terug  begin  verder
[p. 434]

XIX

HET was een veranderde Stance in zwaren rouw, die in haar moeders huis terugkeerde. Als Annette kwam op den Voorburgwal vond zij de beide vrouwen tezamen, de oude vrouw breiend, Stance met een boek of ledig uitstarend, vervallen, met diepe groeven in haar bleek gelaat dat thans iets op dat van haar moeder geleek.

In eigen huis was veel dat haar aandacht eischte. Philip die daar in Indië voer, trouw schreef zijn gezellig vertellende brieven. Ze waren ook aan Frederik gericht, maar hij merkte met een lachje, dat Annette ze onbewust altijd beschouwde als speciaal voor haar.

Hij dacht erover, gepuzzeld als hij zoo dikwijls was geweest in zijn liefde. Maar hij overwoog, hoe vrees en zorg het moederdeel was, en hij, als man, ook den mannelijken trots deelde van den zoon. Hij miste Philip wel als hij pas weg was, maar hij leefde toch in vreugde en trots met hem mee op de verre reis - en de vreugde was oneindig meer dan het leed.

Naar Frits evenwel ging voor 't oogenblik zijn zorg. Dàt was heel wat erger dan dat een gezonde jongen de wereld inging! Nog altijd leerde Frits slecht. Hij zat nu, met horten en stooten, eindelijk in de hoogste klas, maar van de Hoogere Burgerschool of Gymnasium was geen sprake.

Wàt moest het met den jongen? Een studiekop was het niet. Het beste zou nog zijn in de zaak. Als Pieter eenmaal de zaak had, zou hij allicht er langzaam in meegroeien onder diens leiding....

Zijn Kerstrapport was ditmaal weer bizonder slecht uitgevallen, en met het noodlottig bewijsstuk in zijn hand, slofte Frits als een veroordeelde binnen bij Annette, liet zich als de personificatie van afschuw en verveling voor de kachel op den grond zakken.

[p. 435]

Als ik school nu toch zoo verschrikkelijk vind! Waarom ben ik ook geen meisje, dan hoefde ik niets. Ik bèn ook geen jongen, ik kan niet werken zooals Pieter, zooals vader - en ik vind alle vakken afschuwelijk.

‘Taalles toch niet? Je houdt van lezen?’

‘Neen, ik houd niet van hùn manier van lezen. Ik denk er altijd andere dingen bij. Als ik een meisje was en niet leeren kon, mocht ik thuisblijven. Ik kan 't toch ook niet helpen dat ik juist alles naar vind wat een jongen moet doen....

Als ik zoo stil zit, dan komen er vanzelf versregels in mijn hoofd, en dat is heerlijk.’

‘Schrijf je ze wel eens op?’

Hij keek haar lang aan, bang zich over te leveren. Het ging door zijn hoofd, dat zij niets gezegd had over het rapport, alleen geluisterd en nu dìt vroeg.

‘Als u belooft het nooit iemand te laten zien, zal ik het schrift halen.’

Annette zat lang met het schrift in haar schoot. Kleine kinderlijke onbeholpen versjes in het begin, maar zoo vol van een fijn gevoel, een humor, dat het telkens haar ontroerde. De hongerige kraaien 's winters - op Sjukke en Bengalen - op moeder als zij alleen zit - en een geestige vertelling in lange regels, hoe de wind Neeltjes tullen muts meenam om er mee te spelen, en 's avonds laat, toen hij moe was en slapen ging, als een vuil verscheurd vodje, naar beneden mikte op de plaats.

Hoe sterk en fijn waren vele kleine gebeurtenissen door dit kind in huis beleefd en onthouden - het leelijke stille jongetje, dat daar zoo grauwtjes kon zitten tusschen de anderen. Een oud gevoel werd in haar wakker, nòg kon Karel de Roos haar dat geven: of zij werd opgetild.

Zij bukte zich, haar kleine blanke hand uit het wit kanten manchetje streek liefkoozend over het donkere hoofd aan haar knieën.

‘Fritsje - ik vind ze heel lief die versjes - zal je ze nooit wegdoen?’

Glans viel over zijn vreemd klein bol gezicht. Hij zoende haar hand dankbaar.

Toen opeens zagen ze beiden weer het noodlottige rapport.

‘Maar wat zal vader zeggen van.... dàt?’

‘Ik weet het niet,’ zei hij rampzalig, ‘maar beloof dat u niets zegt van de verzen.’

‘Maar dan zou vader het eerder begrijpen....’

Hij schudde 't hoofd.

[p. 436]

‘Vader zou 't niet begrijpen,’ zei hij helder.

Frederik was meer verdrietig dan boos. Hij had ook zoo sterk het machteloos gevoel, dat nooit zijn woorden dezen jongen bereikten.

‘Weet je wat nog het ellendigst is,’ zei hij 's avonds tegen Annette, ‘dat hij alles naar vindt. Had hij maar één voorkeur dan zou ik hem dien weg laten gaan. Maar wat doe je nu met zoo'n jongen.’

Er sloop een lachje om haar mond. Iets van stillen triomf - verborgen trots.

‘Hij is anders dan de anderen. Maar hij heeft een bizonder innerlijk leven....’

‘Daar kan hij toch niet van bestaan! Maar dat slabakken moet uit zijn. Ik zal hem alle avonden door een onderwijzer laten bijwerken.’

Zij zweeg bekommerd. Zij had het gevoel dat zij den jongen verdedigen moest, zijn vrijen tijd verdedigen.... Hij had haar vertrouwd, haar getoond wàt in hem leefde. Maar zij begreep ook wat Frederik zei: de jongen moest toch een bestaan hebben eenmaal.... en ze had Frits beloofd niets te verklappen....

Haar kinderen werden groot en het leven ingewikkelder. Daar was ook Sophie - die door het huis ging, haar mooi donker gezichtje doorgloeid van innerlijk geluk. Die nauwgezet haar werk deed, in alles haar handige hulp was, en haar tegelijk zoo overtuigend het besef gaf een heel eigen weg te gaan. En zij begreep het, haar schoonheid, haar vrooijkheid, haar bereidwilligheid, het was alles Hartonius; en haar hart beefde voor haar kind.

‘Wàt als Hartonius niet van Sophie hield! Hij was zooveel ouder, een man die in zijn werk opging. Wàt, als hij per slot haar alleen maar een lief kind vond? Hoe zou Sophie met den harden wil te veroveren, te bezitten, dien slag dan verdragen! Annette zag plotseling het diepe leed dat over dit trotsche kind zou komen als de illusie haar uit handen geslagen werd.

Haar hart kwam in vollen opstand tegen dit schuilevinkje spelen tusschen Sophie en haar. Waarom sprak zij niet, zooals zijzelf eenmaal begeerd had te spreken met haar moeder over Frederik. En eenmaal, op een middag, toen Sophie zei: ‘Morgen is het vergadering van Steun!’ de onderdrukte jubel in de stem haar trof, barstte zij uit:

‘Sophie, kind, wees toch in 's hemelsnaam voorzichtig! Lààt die man toch niet merken dat je zoo om hem geeft! Dat je hem naloopt. Later gooit hij steenen op je. Dat soort liefde weet geen man te waardeeren. Ik zou het niet verdragen kunnen als het niets werd, en de menschen beklaagden je en lachten achter je rug. En hij misschien ook.’

Het meisje was langzaam rood geworden. Te onverwacht was de

[p. 437]

aanval geweest, en met de grootste moeite behield ze haar zelfbeheersching. Dan, haar oogen scherp in die harer moeder, zei ze: ‘Hoe bedoelt u? Ik vind Hartonius heel aardig, maar ik zal me heusch om hem niet ongelukkig maken.’

Annette zweeg. In een onzeker gevoel van schaamte, als overbodig opzij geduwd. Zij wist wel, Sophie kòn nooit vertrouwelijk zijn. Een geweldige harde trots was in dit kind, de trots van Louise Craets die zich nooit aan één mensch zou overleveren.

 

En Sophie Craets ging haar eigen weg. De weg van een veldoverste, die stuk voor stuk een welberaamd plan afwerkt. Een plan waarin ieder schot raak was, en de verstandelijke koele berekening nooit werd geschaad door het bevend verlangen dat alles in gang zette.

Als zij - kind nog haast, maar zeer bekoorlijk met haar jonge waardigheid, haar ernst, haar schijn van intelligentie, die zij inderdaad niet bezat - een begrensde koppige domheid verborg zich achter een faux air van gevatheid, gescherptheid - als zij zat op de vergaderingen en keek naar Hartonius' gezicht, luisterde naar zijn overwicht, zijn helder inzicht, zijn geest, dacht zij:

‘Dit is de man dien ik hebben wil. Geen andere is mij goed genoeg.’

Bij die overtuiging sloeg soms een oogenblik de angst en twijfel door haar heen, welke haar moeders woorden in haar hadden gewekt. Het had haar dieper geraakt dan zij zichzelf wilde bekennen.

‘Wàt -’ dacht Sophie als zij alleen naar huis liep, haar sleep gracieus gedragen in haar hand, de arm even buitenwaarts gebogen, de zijden lange jupon ruischend bij elken stap. ‘Wat kon ièmand hiervan begrijpen! Niet moeder, die al zoo oud is - je kon toch niet denken dat moeder voor vader had gevoeld als zij voor Hartonius! Of Frans, die zich met een jongen als Jan tevreden stelde!’

Als altijd Annettes dochters gedaan hadden, in tijden wanneer moeders scherp oordeel de wonde plekken al te onbarmhartig blootlegde, zocht ook Sophie in dezen tijd haar vader, die met zijn onbezorgde goedmoedigheid de oase was in dergelijke verwikkelingen.

En Frederik Craets liep met zijn tweede dochter aan zijn arm, en deed vele wandelingen. En in zijn oor klonken nu, inplaats van verhalen over gewonnen bekers en wedstrijden en training.... verslagen van Steun in 't Huisgezin, huisbezoek, vergaderingen.... En zijn slimme vroolijke hart erkende ook hier den grond. Hij amuseerde zich in stilte, gaf zich gewillig en geduldig over.

[p. 438]

Toen Februari in het land was, kwam op een vroegen morgen de roep over het IJ: of moeder komen wou.

‘Ik ben klaar,’ zei Annette. Bleek en wat geagiteerd zat ze in de vigilante. Thuis liet ze gerust alles in handen van Sophie; maar in haar heele huwelijk was zij nog nooit een nacht alleen van huis geweest!

Zij vond Fransje bleek en angstig haar verwachten. Het losgewoelde blonde haar deed haar zoo'n kind lijken dat het de moeder ontroerde. Over de kamer bewoog zich een jonge baker, met stijf gesteven ritselende rokken, en voor de kachel warmde de oude dorpsdokter zijn handen, grommend:

‘'t Is te koud, baker. Mijn hemel kan je dan niet stoken!’

Melgers stond op één been grappen te maken om Francine te bemoedigen, die niet naar hem luisterde, van den dokter naar moeder keek. En zijn lach kon het eindelijk niet verder brengen dan tot een zenuwachtigen grijns.

‘Jan, zou jij niet liever naar beneden gaan?’ verzocht Annette koel. En Melgers, hulpeloos, schuifelde de kamer uit.

De oude dokter keek eens om. ‘Die schoonmama was niet voor de poes.’

In bed rilde Francientje met lange rillingen van zenuwkou.

 

In den middag werd het kind, een jongen, geboren.

 

Annette bleef een week. En al dien tijd verbeet Frederik dapper zijn moeielijk gemis, zijn eenzaamheid, om Sophie niet te grieven. Maar tegenover Annettes leegen stoel sloeg hem de kou om het hart. Het scheen ook of niemand in huis meer iets te vertellen had, nu moeder er niet was met haar puntige opmerkingen om het te hooren. Pieter kribde, Frits hing ongelukkig rond, en alleen Jetje was zijn troost, die aanhalig bij hem kroop en honderd uit babbelde.

Maar ook Annette telde de uren. De dagen met Fransje in bed, 't kleintje in de wieg - Frans zoo zacht en lief en gelukkig, met honderd dwaasheden tegen Jan en moeder; Frans die lachte als een schoolkind, en als een pop haar baby in haar armen hield, en zich prinsesselijk verwennen liet - de dagen waren goed. Maar 's avonds in dat ellendig eenzaam logeerbed, op de koude logeerkamer waar zij een onoverwinnelijken afschuw van had, voelde zij zich doodongelukkig, las zij heimelijk in bed de briefjes van Frederik over, waarin hij getrouwelijk, humoristisch, de gebeurtenissen des dagelijkschen levens beschreef.

En als een verloste - al viel 't afscheid van Fransje en 't kind wel

[p. 439]

even zwaar - landde zij nog onverwacht op een middag in haar vigilante weer voor haar eigen veilig huis aan.

Frederik hield haar in zijn armen.

‘Ik wil 't niet zeggen waar Phietje bij is, maar ik heb je vreeselijk gemist.... Ben je moe liefste, je ziet zoo bleek?’

‘Ik ben moe geworden, ik had geloof ik heimwee,’ zei ze wat beschaamd met haar meisjesachtig lachje.

‘Hebt u 't zóó slecht bij me gehad?’ vroeg Sophie dien middag aan tafel. Haar scherpe jaloersche blik merkte onmiddellijk haar vaders vreugde.

‘Neen mijn kind, maar ik kan niet buiten je moeder,’ zei hij zachtmoedig.

 

Om beurten gingen al de Craetsen over het IJ. Sophie hielp handig en redzaam, zat er met het wicht op schoot, zoo rustig en bezonnen of zij de moeder was. Pieter kwam een enkelen keer, vluchtig en weinig zeggend. Maar Frits had er zijn eigen plek. Op al zijn vrije schoolmiddagen nestelde hij zich in de sofa, of in een van de diepe makkelijke stoelen, en bleef er zalig soezend uren hangen, in 't veilig gevoel, dat niemand hem hier met iets vervolgen kon.

Zelfs dokter Bergema kwam - en zei na zijn bezoek tegen Annette:

‘Zij bloeit als een roos.’

Annette had een malicieus lachje over haar borduurwerk naar hem heen.

‘Als je mij in je geest terugziet in zulke perioden, waar doe ik je dan aan denken?’

Hij begon te lachen, al zijn genegenheid in zijn blik.

‘Als ik 't zeggen mag: aan een cactus.’

Jetje, geweldig trotsch op het kleine neef je, waarvoor zij op school op muisjes mocht tracteeren, had het in 't begin eventjes vreemd gevonden. Tot nog toe was zij het kind in de familie, dat aller aandacht, aller verteedering tot zich trok. Maar zij aanvaardde het licht, zooals zij alles opnam in haar luchtig blijde kleine ziel.

't Was een gelukkig kind, dat ook wonderlijk bewust zelf was van dat geluk: op school kon zij zitten en bedenken hoe heerlijk het zou zijn straks te gaan zingen in 't zanglokaal, waar je die mooie boomen zag voor 't raam. En onder 't zingen al wist zij straks de vreugd naar huis te loopen, lekker buiten op straat, met een sleep vriendinnetjes, of gehaald te worden door moeder.

Van al de kinderen Craets ook was Jetje de eenige die graag naar den Amsteldijk, naar tante Caroline ging. Een heelen dag daar hielp beesten verzorgen, volkomen tevreden aanschoof bij de vuile tafel,

[p. 440]

en haar boterham deelde met een hond of poes van 't zelfde bordje. Frederik en Annette rezen bij die verhalen de haren te berge, maar Jetje scheen altijd overal doorheen te rollen, en wist overal haar gelukjes te plukken. Als zij in een straatoploop verdwaalde door haar nieuwsgierigheid, was er altijd zóó'n lieve juffrouw die haar uit 't gedrang gehaald had - of bij een optocht liet zóó'n aardige man haar op zijn schouders zitten. In de winkels waren het allemaal vrienden en vriendinnen achter de toonbank. Er wàren niets dan vrienden in Jetjes wereld - en iedere vreemde was alleen maar ‘een vriend dien ze nog niet kènde.’

In heel dèzen drukken tijd leefde daar sterk voor Annette op den achtergrond dat andere huis, waar zij in 't middaguur Stance vond met moeder Bremer. Een enkelen keer trof zij er Jacob Leedebour; hij zat er tegenover deze veranderde Stance in een wonderlijke schuchterheid, moeielijk zijn woorden vindend.

Annette wist niet meer of het Stance verheugde dat zij kwam. Er was iets gebeurd dat zij niet vergeten kon in een der eerste dagen na Stances terugkeer.

‘Waarom heb je moeder alleen Dolfje laten halen? Dat was toch niet verantwoord,’ had Stance gevraagd.

‘Ik was er in twee dagen niet geweest - ik had het druk in huis, en had er niet aan gedacht dat....’

‘Niet aan gedacht!’ Stance viel aan op het woord - zij leek niets op de oude vergevende zachte Stance. ‘Jij met al je gezonde kinderen! Maar dat eene arme kind van mij....’

Annette werd bleek.

‘Jij op wie ik vertrouwde....’

De oude vrouw was binnen gekomen; forsch legde zij een hand op Stances schouder.

‘Stil,’ zei ze, ‘stil. Wat doè je daar, Stance! Jullie moeten geen ruzie maken.’ Ze praatte of ze kinderen waren, en dat bracht beiden tot zichzelf. ‘Annètje is zoo goed geweest; zoo mag je niet zijn tegen haar.’

Maar Annette dacht:

‘Dit kan nooit meer uit me weg.’

Bij 't weggaan had Stance haar gekust.

‘Vergeef me Annètje.... ik begrijp 't wel....’

En Annette op straat dacht: Hoè had dit gevoel van Stance, dat ze altijd had pogen te sparen, op den loer gelegen. Hoe natuurlijk was het en hoe erg, dat toch die ongelijkheid van hun leven, de hechtheid van het gelooven en begrijpen in hun vriendschap had ondergraven....

[p. 441]

Maar ach, 't wàs waar, sterk eischte het eigen leven haar op, haar gedachten, haar aandacht. Het bleef alles goed gaan in 't fleurige jonge gezin over 't IJ. Het gezonde mooie kind gaf Francine een nieuwe rol; het moederschap werd een vleiende eerepost.

Tante Sophie in Bussum mopperde: veel te ver naar haar zin zat ze hier weg, om zoo dikwijls haar hart begeerde te gaan zien, hoe het kleintje groeide. Als het verlangen haar te machtig werd, trok ze naar Amsterdam. Ouderwetsch in de breedheid van haar vele zwartzijden rokken, haar capotehoed met lila brides kwam ze met een tasch vol uit de kassen, de stoep op van 't huis op de Keizersgracht. Waar Jetje, verrukt, haar tegemoet vloog.

‘Ik heb al je kinderen lief gevonden, Annette,’ kon zij zeggen, ‘maar Jetje - Jetje dat is gewoon een schat.’

Naar de meisjes op de Heerengracht ging tante Sophie - belangstellend voor al wat Louise en Adolphine vertelden. Den laatsten keer had tante Sophie een oogenblik stil gezeten, en na een aandachtigen blik op Adolphine gevraagd:

‘Ben jij goed in orde, Phine?’

Adolphine was ervan opgeschrokken.

‘Ja tante, ja.’

‘Maar je ziet er niet best uit.’

‘Ach ja tante, ik ben toch heusch goed.’

‘Blijft u eten, tante?’

‘Neen Louise, dank je - ik ga straks nog naar Caroline.’

‘Och tante....’

‘Ja zeker - laat Mijntje even een vigilante bestellen. Zijn jullie er pas geweest?’

‘Neen, wij komen er.... zelden.’

‘'t Is toch je zuster.’

Louise schudde het hoofd. Een smart schemerde in haar tragische zwarte oogen.

‘Tante, u weet niet - ze is zoo vuil, zoo verwaarloosd.... En met die béésten....’

‘Jullie mógen haar niet loslaten,’ zei de oude vrouw streng.

‘Ach tante, Caro laat òns los.’

Louise was opgestaan - zij ging de kamer uit. Te pijnlijk was haar het praten van tante Sophie, die dat alles niet scheen te zien als zij.

De laatste keeren had zij zelfs Adolphine niet meer mee willen nemen als getuige. Zij had er gestaan in haar geheel zwarte kleeding, haar lange rokken hoog opgetild in 't midden van de kamer; met zoo'n walging en verontwaardiging in haar donker gelaat, dat één oogen-

[p. 442]

blik Caroline was teruggekrompen in het oude ontzag. En Louise had eindelijk met bevende stem uitgebracht, hoè zij dit de familie kon aandoen, in zoo'n poel te leven; of zij nu werkelijk wilde voortzetten in haar hardnekkigheid dit onwaardig bestaan in plaats weer een eervolle plaats in het ouderlijk huis in te nemen. Toen was Caroline bleek geworden van uitzinnige drift, en nog eenmaal uitgebarsten in een vloed van heesch gestamelde woedende verwijten.

Daarna was Louise niet meer naar den Amsteldijk gegaan. Ze zweeg over die verloren zuster, maar vergat haar nooit. Zij bad 's avonds voor haar terugkeer, maar in het deftig gezelschap van haar freules en dominees, van weldadigheidsbazars en vereenigingen - altijd zij genoemd met eerbied en ontzag juffrouw Craets, de weldoenster onzer armen - kon zij innerlijk plotseling opschrikken, omdat voor haar geest verscheen de vuile verwaarloosde vrouw, die in oude kleeren op den grond zat en een hond of kat liefkoosde op haar schoot, in haar armen. En zij vreesde altijd in de courant de met tusschenpoozen geplaatste advertentie:

Brengt uw zieke dieren, uw dieren waarvan u zich wilt ontdoen, naar Het asyl voor Noodlijdende Dieren.
Directrice C. Craets,
Amsteldijk.

Toen Louise de kamer uit was, boog Adolphine zich gejaagd naar voren.

‘Tante.... ik.... ik wou Caro wèl graag zien. Ik mis Caro altijd zoo. Zij was vroeger zoo vroolijk. Zegt ù haar tante....’

‘Ja Phien?’

‘Zegt u haar, dat ik.... zooveel om haar denk.... en dat ik.... ik 't begrijp - dat ik 't flink van haar vind....’

‘Waarom ga je zelf dan niet eens naar haar toe, Phine?’

Adolphine schudde het hoofd. Zoo droef keken de kleine donkere oogen de oude vrouw aan, dat deze naar voren boog, de magere trillende hand in haar glacé's ving. Zóó had het kind Phientje haar aangekeken vroeger als zij verdrukt en ongelukkig bij tante Sophie troost zocht.

‘Wat is 't mekind - zeg 't me maar?’

‘Ik kan nooit. Ze laten me nooit meer alleen uitgaan. Louise is bang....’

‘Och!’ zei de oude vrouw, meer oprecht dan vleiend, met Phines uiterlijke verschijning voor oogen. ‘Ga dan met Frederik - vraag Frederik dat hij jullie alleen laat.’

[p. 443]

‘Neen tante, Frederik en Louise zijn 't altijd samen eens.’

‘Wil je bij mij komen logeeren, Phine?’

‘Als dat kan tante. Maar Louise zal mee willen.’

 

Tante Sophie stapte moedig het asyl binnen. In de gang kwam Caroline aan, zag met een snellen blik buiten voor 't hek de wachtende vigilante. En herademde.

‘Dag tante - gaat u binnen. Wacht.’

Ze tilde twee poezen van oma Goldeweijns canapeetje, wees de met haren bezaaide plaats haar gast aan. Die ging kloekmoedig zitten.

‘Caro, kind, ik verlangde je te zien. Ik kom net van je zusters ook.’

Carolines blauwe oogen keken onverschillig.

‘Wilt u iets gebruiken, tante?’

‘'t Zou me onmogelijk zijn,’ dacht Sophie Craets. ‘Dank je kind - ik wil vijf minuten met je praten. Hoe heb je het?’

‘Goed tante.’

‘Heb je veel beesten? Floreert de zaak?’

Nu lachte Caroline.

‘Dat ziet u. Allemaal zwervers. Ik pik ze 's nachts op.’

‘'s Nachts??’

‘Ja - ik ga soms om twaalf uur nog uit. Dan vind ik ze op stoepen, achter boomen - half verhongerd, ziek, aan hun lot overgelaten. Als de politie ze vindt worden ze afgemaakt - ik maak ze beter.’

Een schurftige kat sprong op haar schoot - ze hield het dier koesterend in haar armen.

‘Caro,’ zei tante Sophie, ‘ik vind dat Phine er slecht uitziet. Ze heeft me gezegd dat ze zoo naar je verlangt.’

‘Ik kom nooit meer thuis.’

‘Maar 't is je zuster.’

‘Ja tante. Ik kan niet meer thuis komen. En Phine is ook nooit hier geweest.’

Maar ik geloof dat Phine niet.... niet gelukkig is. Wil je niet naar Bussum komen als ze bij mij logeert?’

‘Ik kan mijn beesten niet alleen laten.’

‘O jullie kinderen uit één huis!’ zei de oude vrouw verontwaardigd, ‘jullie moeten elkaar toch liefhebben!’

‘Geen mensch heeft mij liefgehad,’ zei Caroline Craets. ‘Nu heb ik mijn beesten. Alleen u en Annette zijn wel goed voor me geweest.’

‘Caro, Phine heeft me gevraagd je te zeggen, dat ze het begreep van je, dat ze het flink vond.’

Caroline schudde vaag het hoofd. Het bereikte noch roerde haar.

[p. 444]

Haar grof geworden werkhanden hielden nog altijd liefkoozend de zieke kat tegen zich aan.

 

's Avonds zat tante Sophie in Bussum. Zij breide niet en naaide niet. Zij zat stil in haar stoel achter de tafel en dacht.

Over zijn krant keek oom Pieter soms naar haar.

Opeens kwam het.

‘Nu ben ik vandaag bij de meisjes op de Heerengracht geweest. En bij Caroline. En ik moet aldoor denken: wàt is er van ze geworden, van de lieve kinderen die bij ons logeerden!’

‘Verdorde ouwe juffers,’ zei hij somber.

‘Jawel. Dat's makkelijk. Weet je Pieter, wat Caroline zei?’

‘Neen, wàt zei ze?’

‘Caroline zei: “Geen mensch heeft mij liefgehad.” En dat is een vreeselijke waarheid.’

‘Tja - zoo'n ouwe vrijster....’

‘Neè Pieter. Niet: geen man. Geen mensch, zei ze.

‘O. Tja. Wat doe je d'r aan?’

‘Wij niet, en niemand hebben haar liefgehad. Als ik haar zoo zie... het is de schuld van ons allemaal.’

‘Goeie hemel! Wat haal je nou in je hoofd, vrouw? Ik kan ze toch niet trouwen! Moeten we dan.... moeten ze weer eens komen logeeren - die twee?’

‘Ze bestaan ons even na als Frederik,’ zei tante Sophie in onkreukbaren trouw.

‘Maar Caroline - die wil niet eens. Caroline daar is geen helpen meer aan. Die heeft zich zelf geholpen, en ach lieve deugd, hoè!’

‘Maak je nu niet van streek....’

‘Maar Adolphine, Pieter....’

‘Ja, Adolphine?’

‘In Phine is een hart vermoord.’

terug  begin  verder