’
In den morgen, toen zij laat ingeslapen nog voortdommelde, werd zij gewekt door gebons op haar deur.
Pieter en Sophie riepen opgewonden: de melkboer vertelde, dat de komedie op het Leidsche plein in brand stond! Of ze mochten gaan kijken?
‘De Schouwburg?!’ Frederik was het bed uitgevlogen.
‘Wacht even! Ik ga mee.’
‘En ik? En ik?’ hunkerde Frits.
‘Jij ook. Wàrm aankleeden!’ riep Annette bezorgd, ‘'t is koud.’
Frederik sloeg een roffel op Francines deur. ‘Frans, luilak! Moet je er niet uit? De komedie staat in brand.’
‘Laàt maar branden.’
‘Hoef ik niet naar school? Het wordt dan toch te laat...’ probeerde Frits.
Maar ze lachten hem allemaal uit, zoodat hij in zijn schulp kroop, zwijgend met de anderen meedraafde.
Bij de Leidschestraat al raakten ze in het gedrang, waar de duizenden stonden te gapen naar den grooten brand, die gespoord door den fellen wind een wilde vlam uit het midden in een boog joeg over de Marnixstraat, en Americain haast raakte. Brandende stukken doek werden opgezogen in de heete lucht en een plotselinge kreet ging op uit de dringende gonzende menigte, als een der beelden van den voorgevel, lang staande gebleven, achterover tuimelde in den gloed.
‘Daar gaan ze, de beelden van Bart van Hove,’ zei Frederik Craets. ‘Maar de bibliotheek....’ Hij keek mistroostig - iemand raakte zijn schouder: Cloese.
‘Ik ga naar huis wat eten,’ zei die, ‘ik was er om zeven uur al - de heele bibliotheek is verbrand, achtduizend deelen - de meeste
acteurs hebben ook al hun costuums verloren, daàr was niets verzekerd. De kas is gered en de boeken van het Nederlandsch Tooneel, maar anders.... adieu.’
Frits Craets keek naar de vlammen. Het begon te bonzen in hem, een versregel stootte óp. En meer - hij dacht, dat hij het vanavond in bed zou opschrijven en er mee naar meneer De Roos gaan.
Meneer De Roos was zijn vriend geworden, de eerste na oma. De eerste die hem begreep en in dat begrip zijn fantasie leidde thans met een kennenden geest; zijn bewustheid verwijdde door met hem over zijn versjes te spreken. Hem wees op leemten, onjuistheden, gebrekkige uitdrukking - en hem te lezen gaf wat anderen van dat onderwerp maakten - toch met zorg zijn oorspronkelijkheid behoedend.
Annette wist het, en Frederik wist het, maar hij vroeg er nooit naar. Eén ding lukte ook De Roos niet bij al zijn invloed op Frits: hem te overtuigen van het belang goed te leeren op school. Dan kwam een strak verzet in 't kleine bleeke bolle gezicht en hij zweeg.
Op een particuliere school, waar aan niet vlugge jongens bizondere zorg werd besteed, had Frits op z'n veertiende jaar zijn onwillige aarzelende entree gedaan. Het ging hier beter in den omgang met leeraars en jongens dan op de vorige school, waar hij zijn reputatie van ‘de gekke Craets’ nooit verloren had. Bovendien begon zich een be langstelling voor al wat litteratuur was in hem baan te breken. Boeken vielen hem in handen, die hem in blijde afgetrokkenheid deden rondgaan; waarover hij bij De Roos zijn hortende stootende vragen stelde.
Soms ook kwam Annette met Jetje, die haar oogjes uitkeek aan zoo'n kamer achter een winkel en overal rondliep in stille pret. Vroolijker en luchtiger dan het jonge Annètje waren haar dochters, dacht De Roos, maar toch in zoo veel haar gelijkend.
‘Jetje heeft het meest van je,’ zei hij eens.
‘Ja, dat geloof ik ook.’
En zij dacht: alleen ook met haar twee jongsten kon zij hier zoo zitten - natuurlijk en vertrouwd.
Annette ontbeet met Francine alleen - de anderen waren nog niet terug van den brand. En zij zag hoe de oogen van het meisje telkens even haar zochten, dan weer ontweken.
‘Wat is er?’ vroeg zij met een glimlach.
Er was iets weeks in Annette dezen morgen. Dat had Nora gedaan. Buiten alle vrouwenbeweging om, welke haar nooit ergens geraakt had, was in haar ontwaakt de diepere vrouwenemancipatie: der ziel. En
tot het dochtertje - een vrouw ook al - ging haar zachtheid en zorg in dubbele mate. Er lichtte een verwondering in Fransjes blauwe oogen. Niet makkelijk werdt je met moeder vertrouwelijk, maar àls het eens lukte, dàn gaf moeder zooveel dat je het nooit vergat.
Zij aarzelde. De rustige huiskamer met de keurig verzorgde ontbijttafel stond om haar heen - nooit scheen dat eigene, vertrouwde zoo sterk geweest als dezen morgen.
‘Moeder,’ nu kwam haar stem, wat kort - en zij bloosde, terwijl ze neerkeek op haar bordje, dan naar haar moeder, die kalm daar zat in haar grijze morgenjapon met het hagelwitte kanten kraagje en de camee broche.’
‘Moeder - Jan Melgers heeft me gevraagd.’
Annette schrikte, kreeg een kleur - de snelle jeugdige blos, die haar nog altijd zoo iets wonderlijk jongs kon geven. Dan hechtten zich haar oogen vorschend, met iets angstigs dat het meisje niet ontging, op Fransjes gezicht.
‘En?’
‘Ik - e.... ja.... ik heb ja gezegd.’
‘Och!’
Het ontviel Annette haars ondanks. Zij zag een wielerbaan en niets dan wielerbanen, hoorde eindelooze gesprekken over renners, over bekers en afstanden. Diè wereld, welke hun zoo vreemd en ook zoo onbelangrijk was, had Fransje veroverd?
‘Maar kind,’ zei ze, en in haar stem klonk zonder dat ze 't wist minachting. ‘Wat kan die jongen aanbieden? Waar moeten jullie van leven? Van wedstrijden?’
‘Och.... hè.... moeder!’ Fransje stampvoette, tranen sprongen in haar oogen. ‘U weet best dat hij burgemeester wordt.... En misschien komt hij ook heelemaal niet meer uit - hij wordt te zwaar.’
Annette zat stil. Iets in haar verzette zich heftig. Ze constateerde het zelf met verwondering. Was het deze jongen? Of kon zij zoo moeielijk de gedachte verdragen opnieuw een kind uit huis te verliezen....
Toen ze Fransje weer aankeek, stond haar gezicht vorschend.
‘Hoù je van hem?’
‘Ja -’ Francine poosde. ‘Ja - ik hou wèl van hem.’
‘Wèl?? Maar veel? Méér dan van ons allemaal?’
‘Och - natuurlijk niet - en hoe weet ik dat nu ook zoo dadelijk. Jullie - jullie heb ik toch mijn heele leven gehad. Een man - nu ja, met een man is dat toch heel iets anders - maar ik heb hem dadelijk het aardigst van allemaal gevonden.’
Annette zweeg. Zij zag terug haar eigen maandenlange weifeling vóór haar verloving - de gespannen belangstelling van haàr moeder, hoe die meeleefde, luisterde naar alles wat zij vertelde van Frederik...
Francientje had altijd meer aan Frederik verteld dan aan haar.... hoe kwàm dat....?’
Ach - zij was bitter teleurgesteld. Hoe geheel iets anders had zij gehoopt voor haar oudste. Die jongen, zoo weinig man, zoo weinig ernstig. Moeder kon trotsch zijn op Frederik, maar zij niet op Fransjes verloofde.
Toen Frederik van den brand thuis kwam - de schouwburg was verloren met alle requisieten, veel handschriften en alle costuums - in café Hollandais zaten zielig de acteurs en actrices van het Nederlandsch de ruïne aan te zien - vloog Francientje hem tegemoet.
‘Vader! laàt nu die brand! Luister naar mij! Kijk eens naar mij! Ik ben uw geëngageerde dochter.... Jan Melgers, vadertje. Ja, u vindt het goed, hè vader? Ja vader?’
Op eenmaal, bij vermoedelijken tegenstand, leek haar Jan Melgers allen strijd waard.
Hij was nooit tegen haar vleierijtjes, haar liefkoozingen opgewassen. Hij liep van haar weg, in de war, ging voor 't raam staan, kuste haar toen zij aan zijn arm kwam hangen, en zei zacht:
‘We moeten nog eerst eens zien, kindje.’
‘Ja, jà!’ Ze danste weg.
Over zijn krant keek Frederik Craets 's avonds Annette aan.
‘Ik ben niet blij.’
‘Ik ook niet.’
‘Dat kind moest een anderen man hebben, deze zal haar nooit genoeg de baas zijn.’
Ze keek gekwetst op.
‘De baas zijn??’
‘Ja, dat heeft een natuur als Frans noodig.’
Zij zweeg.
Zij zaten stil en dachten ieder voor zich. In het groote vroolijke gezin hadden allen zich geschikt en een plaats gevonden - de een wat makkelijker dan de ander, maar warm en veilig gehouden in 't groote verband. En plotseling zagen zij, hoe wankel en onzeker het leven werd voor hen, die ouders waren, de jonge vogels met weinig kracht en ervaring moesten laten uitvliegen.
‘Frans is ook zoo oppervlakkig,’ peinsde zij. ‘Zij wéét het voor zichzelf niet eens of zij haar geluk bij dien man wel vindt.’
‘Wist jij dat zoo zeker bij mij?’ glimlachte hij zachtmoedig. Want in deze uren, waarin zijn heele gevoelsleven zich verdiepte voor zijn kind, stond ook de tijd voor hem op, toen hij om Annètje Goldeweijn wierf, dat hij met zooveel moeiten had moeten winnen, en dat zelfs in zijn armen nog vèr bleef.
Zij zweeg. Het leek haar niet hetzelfde.
Toch, Annettes onwil versmolt toen zij in de volgende weken Eransje zag, stralend met haar Jan, die hun allen nu toch meeviel - een hartelijke eenvoudige jongen- en tegelijk zoo dubbel aanhankelijk aan hen allen, zoo zonnig dat geen wolk daartegen stand hield.
Stance leefde trouw deze feestelijkheid in den huize Craets mee, maar in haar hart kerfde zich langzamerhand al dieper de zorg. Otto was al weken thuis van kantoor. Hij liep slecht, had allerlei zenuwstoornissen en kwam het hooge bovenhuis nauwelijks af. Verkommerd, een volslagen zieke, zat hij te staren voor het raam.
Hij dacht: hij ging achteruit - na iederen stoot was hij minder. Och, 't was misschien goed. Stance kon hertrouwen - wat had ze met hem voor geluk gehad - en was dit een leven voor een nog mooie vrouw.
Eens vond Annette Stance alleen. Op tafel lag het vrouwenblaadje Evolutie.
‘Lees jij dat?’
‘Och - soms.’
Annette bladerde erin. Ze lazen samen, Stance over haar schouder, de bladzijden waarin een vrouw te velde trok tegen het huwelijk - den mannen verwijtend al wat zij tegen vrouwen misdeden.
‘Ja,’ zei Stance en haar oogen stonden wonderlijk groot en helder. ‘Maar ze schakelen één ding uit: dat een vrouw ondanks dat alles toch zóó een man liefhebben kan, dat ze hem niet loslaten kan of wil.’
Ze hield plotseling op. Annette zat met gebukt hoofd. Ze dorst niet opzien, maar ineens werd het haar duidelijk:
Stance wist. Ze had het misschien al eerder geweten dan zij. Ze dacht aan haar eigen schrik en afschuw bij die ontdekking, ne tegelijk had zij terug het vergeten gevoel uit den tijd toen zij beiden verloofd waren: de onmacht, zoo te voelen als Stance. Het bewuste weten in haar pijnlijk eerlijke ziel, die van geen schipperen noch ontwijken ooit wist:
‘Zóó ben ik niet. Ik zou me afgekeerd hebben - ik had het niet kunnen aanvaarden.’
‘Wat denk je?’ vroeg Stance en haar goede troostende hand raakte die der vriendin.
Toen begon Annette op eenmaal te schreien, als uit een diepe en nooit te delgen leegte.