terug  begin  verder
[p. 421]

XVII

IN een heerlijke Octobermaand lag het Vondelpark, Amsterdams tuin, in weelde van stervende kleuren. Frederik Craets, langzaam voortwandelend bedacht hoe eenmaal gemopperd was: het Vondelpark zoo ver buiten de stad; nu reeds lag het geheel ingebouwd. Hij keek geërgerd terzij - wéér zoo'n paar woeste wielrijders, die je in een vaart voorbijsnorden, rustigen wandelaars totaal het genoegen vergalden! Laten die kerels buiten de stad gaan rondrennen, maar hier - in òns park - het is hier levensgevaarlijk geworden. En hij nam zich voor een pootig ingezonden stuk te schrijven in het Handelsblad. Je moest waarachtig eerst om je heen kijken of je wel over kon steken - je moest oppassen! Dat was toch te gek!

In deze prachtige najaarsdagen ging hij iederen dag naar het Vondelpark - hij was met de jaren een hartstochtelijk wandelaar door zijn stad geworden. Soms kwam hij er Cloese tegen op zijn wandelrit hoog te paard - praatten zij samen een oogenblik. Over wat Van Lier te zien gaf: Judic, het troetelkind der Parijzenaars. Hoe allergeestigst dat vrouwtje zong: La Chanson du Colonel. Tot de vlugge ruiter weer verder draafde, Craets alleen zijn weg vervolgde. Hij peinsde erover hoe dolgraag hij dezen zomer naar Bayreuth was gegaan om den Parsifal te hooren - in acht-en-tachtig had hij Van Dijck in de hoofdrol gezien. Maar het was voor Annette geen genoegen.....

Hij liep terug de groote laan, keek een oogenblik waar het terrein van de Hereeniging aan het Vondelpark gereikt had. Dat werd een straat, zonde en jammer van den mooien tuin. Met kracht en geweld roeiden ze in de stad het groen uit, dempten het water. Ze waren verdwaasd. Hoeveel was er gevallen aan stadsschoon sinds zijn jonge jaren, waarvoor niets teruggekomen was dan karakterlooze leelijkheid.

[p. 422]

Hij moest niet denken aan dat mooiste aller grachtjes, de Warmoesgracht met zijn prachtigen doorkijk. Hij had een vriend gehad die woonde op den hoek van de Huiszittensteeg op het Singel - hoe heerlijk keek je op zomeravonden het donkere grachtje, de zuivere bruggenboogen over. Een kale leelijke breede straat geworden, met een nietszeggenden naam. Een verkeersweg. De oude karakteristieke Singelhuizen gesloopt - Vondels woonhuis tegen den grond maar! Hoe lang zou het duren en ze sloegen hun schennende handen aan de groote grachten. Je kon hier in het land alles verwachten.

Hij keek bekommerd terug door de groote laan - die had enorm geleden door den abnormalen winter. Al de mooie kastanjes waren uitgevallen.

Oom Pieter was, zoo mogelijk nog mee reactionnair dan hij. Met dièn kon hij kankeren over dat alles. Want Van Dugten in den Raad, haalde de schouders op, zei: hij betreurde, maar het wàren nu eenmaal de eischen van het modern verkeer.

‘Naar den duivel met jullie modern verkeer!’ had de oude man gebruld - zijn paarse kromme neus zwol van woede. ‘Dat jullie allemaal je oogen in je zak hebben en je hart ook! Ja, in je zak. Centen, voordeel - dat is het. Jullie hebt geen hart voor je stad - jullie willen het oude niet bewaren. Jullie willen alleen voet balterreinen hebben hè? Daàr is wel geld voor - daar gaan onze belastingen aan. De liefhebberij om een troep vieze bezweete jongens achter een bal aan te zien hollen. 't Is goed dat ik eruit ben - 't is goed. Ik hoor hier niet meer. Ik ben van een anderen tijd - van een ander maaksel - ja, God zij dank.’

Maar in zijn hart was hij nooit weg. Met Sophie zat hij 's avonds alles in de courant over Amsterdam te spellen. En telkens deed iets hem herinneringen ophalen.

‘Wat een werk hebben wij niet indertijd gehad om de menschen warm te maken voor die zweminrichting aan den Westerdokdijk - 't hoognoodige voor onze Amsterdamsche schoolkinderen. Weet je nog Sophie? In zes-en-veertig was dat.

Suringar opende met een speech, stond op een vlot midden in het bassin, en zijn jongen viel uit puur enthousiasme van de balustrade in 't water. Weet je nog Sophie? Wat hebben we gelachen! En och wat was dat toen een prettige tijd in Amsterdam - Later de volksbadhuizen - wat 'n werk om het er door te krijgen. Hollanders willen zich zelf niet wasschen, alleen hun stoepen. Eindelijk, hè hè! Heemstede Obelt.... ja. Maar verkeer - daarvoor moet alles zwichten. 't Is er een rommel geworden vrouw, ik ben blij dat ik eruit ben.’

[p. 423]

Tante Sophie luisterde, herinnerde mee. Als Pieter zei dat hij blij was eruit te zijn, keek ze hem aan met haar flauwe oogjes, waarachter zulke pientere gedachten schuilden. Je moest nooit laten merken dat je een man doorzag - dat had een lang huwelijksleven haar geleerd.

 

's Avonds nam Frederik Annette mee naar den schouwburg. Naar de Doofpot gingen zij met Sophie en Pieter, de vermakelijke revue, die tweehonderd avonden bij de Amsterdammers stampvolle zalen trok. Men gnuifde bij de persiflage op het Taptoeschandaal, en zong met echt Amsterdamsch genoegen:

 
‘Diender, diender, als ik 't jou gebied:
 
Dan doe ik 't niet, dan doe ik 't niet,
 
Dan doe ik 't lekker niet.’

En menigen avond reden ze naar den Parkschouwburg, zaten er in hun vaste loge en hoorden er Orelio, Pauwels, Engelen Sewing, gezonde operastemmen alle onder leiding van den vurigen Kees van der Linden, die dapper tegen den stroom oproeide van altijd nieuwe moeielijkheden.

Er was ook een heel jonge tenor aan het opkomen daar: Urlus - dien hij volgde met belangstelling.

Muzikaal gaven deze jaren te genieten als nooit te voren. Er was de jonge bas Messchaert, die met Röntgen liederavonden gaf in de Kleine Zaal van het Concertgebouw. De beiden, die in een zeldzame eenheid van geest, een zeldzaam doordringen ook van den geest van het lied, de romantiek van Schuberts Winterreise, Die Schöne Müllerin - van Schumann, van Brahms, maar ook den diepen, in zichzelf verbeten Hugo Wolff, den gepassionneerden jongen Strauss vertolkten. Met Amélie van Dugten kon Frederik zich laten gaan in vergelijkingen, en karakteristiek. Hoe klaar en naïef was Schubert in zijn Jugendschmerz, hoe verrukkelijk werd dat alles door Messchaert bezield.

Amélies donkere oogen omfloersten zich. ‘Ja - hij heeft het geheim die soort smart te zingen, welke in werkelijkheid nog geen echte smart is. Het is alles zoo “erg” omdat het zoo jong is, en dat is het heerlijke erin: het gezonde, zelfs waar het weent over smart en dood.’

En toen zat daar aan den vleugel op een avond een andere verschijning - een beroemde naam die in vroeger jaren reeds zijn jongen roem hier behaald had: Henschel, zichzelf begeleidend, die eveneens zong Schubert, Brahms, Löwe. Maar ànders weer - meér natuur, minder cultuur. Amélie schokte recht, wat wàs er in deze stem dat zoo diep raakte. Een intonatie, een klank.... Van Dugten

[p. 424]

plaagde haar. Amélie sloeg geen concert over; zij reisde naar Den Haag, naar Utrecht, om zich te verzadigen aan dat geluid.

En in het Paleis voor Volksvlijt ging de cyclus der Nibelungen. Wagners strijd was gestreden, het verzet gebroken. De wonderbare klankenrijkdom, de heftig dramatische bewogenheid, de psychische diepte hadden Nederland veroverd. In den salon der Van Dugtens werden episodes uit Wagners werken gemaakt. Amélies zware alt zong de Erda partij met kleur en macht, terwijl een jonge ambtgenoot van Van Dugten, volbloed Wagneriaan, met een niet sterke, maar warm beeldende bariton de Wotanpartij zong.

Het waren avonden waarbij ook Annette Craets meegesleept te luisteren zat, al wist Frederik dat de dramatische handeling in de eerste plaals haar trof. Brünnhilde's: ‘War es so schmählich, was ich verbrach?’ deed haar verbleeken - en in zijn oogen werd zij dan plotseling voor een moment weer het jonge Annètje, dat in haar sterk besloten gevoelsleven de diepe ontroeringen onderging, welke hij niet op 't spoor kon komen.

Van muziek, en welke muziek! scheen de wereld vol - in nooit gekend aantal ook kwamen de groote solisten de abonnementsconcerten opluisteren.

Frederik Craets kon alles genieten in een altijd wakkere, diepe belangstelling. Er gebeurde weinig in Amsterdam of hij was erbij. Geen tentoonstelling of zijn altijd jeugdige verschijning werd er gezien. Met Leedebour liep hij langs de verzameling oude handschriften van het kabinet Slagregen, dat geveild werd.

‘Is het geen droom.... zelden heeft me iets zoo wonderlijk aangedaan,’ zei Leedebour. ‘Hier worden al die verschillende menschen levend opnieuw, uit hun argeloos neergepende brieven.

Hier - een briefje van Thorbecke aan een Schwallbacher dokter... Een van Dirk Hogendorp, de merkwaardige avonturier en banneling, vriend van Napoleon, wien verweten werd dat hij zijn land niet liefhad. En lees nu dat briefje van hem aan Crommelin, wat een smachting, wat een verlangen naar zijn bezoek, het heimwee hem te mogen onthalen, te praten met een Hollander....

En deze aandoenlijke brief van Borger aan zijn moeder na het sterven van zijn vrouw in 't kraambed: ‘Ik heb een graf gekocht in Catwijk, daar rust Kee onder den vrijen hemel. Het kindje dat reeds begraven was in de Kerk heb ik laten opgraven en bij zijn moeder in de kist gelegd! Hier moet ik eindigen of ik val van mijn stoel.

 

UED Zoon Borger.’

 

De Rhijn met al zijn gezwollenheid is een overwonnen stand-

[p. 425]

punt geworden - iets waar we niet meer naar omzien. Maar dit - deze rampzalige overgevoelige ten doode gekwetste mensch is ons zoo na - die leeft vlak naast ons....’

Hij had half voor zich uit gesproken. Frederik keek hem vluchtig aan. Hij dacht dat eigenlijk niemand Jacob Leedebour kende.

Maar die liep al verder: ‘Hier een briefje van onzen prins Alexander, dertien jaar oud, aan keizerin Eugénie ‘Je me fais une véritable fête de retourner en France, où on est toujours si bon et si aimable pour moi.’

‘De stakker, dien de haren te berge moeten zijn gerezen bij de gedachte aan de mogelijkheid eens koning te kùnnen worden....

Er gaat een gansch eeuwstuk aan je voorbij - hier verkeer je met namen die niemand meer noemt.... met verbijsterende snelheid vallen de sterren van je jeugd in een afgrond van vergetelheid...’

‘Als je er nog niet van doordrongen was,’ lachte Frederik een beetje droef, ‘de oude Bamberg, de glorie van onze kinderpartijtjes, kondigt zijn afscheidsvoorstelling aan.’

En zij liepen samen weer buiten met even het beklemmend gevoel, dat ook zij reeds bezig waren oudere generatie te worden.

terug  begin  verder