FREDERIK CRAETS stond met oom Pieter op de pier van IJmuiden den tweeden Juli van het jaar achttien-een-en-negentig, en keek door zijn kijker uit naar het keizerlijk jacht Hohenzollern dat den Duitschen Keizer naar Amsterdam zou brengen.
Om zes uur in den mistigen morgen waren de zes torpedobooten in volle zee gestoomd - gingen vereenigd de Hohenzollern tegemoet.
Langzaam kwam het groote witte schip in 't zicht, voorop de Hollandsche vlag, achter de Keizerlijke standaard. Het eerste saluutschot donderde krakend van het fort IJmuiden.
‘Zie je onze mooie eigen schepen?’ popelde Pieter Craets. ‘Ziè je ze Frederik? Als die Duitscher ze niet prachtig vindt mag ik lijen dat hij overboord valt. En onze Koninginnen - dat meiske, dat ons Willemijntje is....’
Frederik antwoordde niet - hij had oogen te kort. Hij dacht ook trotsch aan Philip - hij was lang verzoend met de keuze van zijn oudste.
‘Gij zult ze van dien kant zoo heerlijk op zien dagen,’ murmelde hij - zijn hart warm bij het groote schouwspel, de kleurenwemeling van schepen, vlaggen op het blauwe water - een trotsch vertoon.
En in de hitte van den Julidag golfde een dichte menschenmenigte over den Dam, om het ongewoon gebeuren bij te wonen van de Taptoe - het eenig militair feest dat den Keizer werd geboden; stond er te staren naar het balcon van het Paleis waar de Duitsche Keizer met de Koningin-Moeder toefde - achter in de zaal het jonge Koninginnetje, dat van tijd tot tijd even naar voren kwam.
‘Heil dir im Siegerkranz.’
Dan 't Wilhelmus, het lied des lijdens en der glorie, als Hofdijk het eenmaal noemde. Die op den Dam waren, zagen hoe de Keizer front maakte voor de Koningin-Moeder, hand aan den helm staan bleef tot de laatste toon verstierf.
Amsterdam, gapend, was zeer getroffen, en de couranten wijdden bizonder hartelijke artikelen aan den gast om dit gebaar, om zijn teeder-hartelijke begroeting ook van Wilhelmina, het kind van Staat...
Op den Voorburgwal zat moeder Bremer met het Nieuws van den Dag op haar schoot en keek verstrooid uit. Zij dacht aan vroeger - hoe graag en hoe veilig zij met Bremer naar zulke dingen was gaan kijken. Nu ging ze nergens meer heen - dat was niets, zij voelde zich te eenzaam tusschen de menschen, - maar dat Stance die jong was, nooit een pretje had - dàt was wel erg.
Otto was al weken weer thuis. Hij had een hevige duizeling gekregen op straat en zat daar nu zoo zwak en teer in zijn stoel, dat het haar zeer deed in haar hart.
Hoe mooi was dit alles begonnen, en hoe droef geworden. Zij moest denken hoè anders alles bij Stance was dan bij Annètje. En dan kon zij er ook maar geen vrede mee hebben, dat het arme kleine kind ver van hen weg in dat gesticht zat. Ze leden er allebei zoo onder.
Voor den zooveelsten keer, in de hardnekkigheid van haar droefheid, begon ze er over.
‘Geef hem mij,’ bad ze. ‘Ik ben wel oud, maar ik zal goed voor hem zorgen. Ik ben maar alleen....’
‘Het, kan niet moeder,’ zei Stance. ‘Als hij een toeval krijgt is hij veel te sterk. 't Is al een groote jongen.’
‘Ach neen Stance, hij is zoo bitter klein.’
Stance begon te schreien. Opeens zag zij hem, als haar moeder, op haar schoot kleumend - altijd zoo koud....
Ze schreide wanhopig, met radelooze tranen, waarvoor geen enkele troost was. De oude vrouw zei niets. Zij had geen tranen meer. Al haar leed scheen gestold in haar zware sombere oogen. Maar haar hart stormde op tegen den ziekelijken man, die haar kind had getrouwd.
Eindelijk zei ze:
‘Je moet denken, als 't een slèchte jongen was, zou het nog erger zijn. Hij is een onschuldig kind dat van niets weet.’
‘Ja,’ zei Stance - haar beschreide oogen zagen de stoffige kale straat af, waarin het eens zoo beschaduwde grachtje herschapen was.
‘Ja, er is altijd erger.’
Het bleef met Otto tobben, en de eerste gure najaarsdagen grepen zijn geschokt gestel zoo aan, dat hij meer dan ooit een zieke was.
Annette had een plan. Zij sprak erover met Frederik: Stance en Otto te inviteeren voor een verblijf van een paar maanden in het zuiden. Craets zou het op Otto's kantoor wel in orde maken.
Maar toen zij het Stance voorzichtig voorlegde, was deze opgestaan, ontsteld. Bleek en groot stond zij, gejaagd en nerveus.
‘O Annètje, neen dàt - dat kan ik niet. Geld aannemen van een ander....’
‘Maar van mij, Stance?’
‘Zelfs niet van jou. Frederik en jij zijn samen. Ik zou 't gevoel hebben niet meer vrij te zijn.’
‘Maar Stance, denk eens aan Otto, hoe zielig hij hier zit zoo'n winter - wat het voor hèm beduiden zou....’
Stances oogen werden angstig.
‘Ik zou zoo ver van Dolfje zijn....’
‘Ach Stance, je moeder is er toch. Die zal naar hem toegaan - en ik. Zooveel je maar wilt.’
's Avonds kwam Frederik. Praatte met hen beiden op zijn hartelijke luchtige manier.
‘Doe Annètje 't plezier! Ze heeft een voordeeltje gehad in haar aandeelen van 't Paleis. 't Is zoo'n illusie voor haar dat te besteden aan een reis van jullie.’
Otto in zijn zwakte was geroerd.
‘Goeie vrinden hadden ze. En 't idee dat Stance, die altijd sloofde en verdriet had, eens wat anders zag....’
Stance had hem zien oplichten uit de diepe grondelooze melancholie, waaruit ook zij hem niet meer halen kon. Voor elkaar grepen zij het eindelijk aan, als een verschiet. Alleen 't kind lag hun zwaar.
‘Als wij erheen gaan vlak voor ons vertrek en moeder gaat dan over veertien dagen,’ zat hij te rekenen.
Ze knikte, sprak er niet meer van. Ze wist dat het hem even zwaar woog als haar. 's Nachts, naarmate de dagen voor hun vertrek wegvielen in de toebereidselen voor de reis, lag zij slapeloos, strijdend om haar vrees te overwinnen, pogend ook hem gerust te stellen.
Hij liep slingerend en moeielijk; zich aan de leuningen klemmend, zakte hij soms de hooge trap af.
Op een middag, toen zij boodschappen gedaan had, miste Stance
hem bij haar thuiskomst. Pas tegen vijf uur kwam hij, zoo afgemat dat zij zich ontsteld afvroeg wat hem overkomen kon zijn.
Maar nog staande bij de deur zei hij hijgend, zijn mond bevend:
‘Je moet er niet boos om zijn - ik ben naar Dolfje geweest - ik wou hem nog wat brengen - ik zag zoo'n mooien spoortrein.’
Ze sloeg haar armen om hem heen.
‘En wat.... hoe ben je....’
‘Een man heeft me geholpen - ik kon daar niet goed loopen. Hij was heel vroolijk aan 't spelen toen ik wegging. 't Kon hem niet eens schelen....’
Ze vroeg niet meer. Die dingen zeiden ze altijd tegen elkaar.
Twee dagen later gingen zij. Annette en Frederik brachten hen naar den trein, Annette beladen met lekkers, versnaperingen, vruchten voor de reis, Frederik met zijn plaid voor Otto.
Ze stonden op het perron, terwijl voor het raampje twee bleeke afgetobde gezichten moeizaam glimlachten en groetten.
‘Annètje....’
‘Ja Stance, ik beloof je....’
Ze liepen stil het perron af, terwijl langzaam de trein naar het zuiden weggleed met Stance en Otto.
En Annette dacht aan den morgen toen Stance naar Indië ging.