STANCE zat bij Annette. Die keek verward en ontsteld het raam uit.
‘Weg? Naar het buitenland? Van ons allemaal weg Stance? wil je dàt??’
De groote, nog altijd mooie vrouw in haar zwaren rouw zei:
‘Annètje, ik heb geen man en geen kind meer. Nu mijn zusters terugkomen uit Indië met hun families - wat doe ik daar nog tusschen. Moeder zal nu weer kleinkinderen hebben. Zij heeft mij niet meer noodig....’
‘Wat wil je dan Stance?’
‘Precies weet ik het niet, maar in elk geval werken. Ik heb gehoord van een der groote figuren uit de vrouwenbeweging in Duitschland. Zij is oud, zij wil iemand hebben die op reis voor haar zorgt, haar correspondentie voert. Dat is iets voor mij.’
‘Jij - in de.... vrouwenbeweging Stance - en in een vreemd land.’
Stance keek het raam uit. Hoe vertrouwd en goed was Amsterdam, haar eigen stad.
‘Ik.... moet mijn leven over een anderen boeg gooien. Er is veel in me wakker geworden de maanden dat ik daar - zonder die twee meer - altijd tegenover moeder zat voor het raam. Ik ben gaan denken over de duizenden die zoo gezeten hebben, hun levens hebben uitgezeten, uitgekeken - tot ze wel zóó moe hebben moeten zijn dat er geen helderheid meer was, noch in hun geest, noch in hun hart. En ik ben gaan zien.... hier in het land is veel dat je erin tegenstaat.... maar de groote beweging, de groote drijfkracht die er achter dit alles oorspronkelijk zit: begrip van 't vrouwenlot, is allen strijd waardig.’
‘Maar als je hier bleef....’
‘Neen. Het is me hier te eng. Ik kàn niet hier iets nieuws beginnen, ik zit hier met honderd banden gebonden. Al mijn banden van herinnering. Ik kan niet in een trein stappen of mijn tochten naar Dolfje staan op. Ik kan hier niet op straat loopen of ik loop naar dat bovenhuis op de Pijpenmarkt - ons bovenhuis, waar andere menschen wonen - ik stik als ik eraan denk.... Dan krimpt mijn denken, mijn willen, mijn kracht weg in zóó verschrikkelijke pijn - dat ik me van alles afkeer in weerzin. En ik moèt toch leven! En daarom wil ik weg. Ga ik weg.
‘Ik.... o.... ik begrijp je wel - maar ik zal je zoo vreeselijk missen, Stance.’
‘Ach neen kind, je hebt zooveel dat je belangstelling, je zorg, je liefde vraagt.’
Maar Annette begon te schreien - het woord ‘kind’ trof haar. Alsof zij nooit volwassen was geworden....
‘Stance ik kan er niet tegen al 't vroegere, - ons oude leven te gaan verliezen.’
Stance glimlachte zacht en droevig.
‘Dat doen we toch allemaal.’ En ze dacht: ‘Ik heb te veel verloren dan dat iets me nog vasthouden kan. Zelfs moeder en Annètje niet.’
Maar Annette had het begrepen. Zij zat lang nadat Stance was weggegaan in 't schemer uit te staren over de gracht. Ze voelde zich eenzaam nu Stance weg wilde - en ze wist dat zij van hun beiden alleen dat zoo voelde.
Het jaar liep ten einde. In huis was de fleur van Sophies engagement, en Annette en Frederik zagen ontroerd, hoe gelukkig was Sophie, de ernstige practische Sophie!
Ieder in huis mocht Hartonius graag; maar wel dachten de ouders beiden, scherpziend, dat deze oudere, wèl verliefde maar toch ook zeer sterk in zijn werk opgaande man, degene was die aannam en ontving. En ook hoe Sophies bijdehandheid, die zich nooit verloochende, hem dikwijls een oogenblik kon doen opzien, als opschrikkend uit een droom.
Over het IJ wachtte Francine haar tweede kind. En hiermede was er weer kalmte en rust in het jonge gezin gekomen. Plotseling scheen alle heftig onstuimig begeeren naar afwisseling, dat werkelijk uitsproot tot al te groote vrijheid in hun bekrompen samenleving, gestild. En beide ouders hoopten, dat dit tweede moederschap ook Fransje de rust zou doen behouden die haar nu zonder weerstreven blijkbaar aan huis bond.
En op het Amsterdamsche tooneel ging een oude kunst ten einde. Den negen-en-twintigsten December nam Veltman afscheid van de planken. Hij had gekozen een stuk ‘De dochter van Roeland’ waarin hijzelf bescheiden de kleine rol van Karel de Groote vervulde, en pas in het derde bedrijf opkwam.
Ernstig, statig speelde de zeven-en-zeventig jarige de rol die geheel buiten zijn marqué genre viel, alsof hij, nu hij voor 't laatst hier stond, de woede niet wilde wekken der engelen in hun onredelijk enthousiasme. Alsof hij ook in de woorden van den oud geworden Keizer zijn eigen gevoel wenschte uit te spreken.
Met dit afscheid trad de gansche generatie terug, die in Veltmans zware romantiek, zijn heftige breede gebaar zich verlustigd had. Het geslacht dat jong had gezeten in de schouwburgen en zijn verontwaardiging gelucht op den verrader, dat kinderlijk had meegeleefd, geschreid en gescholden - het geslacht dat één was geweest met die kunst, nam mèt Veltman afscheid. De romantiek, het gezwollen woord, was gestorven. Nu vulde een nieuw geslacht, nieuw in voelen, denken, begeeren, de schouwburgen - luisterde naar een tooneelkunst die het groote gebaar verbande, het woord van het overdreven gevoel stuitte, indijkte tot de uiterste soberte, verklanking van het diepst innerlijk voelen. Een kunst, waarvan de ouderen zich afkeerden, niet begrijpend, verachtend.
‘Is dàt tooneel!’ zei de oude Pieter Craets verontwaardigd in de pauze tegen Van Dugten. ‘Wat déze kranige kerel jaren en jaren gegeven heeft, Veltman - dàt is kunst. Dàt is tooneel. En daarom zie je, zijn wij uit Bussum gekomen, mijn vrouw en ik, om afscheid van hem te nemen. Als jongen zat ik naar hem te luisteren, en 't zijn de mooiste oogenblikken van mijn leven geweest als ik hem Quilp zag spelen. Mevrouw Kleine Gartman speelde Mrs Jiniwin, en mevrouw Ellenberger, die nu ook al oud is, Nelly. Dat heb jij nooit gezien kereltje,’ viel hij plotseling uit tegen Frits, die landerig en onverschillig daarbij hing, ‘en daar heb je heel wat aan gemist.’
‘Ik kan me niet voorstellen dat ik wat gemist heb,’ zei de jongen, ‘ik vind dit ook niets mooi.’
Oom Pieters kromme neus werd paars. Zoo'n wùrm!
‘Dat komt - jullie zijn bedorven door al die nieuwerwetsigheden! Die kletspartijen en theedrinkerij, die zanikkunst van Ibsen en Hauptmann en hoe die kerels meer mogen heeten. Maar wij - nietwaar Sophie - wij hebben van Veltman Gysbregt gezien, en Nathan de Wijze, en Richard III, en Lodewijk XI, Warenar....’
‘Maar,’ zei Frits Craets, en plotseling verbaasde zich ieder in den kring over hem, Frederik en Annette - de Van Dugtens - Hartonius,
en Sophie en Pieter. ‘Ibsen en Hauptmann geven wat er in de menschen leeft - het eenige wat de moeite waard is. Maar Veltman blijft bij de uiterlijkheid - wat heb je aan die bombarie. Ik stel me toch voor dat al de rollen, die u daar opnoemt, nog heel anders kunnen gespeeld worden dan zooals Veltman doet.’
Amélie glimlachte genegen naar den jongen. Zij vond het vermakelijk dat zoo'n Fritsje, dien ze op school voorachterlijk versleten, zoo raak en juist de dingen voelde en wist te onderscheiden. En in Annette sprong iets op, dat haar oogen deed glanzen, haar mond opende als in verwachtend luisteren:
De verre echo. En hij klonk op in haar eigen kind. Het Fritsje, waar niemand raad mee wist, die op geen school vooruit kwam, en in geen kantoor wou passen. Dat daar stond zoo leelijk, bolbleek, onaanzienlijk; maar zoo sterk bewust in zijn onbeholpen jeugd van een dieper leven.
‘Je moet nog veel ouder worden, Frits,’ zei Van Dugten, ‘om het mooie ook in dit spel te waardeeren: een te sterke uiterlijkheid, waarvan toch het innerlijke de grond is. Veltman is uit een andere school. Hij heeft van Rombach geleerd, en mevrouw Naret-Koning was volgens hem de grootste tooneelspeelster. Maar de Bouwmeesters zelfs, en het heele Leidsche Plein is van die traditie niet vrij.’
Sophie in haar buitengewoon fijn toiletje van beige zijde, dat haar donkere schoonheid accentueerde, zei tegen Hartonius, de Van Dugtens op haar gedecideerde manier haar oordeel.
‘Historische stukken hebben geen reden van bestaan meer.’
De anderen glimlachten een beetje, maar Hartonius dacht critisch, wat hem temidden van zijn verliefdheid dezen avond opeens overviel:
‘Wat wil ze daar nu mee zeggen. Ze moet dat oordeel over dingen waarvan ze geen spat benul heeft toch afleeren,’ en hij boog lachend naar haar over.
‘Poes in den bijbel - wat praat je; wou jij soms naast meneer Leedebour de lakens uitdeelen in de critiek?’
Ze keek wat verbijsterd. ‘Sophie is eigenlijk dom,’ dacht Amélie van Dugten, ‘dom en eigengereid.
En tegelijk verbluffend gewikst, zooals ze meteen terugsloeg:
‘En wie weet wat een frisschen wind ik er doorheen zou blazen!’
Hartonius lachte; niet omdat hij het geestig vond, maar om haar guitig gezicht, haar donkere oogen plagend hem zoekend. Maar op zijn plaats in de stalles weer, zat hij wat afgetrokken; en Annette achter hem keek naar zijn langen rechten rug en vond dien wat onwillig en vermoeid terwijl hij overleunde naar Sophie, die hem telkens iets toefluisterde. Zij zag ook hoe Sophie met een onnavolg-
bare vriendelijkheid die tegelijk werelden van afstand schiep, een clubje meisjes groette, oude schoolkennisjes. En zij dacht aan Frits' woorden een dezer dagen:
‘Sophie is al heelemaal mevrouw Hartonius.’
Er was een hemelsbreed verschil in de verlovingsperioden van haar beide dochters. Terwijl Sophie nu reeds haar meisjes-vriendschappen liet schieten, zich niet meer op één lijn voelde met die vriendinnen nu zij verloofd was met den bekenden advocaat Hartonius, had Fransje al haar vriendinnen aangehouden Als Annette kwam vond zij dikwijls het jonge vrouwtje in een kring van babbelende, lachende, oude en nieuwe kennissen. Sommigen veel ouder dan zij. En voor Annette was den laatsten tijd plotseling als een booze droom opgedoemd het beeld uit haar kinderjaren: de koffiepartijtjes die haar moeder placht aan te leggen en uitbundig te genieten. Met dezelfde geringe kieskeurigheid zocht Francine Melgers haar gezelschap.
Bij de voorstelling was Leedebours bekende figuur gemist. Want Leedebour zat bij Jeanne's ziekbed en hield haar arme zoekende hand in de zijne vast; en zijn vermagerd gezicht boog zich naar haar vragende oogen, die wegdwaalden, zich sloten, dan weer met een schrik hem vastgrepen. Hij zat daar, had niets meer te doen dan te wachten en te denken.
En hij dacht al die lange jaren terug....
‘Mevrouw is maar blij als u er weer is,’ zei de zuster. Hij zag Jeanne naar hem opzien met iets van het oude oolijke kijken, als van een schalkschen vogel. Hij wendde zijn oogen af en schaamde zich. Hij zag opeens een avond met Truida in haar opstandigsten tijd - zij deed hem verwijten en hij vond dat absurd.... Wat had hij deze weken zich veel herinnerd....
Op een avond toen hij den heelen dag was uit geweest, hoorde Truida hem met een wonderlijk langzamen stap de trap opkomen. En zij schrikte toen zij hem in de deur zag staan, zoo grauw of hij totaal verkleumd was.
‘Ben je.... zoo koud?’ zocht zij.
Hij schudde zwijgend het hoofd, ging vlak voor de kachel zitten. Zij werkte door aan een voordracht, die zij houden zou voor een vergadering - tot zij plotseling omkeek en zag dat hij zat te snikken.
‘Jacob!....!’
Hij keek op, zijn oogen waren rood en vermoeid. ‘Ik.... kom van Jeanne. Ze.... is.... gest......’ Hij kon niet uitspreken.
Ze stond als versteend naast hem met haar papieren, haar pen nog
in haar hand. Om hen voelde zij de kamer, waar zij zoo lange jaren ieder hun eigen leven geleefd hadden, als een haast tastbaar verwijt.
‘Ik wist niet eens dat ze ziek was! Waarom heb je me dat niet gezegd?’
‘Och....’ Hij zweeg.
‘Drie-en-twintig jaar,’ zei hij toen, ‘drie-en-twintig....’
Ze legde haar werk weg, kwam tegenover hem zitten.
Hij begon ineens te praten. Hij moest.
‘Ze was zoo goed. Als je denkt, dat we nooit iets gehad hebben samen. En ik ben zoo lastig. Maar dan zweeg ze, had een grap over heel iets anders. Ze was zoo vroolijk, nu weet ik pas hoe me die vroolijkheid goed gedaan heeft. Terwijl ik dàcht dat ik méér om andere dingen gaf. 't Is nooit tot me doorgedrongen. Waarom weet je de dingen die er op aankomen in 't leven altijd te laat....’
‘Heeft iemand daar in 't ziekenhuis jullie verhouding geweten?’
‘Dat ze mevrouw Leedebour was ja.’
Ze zat even stil. Toen stond ze wat onvast op, en gaf hem een schuwen kus op zijn dun geworden haar.