terug  begin  verder
[p. 404]

XIV

IN het vuurroode blad Evolutie riepen de vrouwen der Vrije Vrouwenbeweging luid hun eischen, hun grieven uit. Truida Leedebour was een der heftigsten. In dit orgaan eindelijk kon zij uiten al wat verbitterd en verward haar beknelde - kwam zij onredelijk van heftigheid - onbewust met eigen tekort vertroebelend de altruïstische aandrift - op voor de onderdrukte vrouw.

Uit alle kringen viel spot en schimp op deze eerste vrouwenorganisatie die den dam der conventie verbrak; met de arbeiders een der sterkste elementen van den nieuwen tijdgeest vormde. Oud-Amsterdam stelde zich verontwaardigd, minachtend vooral, te weer. Maar in de litteratuur drong het socialisme; en de jongeren, die naar de nieuwe schrijvers grepen, groeiden met de nieuwe leuzen op. Makkelijker vloeide de beweging der arbeiders de maatschappij thans is, dan die der vrouwen. Want deze pioniersters kleedden zich slecht, waren onbehouwen en man-achtig in hun voorkomen, verachtten gratie en verzorging, verklaarden den oorlog aan corsetten en baleinen en ingepende middels, en trachtten met geweld, door eigen voorbeeld, een gezonde kleeding in te voeren, die vaak alle perken van leelijkheid te buiten ging.

Al wat man was, al wat overigens redelijk denkend ook tegenover de arbeidersbeweging was komen te staan, kantte zich vijandig tegen de vrouwen-organisatie. Want deze randde aan wat hun vreugde, hun trots was, waarnaar zij in hun jeugd gestreefd hadden in een overblijfsel uit den ouden riddertijd. Dit vernielde de illusie van het vrouwelijke - het bracht in hun huizen de leelijkheid, het bedreigde hun vrouwen, hun dochters met belachelijkheid.

En Ibsens geest trok daarover heen.

De felle Noor belichtte wat deze vrouwen, kortzichtig en vijandig

[p. 405]

verblind voorbij zagen; wat zij, op een enkele uitzondering na, intellectueel ook niet bij machte waren te vatten:

De diep-innerlijke conflicten - de mensch in de vrouw èn in den man. Hij raakte in Nora dieper het probleem der vrouwenkwestie dan nog één vrouw in de beweging gedaan had.

Een heftig verzet torende op tegen de vrouwenbeweging, waarvan de baanbreeksters onredelijk en ontzind zich niet ontzagen alles in het vrouwenbestaan aan te randen en te verwerpen - den banvloek slingerden naar huwelijk en moederschap, zoodat ernstige, en der vrouwenbeweging wèlgezinde vrouwen, opstandig en klemmend protesteerden. Het was een ontaarde strijd geworden, waarbij het uitgangspunt: de vrijmaking der vrouw, om zich een onafhankelijken werkkring te verschaffen naar eigen keuze, uit het oog werd verloren. Het was een leger verbitterden, dat optrok om het eigen levenstekort te wreken op den man. Zóó lang van het openbare leven uitgesloten, steeg hun de plotselinge vrijheid nu, als te sterke wijn, naar het hoofd; sloegen zij blind en verwoed om zich heen.

Al lang dacht geen man er meer aan zich warm te maken over een Mina Kruseman. Een leger van vrouwen, honderd maal erger, onredelijker, feller, vijandiger, en zoo leelijk vooral, waar deze eerste pionierster bekoorlijk was geweest, sloeg den mannen over het hoofd. Zij weerden zich, hatelijk, minachtend, spottend. Zonder begrip, zonder poging tot rechtvaardigheid, zonder ontzag of eerbied, stonden de twee kampen, de mannen en de vrouwenbeweging tegenover elkander.

Op haar bovenkamer, boven den porceleinwinkel in de Hartenstraat, zat Annebet Kooistra - met het vuurroode blaadje in haar zwarten schoot.

Was dit het waarvan zij gedroomd had, in jaren toen nog geen vrouw dàcht in Holland aan zoo iets als hier thans ontbrandde? Dat was twintig jaar geleden. Was dit de strijd waarvan ze geest driftig het begin had meegeleefd? Op de groote vergadering, waar de vereeniging voor vrouwenkiesrecht gesticht was, had bevend van ontroering, van heilige overtuiging, de kleine, onaanzienlijke vrouw zich begeven naar de groene tafel, en met vochtige oogen zich als een der eersten aangemeld.

Truida Leedebour zag haar daar opeens staan. Zij dacht aan een ellendigen middag, lang geleden, toen deze oude vrouw in haar enthousiasme met haar meegeloopen was. Dezelfde onwil van toen schoot in haar op.

De vrouwen aan de bestuurstafel hadden juist juffrouw Kooistra begroet, die als een curiosum in haar ouderwetsche kleeren daar stond

[p. 406]

In het verwelkt gezicht sprak een besliste ernstige geestdrift die imponeerde, en in de donkere oogen vonkte de voldoening om het eindelijk voldongen pleit. Maar diezelfde oogen gleden misprijzend en teleurgesteld langs slechte verwaarloosde figuren, langs opzettelijk mannelijk doende allure, en toen Truida zei:

‘Dit zal u een dag van groote voldoening zijn juffrouw Kooistra,’ neep de eerlijke mond bedachtzaam samen, en scheen te zeggen:

‘Ten deele. Zéér ten deele.’

Het roode blad Evolutie lag op het zwart satinet boezelaartje, en Annebet keek naar de apotheek aan den overkant. Eigen verlangen, grief, teleurstelling lag achter haar. Al haar energie, haar aandacht en verlangen gingen uit naar die jongeren en hun strijd. Maar dit - de blauw geaderde hand sloeg op het schreeuwende blaadje. Dit....’

Zij zag terug het gezin van haar oude vriendin Fransje Goldeweijn - en dat van Annette Craets - zij had altijd beseft, dat er in die vrouwen iets sliep, wat wakker behoorde te worden. Maar was dit wakker worden? Het leek eerder een nachtmerrie.

‘Ach onze mooie rechtvaardige strijd, wat maken ze ervan! Bij al dat onwaardig getier, die dwaasheid ook, scheen de oude toestand haast verkieselijk.’

Ze keek weer in de apotheek en haar gezicht verhelderde.

‘En tòch - misschien wàs dit alles noodig. Misschien ging het niet anders dan langs dezen weg, moest de eerste aanval zoo zijn, en zou later de bezinning komen. Een geslacht was er waarschijnlijk mee gemoeid, en pas de latere generaties zouden de vruchten plukken.’

‘We leven in een grooten tijd,’ kon ze zeggen als nog een enkelen keer de jonge Jasper bij haar kwam en sprak over Troelstra, Nieuwenhuis, de Internationale. Zij dacht hetzelfde als zij moeielijk losgewikkeld uit de ouderwetsche boeken, zich met haar wakker brein begaf in Dostojewski, Tolstoï, en ook in de Nederlanders. Zij vond het Hollandsche werk niet mooi - maar zij vond ook de arbeidersen de vrouwenbeweging niet mooi zooals het ging. Alleen, zij kòn erin voelen den stormloop op het oude dat afgedaan had, vermolmd ineenstortte.

En Annebet Kooistra, zij, de oude uit dien afgedanen tijd, stond op de bres en zwaaide de vlag; en zou verheugd den overwinnaar zien optrekken.

terug  begin  verder