EN wàt hoor ik,’ zei tante Louise, en boog haar stijven rechten rug iets naar voren, ‘gaat Francientje al trouwen?’
‘Ja,’ zei Annette, ‘ja - och er is niets tegen nu Jan is benoemd tot burgemeester van zijn dorp over het IJ.’
Innerlijk vond zij er veel tegen, en Frederik ook. Francientje was nog zoo jong - wel niet jonger in jaren dan zij zelf trouwde; maar het meisje was nog zoo ondoordacht, zoo kinderachtig. In haar tijd waren de meisjes van zeventien, achttien jaar volslagen vrouwen. Fransje leek een kind nog. Hoe weinig ernst hadden zij beiden. Waarover dachten en spraken zij ooit dan van sport en wedstrijden....
En Jan was een beste jongen, ach ja, maar met al zijn overwinningen op de velocipède, hij had het buskruit niet uitgevonden. Hoe hij nog ooit rechten had gestudeerd was haar soms een raadsel. Enfin, dien titel had hij tenminste. Vooral Frederik kon hij tot dol wordens vervelen met zijn eeuwig zouteloos geginnegap over sportverhalen, en zijn geweldige praatzucht.
‘En geen boek heeft hij gelezen! Geen noot muziek ooit met bewustheid gehoord! Alleen maar lachen en kletsen kan hij!’
‘Houdt die jongen nu nooit één seconde zijn mond?!’ had hij met ontzetting geroepen, toen na een dinertje bij oom Peter en tante Sophie, Melgers op den terugweg in den trein geen moment gezwegen had.
Als in den huiselijken kring Jan Melgers maar doorpraatte, Fransje eenvoudig niet luisterde, keken de ouders elkaar aan. Zij hadden in hun huwelijk zoo goed en zoo lang kunnen zwijgen, en zich daar wonderbaar tevreden bij gevoeld. Als Pieter benauwd was, maakte het hem zoo prikkelbaar dat hij onhebbelijk werd, maar dat nam niemand Pieter ooit kwalijk - en na den eersten tijd luisterde eigenlijk
niemand in de familie meer naar den aanstaanden schoonzoon. Hij scheen dit niet op te merken, al was hij een beetje huiverig voor zijn schoonmoeder, voor haar onverwachte korte rake opmerkingen, voor den genadeloozen blik van haar heldere peilende oogen. Soms overviel hem het gevoel of hij moeielijk zwom door hooggaande golven - menigen buil en schram opliep, altijd met een vroolijk gezicht - naar een verren, verren overkant. Misschien voelde hij zich alleen maar volkomen veilig bij Jetje. Want zelfs Frits, al wist hij zichzelf een knoeier en een stumper op school, vond Melgers toch heimelijk stom, en die meening stond te lezen in zijn onbelangstellende kleine apen-oogen, die over zijn zwagers conversatie heenzagen.
Middagen lang trokken moeder en Fransje thans de stad in, naar de groote winkels van Nieuwendijk en Kalverstraat, zochten er zorgvuldig uit, de lakens - vier-en-twintig onder- en bovenlakens - het damast - alles fijn echt linnen. En de nette stapeltjes groeiden onder de nijvere handen van moeder en Sophie, en die der alle dagen in werking gezette huisnaaister. De bruid had weinig tijd, was altijd weg; maar Annettes scherp oog zag dat Fransje er eigenlijk onverschillig voor bleef.
Veel gingen haar gedachten in die dagen uit naar haar eigen bruidstijd. Zij zag haar moeder, alles dicht bij haar halfblinde oogen houdend, uitzoeken, en met keurige zorg stapelen. En zijzelf, aangestoken door dien echt vrouwelijken, haast eerbiedigen trots, was telkens geslopen naar de groote linnenkast op het portaal, waar op schoone witte papieren het uitzet lag uitgestald - waar Leentje een bewonderend oog soms aan waagde:
‘Onze jongejuffrouw krijgt wat mee!’
Maar zij had de aanstaande bruid nog geen enkele maal zien kijken met iets als belangstelling.
Annette nam Fransje mee naar de Weteringschans, stond met haar voor het oude bovenhuis.
‘Weet je 't nog Frans? Hier begonnen wij. Hier zijn jullie allemaal geboren, behalve Jetje.’
Francientje keek; voor 't eerst zag haar moeder de warmte in de helblauwe oogen, die ze al deze weken gemist had.
‘Ik vind dat huis waar wij in komen, eigenlijk een naar huis,’ zei ze plotseling.
‘Maar kind.’
‘Och nu ja, het doet er ook niet toe - ik moet er nu eenmaal in.’
Annette stond stil, vlak voor haar oude stoep.
‘Frans - luister naar me - neen luister nu goèd! Je moet niets. Als er iets is in dat alles wat je tegenstaat, is 't nog tijd. Doe het dan in 's hemelsnaam niet.’
In veel later jaren dacht Francine Craets aan dit moment terug. Zij samen stilstaand midden op straat - elkaar aanziend diep en ernstig, of zij alleen op de wereld waren; of er nù iets moest beslist worden, iets dat onherroepelijk zou zijn. En zij zag de haartjes van moeders bont opwaaien tegen haar klein blank gezicht.
‘Frans....’
‘Ja - ja moeder. Den heelen winter is alles ook dol geweest, zoo vroolijk, en hij zoo lief en gezellig. 't Is toch zoo'n goeie jongen ook... Maar in deze weken - heb ik....’
‘Ja.... heb je....??’
‘Heb ik soms gedacht moeder, dat ik toch altijd iets anders verwacht had....’
Annette stond daar - stil. De woorden schenen op te klimmen uit haar eigen ziel - uit een lang verleden tijd. Op eenmaal was zij alle aplomb, alle zekerheid, alle gezag kwijt uit haar gevoel, uit haar toon. Voelde zij Fransje, haar eigen Fransje, het kind, haar zóó nabij, dat haar oogen vochtig werden, haar keel dik. ‘Dat 't anders zijn zou - dat het anders kon.’ En zij zag kwellend duidelijk Stance Bremer in haar stralend geluk, en hoorde haar zeggen: ‘Alleen een gevoel, dat ik hem altijd gekend heb.’
Nog altijd woeien de haartjes van moeders bont tegen haar gezicht op. Zij merkte het niet, dacht Fransje in ontroerde liefde. Zij keek maar, moeder, met haar mooie groote ontstelde oogen als naar iets vers....
Dan zei Francine, plotseling koel: ‘Ach 't is alles onzin natuurlijk, 't is maar zoo'n bui - ik ben heel gelukkig met Jan - heusch.’
Annette begon voort te loopen, en Fransje stak haar arm door den haren.
‘Zóó - precies zoo - liepen oma en ik naar huis, toen we mijn huis hier op orde brachten,’ zei Annette. ‘En ik - ik.... zie je Frans - ik hing zoo aan huis - ik was een beetje bang....’
‘Hoe kòn u bang zijn - u die vader kreeg?!’ zei Francientje. ‘Vader! Zoo is er geen andere man op de wereld.’
Annette verstapte zich. Op eenmaal voelde zij zich zeldzaam verloren, of ze een onbegrepen schuld droeg. Tot ze eindelijk zei:
‘Neen, daar heb je gelijk in. Dat is zoo, kind.’
Weer andere dagen gingen zij samen over het IJ en maakten het huis in orde. En hier kwam de eigenlijke Fransje ontroerend aan den dag. Pakken sleepte ze mee van huis met oude dierbaarheden, en
trappend op al 't nieuwe mooie, dat er achteloos op den grond lag, liep ze rond om die voor alles een plaatsje te geven in haar kamer.
‘En hier moeder - hièr moeten jullie zitten. Jullie komen véél hè? 't Is toch vlakbij. En zoo romantisch zeg! We zien jullie aanvaren over het IJ - is 't geen verhaal? Wat had oma dat prachtig gevonden hè? Kijk, oma's portret hier. Boven haar eigen naaitafeltje.’
En de bruidsdagen van Fransje Craets gingen voorbij van 't eene feest in het andere. ‘Niets dan feest,’ dacht Annette soms aan het ontbijt, het eenig kalm moment van den dag. Alleen in Philip, forscher, bruiner geworden, en in zijn verlofdagen de deur haast niet uit te krijgen, was rust. Zoo'n man al, die tevreden zat te rooken.
Maar op de fuifjes werd de knappe Philip Craets door al de meisjes, de moeders, gezocht en aangehaald. Lucie Melgers had geen oog van hem af - zij soupeerden samen, deden voordrachten - en 't meisje, donker, met hartstochtelijke oogen, flirtte in al te duidelijke verliefdheid. Philip, vroolijk en galant, vond het een aardig meisje, maar hij had zoovéél aardige meisjes gezien den laatsten tijd - zijn hart bleef zoo rustig als bij zijn zusjes. Bij zijn ouwe Frans en bij Phie. Die werd allemachtig knap. Alleen altijd zoo snibbig, hij kon beter met Frans.
En Pieter zat daar kalm onaangedaan; zijn groote scherpe oogen werden geen oogenblik warmer.
‘Ik heb saaie zoons,’ kon Frederik lachend zeggen. ‘Ik zou al die mooie lieve meisjes wel eens zoenen willen, maar mijn jongens zijn niet verliefd van complexie. Zij kijken 't allemaal aan als oude heeren, en làten zich maar zoo'n beetje 't hof maken.’
Als hij zoo praatte, verkroop Frits zich schuw. Er was iets in dat weltmännische van zijn vader, wat hem altijd verlegen maakte. Naar zijn kamertje sloop hij, naar het blauwe schrift, waarin een reeks verzen aan 't groeien was - een cyclus, die zijn hart sneller joeg, het bloed deed kloppen aan zijn slapen. Soms in deze dagen, nu de scheiding al zoo na te wachten stond, glipte Francine bij hem binnen, in een behoefte zich te omringen met alles van thuis. En ze zat bij ‘Fritsje’ en haalde hem aan met de teederheid, die hem heimelijk altijd zoo verwarmd had en met trots vervuld in zijn kinderjaren.
‘Fritsje,’ zei ze, ‘jongetje - je zal toch veel bij me komen, me niet vergeten, hè?’
En haar blauwe oogen keken zoo hartelijk en trouw hem aan, dat hij een kleur kreeg uit angst te moeten huilen.
‘We komen toch allemaal natuurlijk?’
‘Ja, ja - goed....’
Ze was al weg. Met Jetje zat ze op schoot in een stil hoekje, 't kleine, ding vast in haar armen tegen zich aan.
Wipte dan binnen bij Pieter, die te werken zat, 's avonds laat nog. En zei: ‘Wat wou je?’
Ze lachte goedig.
‘Blaf niet zoo boy. Ik ga toch weg?’
‘Ja. Wat zou dat. Je gaat nu eenmaal trouwen.’
Ze keek hem aan, naar de donkere schaduw onder zijn oogen, en dacht hoe kribbig hij werd als zijn havermout te warm was, of te koud of te dun 's morgens. Hoe dikwijls ze ook bij hem gezeten had als hij benauwd was.
En ze streek over zijn haren.
‘Je bent toch mijn broertje.’ En ging zacht weg.
Met Philip wandelde ze - samen hadden ze de oude genoegelijke pret.
Alleen Sophie en zij hadden elkaar ook zelfs nu niet veel te zeggen. 't Maakte Fransje wat onredelijk prikkelbaar, verlegen haast als ze Sophie in dezen tijd zóó hard zag naaien, redderen, pakken, heen en weer gaan naar het huis, beraadslagen met moeder - handige Sophie, moeders rechterhand - en tegen haar alleen kon Fransje over het weggaan van huis niets zeggen.
Maar op de fuifjes was de bruid weer een gansch andere. Dan scheen een kleine duivel haar aan te zetten den bruigom dol te maken. En op een avond flirtte ze zoo brutaal met Philips vrienden, dat Annette opstond van haar canapé en haar waarschuwde.
‘Frans, dat is te erg, daar kan geen man tegen.’
‘Denkt u?’ Fransje lachte honend. ‘Hij wèl.’
Frederik stond midden in den grooten salon rond te zien naar de dansende paren en hij zei tegen Annette met den zweem van minachting voor zijn schoonzoon:
‘Hij is nogal goedig.’
Maar zijn lach bestierf toen hij den blik van zijn kind opving, die zijn woorden gehoord had. En hij dacht: Dat feest - het was toch het ware niet. Frans' huwelijk lag hem soms in deze dagen zwaar; hij verweet zich dat hij te gemakkelijk zijn toestemming had gegeven. En dan.... dat zijn Fransje weg zou zijn....
Sophietje haakte hem aan. Hij keek weer blij en trotsch. ‘Wat een mooi meisje. En dat kind was van een ongenaakbaarheid! Dat zou wel beter uitpakken....’
Cloese naast hem zag den trots waarmee hij Sophie nakeek. Hij knikte in verstandhouding, een glimlach op zijn mager gebruind
gezicht. Toen volgden zijn oogen een vlug kinderfiguurtje, dat stralend van pret tusschen de gasten heen en weer vloog.
En hij zei peinzend: ‘Zij.... wordt de mooiste van de drie.’
Dien avond kwam Annette nog laat bij Francine binnen. Zij ging op den rand van het bed zitten, en nam de fijne magere meisjeshand in de hare.
Fransje lag stil en bleek in 't kussen.
‘Ik ben moe,’ zei ze, ‘ik ben toch zoo moe.’
‘Ach kind....’
‘Neen -’ 't meisje zat plotseling overeind, ‘ik weet wat u denkt. Niet doordat ik zoo druk ben geweest, maar doordat hij dat zoo in me opjaagt. Dat hij alles goed vindt. Dat hij niet woedend wordt! Ik wou dat hij me uitschold desnoods....’
‘Frans, wat is dàt nu voor praat!’ zei Annette gekwetst, ‘zou je dàt verdragen?!’
‘Neen, neen, dat is 't juist!’ riep Francine en de tranen van woede liepen over haar teer gezicht. ‘Maar dan zou ik tegen hem op vechten - ik wil aan zijn kwaadheid zijn liefde voelen - en daarom moèt ik hem sarren!’
Annette zat bleek op den rand van het bed. Zij had eenmaal een vrouw uit het volk hooren zeggen: ‘Als mijn kerel me ranselt, weet ik dat ie van me houdt.’ En tegelijk schoot haar het woord van Lessing door 't hoofd dat ze den laatsten tijd ergens gelezen had: ‘Liefde is altijd hetzelfde. Een wijsgeerige vrouw heeft niet anders lief dan een boerin - een bedelaarster niet anders dan een koningin.’
Het kon toch niet heelemaal waar zijn. Was geboorte, milieu, opvoeding, voorbeeld dan niets...? Deze dingen zei haar kind, opgegroeid in hun vreedzaam, zorgvuldig gehoed, gelukkig gezin... Een afgrond gaapte....
‘Was dit een.... begin??’
Francine kwam tot bedaren. Ineens zag ze haar moeder, haar onschuldige reine moeder, die daar ontsteld met haar meisjesoogen haar zat aan te zien. En haar hart sloeg luid voor al dat eigene, dat zij onwrikbaar lief had.
Toen klonk Frederiks stem op het portaal - ongerust:
‘Er is toch niets met onze bruid? Waar blijf je zoo lang Annètje?’
‘Kom erin, kom hier vader!’ riep Fransje.
Hij kwam. Hij zag wat vermoeid en zijn kleine blauwe oogen stonden een beetje ontroerd en schemerig. Maar Fransje in bed, veerde omhoog op haar voeten, sloeg een arm om moeders en een om vaders hals en kuste hen om beurten.
‘Jullie moeten héél, vreeselijk véél altijd van me houen - en me nooit afvallen - nooit me dingen verwijten - ik ben toch jullie kind....’
‘Neen, neen, mal schaapje, wat zoùden we je nu verwijten gaan!’ troostte hij geroerd.
Maar in beiden was plots een onberedeneerde dreiging van komende zorg, waarbij ze hun trouw en geduld aan dit kind zouden hebben te bewijzen.
Maar hoe wonderlijk veelkleurig was dit kameleon van een dochter, moest Frederik daarna weer denken. Want op het trouwdéjeuner zat een kalme zachte jonge vrouw naast haar herademenden bruidegom. De zure bruidsweken lagen achter hem, en hij hervond al zijn onbezorgde vroolijkheid, toen hij naar het lieve gezicht keek in den blanken blonden bruidstooi.
En ook Annette keek aandachtig naar haar kind, dat ernstig de oogen vestigde op elk der sprekers aan tafel.
Bergema sprak tot de bruid, maar op het eind behield ieder de herinnering dat dit eigenlijk eerder een toast op de moeder van de bruid was. Ook Francine voelde het zoo, en ze knikte Annette innig toe. En Annette wendde wat gegeneerd het hoofd af - zij kon niet best hebben dat haar oude vriend zoo openlijk van zijn bewondering getuigde. Ook wist zij Line's zuurzoet gezicht aan den overkant.
Zij keek de tafel langs, die in de zaal door Sophie en haar was versierd en gedekt met het oude zilver, het blauw porcelein, lange bloemenslingers in teer rose en wit. Philip zat er, vroolijk en knap, en haar hart klopte van trots om dien mooien lieven jongen. En daar verder Frits - haar Fritsje - in zichzelf gekeerd, mijlen weg van dit gezelschap, zijn klein geel gezicht broedend voor zich heen. Pieter had een aardig meisje naast zich en hij scheen niet benauwd. Hij praatte en lachte zijn schaarschen, maar heel beminnelijken glimlach. Een verstandig fijn gezicht, en als hij niet zoo kribbig was, innemend ook, dacht Annette. Meer en meer kon deze jongen haar doen denken aan haar vader, op wien hij uiterlijk soms sterk geleek.
Nu - merkte zij op - was hij vroolijk. Het portret dat ieder van hem had was: Pieter hield niet van fuiven. Maar niemand wist de geweldige zelfbeheersching, die het heftig verlangen had bedwongen en bevroren tot uiterlijke onverschilligheid.
In deze dagen, terwijl hij zijn eind-examen in het verschiet had, tusschen de bruidsfeesten door hard werkte, groeide bij het zien van
Francines aanstaand huwelijk in zijn geest het scherp afgeteekend beeld van wat hij wilde:
In de zaak van vader. Die omhóóg werken tot ze veel, heel veel verdienden. Meer dan tot nu toe. En hij in een mooi groot huis, een vrouw trouwen uit de beste kringen, een die de kunst van ontvangen verstond - en in zijn huis dan zou hij feesten geven, en veel gasten altijd hebben. In zijn huis zou dat alles wezen waarvan hij als kind, als jongen uitgesloten was, waar hij zich altijd buiten had voelen staan.
Hier - dit alles interesseerde hem niet. Hij praatte en lachte, maar zijn groote grauwe oogen werden geen enkel maal warm.
En daar zaten Louise en Adolphine in hun stijf zwart satijnen japonnen. Louise zoo statig en hoogmoedig onbewegelijk als een donker afgodsbeeld; Adolphine - wat zag Phine er slecht uit, dacht Annette - geelbleek, het vel glimmend gespannen over het beenige voorhoofd. Haar onrustige donkere oogen gleden de tafel langs - zij at haast niet. Sophie.... ja daar was Sophietje. Haar donker mooi bijdehand kopje boven de rose lage japon. Ze leek ouder dan zeventien, ouder dan de bruid - geposeerd zelfbewust. Wat een steun had zij in deze drukke dagen in alle practische huishoudelijke beslommeringen aan Sophie gehad!
Maar vandaag was er een coquette speelschheid in het meisje, die de moeder als iets nieuws trof. Terwijl ze praatte met haar tafelheer, den advocaat Hartonius, een van Jans getuigen. Hoe kwam die Jan aan zoo'n vriend, dacht Annette. Telkens werd haar blik getrokken naar den knappen man, zeker al in de dertig, die in Amsterdam een bekenden naam had, een groote praktijk.
‘Hoe makkelijk babbelde het kind met hem, hij luisterde met kennelijk plezier.’
En daar Van Dugten, Amélie - daar Jacob Leedebour, Truida had bedankt - Cloese.... de goede vrienden, die zij niet missen wilden. Stance.... Otto....
Frederik was opgestaan - hij sprak thans innig en warm een woord van afscheid tot zijn kind.
‘Je bent een vreugde geweest in ons huis - een kleine zonnestraal van de groote zon, jullie moeder. Ik haal het woord aan van onzen Vondel:
Zoo mijn lieve dochter, heb ik in jou, als in jullie allemaal, je moeder gezien. En gééf mij het geluk dat ik haar in jou zal blijven zien. Dat ik niet zal behoeven te zeggen tot mijzelf: Dàt zou haar moeder nooit
gedaan hebben. Sticht een huis, als wij dat deden: warm, veilig en hecht.’
Zijn stem beefde, zijn gezicht trok in ontroering smal, zijn, blauwe kleine oogen zagen zijn kind ontroerd aan. Francientje viel hem om den hals: al de wandelingetjes langs het IJ, in het Vondelpark - al de kleine vertrouwelijkheden, al zijn vergevende liefde, zijn inschikkelijkheid, zijn vroolijke dwaasheid met haar jeugd mee, trok in een flits aan haar voorbij. Ze kuste hem en Annette onstuimig. Ze schreide, maar ze lachte tegelijk: want het wàs toch zoo heerlijk bruid te zijn en hoofdpersoon van alles, en straks als jonge vrouw weg te rijden met je man op de huwelijksreis.
Nog eenmaal zag Francine Craets om en keek de breede gang in.
Vaders en moeders lieve trouwe gezichten. Philip, Pieter, Phietje, Jet.... waar was Fritsje.... En de tantes, ontroerd maar plechtig vooral - en al de vrienden.... ja, nu adieu - adieu!
Paard dat aanzette - een kleine blanke hand die wuifde uit het portier....
Op zijn jongenskamer weggekropen, huilde Frits heimelijk met groote tranen zijn verdriet uit....
De koffie werd rondgediend. Hartonius kwam bij Annette staan die naar hem opkeek met haar even geroode oogen.
‘Uw tweede dochter mevrouw, heeft me den maaltijd tot iets heel prettigs gemaakt.’
Ze glimlachte.
‘Ze is nog een kind.’
‘Dat is het juist wat me zoo treft. De vrouwelijke ernst en waardigheid bij die heerlijke onschuld van heel jong meisje....’
Annette zag Hartonius' oogen afzwerven, en geboeid het elegante rose figuurtje volgen door de kamer.
Zij dacht opeens:
‘Misschien zal ik ook Sophie niet lang meer hebben.’
Dien avond, toen alle gasten vertrokken waren, stond Annette beneden in de gang en luisterde naar het huis. Het leek leeg en verlaten nu zij die eene stem, de vroolijke, hooge, miste.... Binnen deed Frederik een voor een de lichten uit - zij hoorde hem aankomen door de suite, langzaam of hij moe was. Voor de trap, waar hij haar stil en in gedachten verloren vond staan in haar paars zijden
feestjapon met langen sleep, stak hij zwijgend zijn arm door den haren, en samen liepen ze de trap op.
Bij Francines kamer bleven zij stil. De deur stond open. Sophie had er snel en ordelijk meteen opgeruimd. 't Zag er zonderling leeg en verlaten uit.
Annette beving een heftige onwil: 't was heel braaf en ordelijk van Sophie alles dadelijk zoo op te ruimen, maar ze kon het op dit oogenblik niet uitstaan. Zij had hier willen vinden slingeren Fransjes weggeschopte schoentjes, neergegooide jurken - al die dingen waar zij zelf dikwijls over geknord had....
‘Eén kapelletje leeg,’ zei Frederiks stem naast haar.
Ze voelde zijn arm om haar schouder - zijn wang tegen de hare.