FREDERIK CRAETS piekerde over Frits. Zijn school liep af, hij was negentien jaar - een eind-examen had hij niet - voor den handel deugde hij niet - studeeren wilde hij niet.
Hij had getracht ernstig, vertrouwenwekkend met den jongen te praten.... te weten te komen òf hij iets wou.
‘Als je 't gymnasium hadt afgeloopen kon je doctor in de letteren worden. Je houdt toch van litteratuur.... Je zoùdt nog altijd staatsexamen kunnen doen....’
‘Ik zou u danken,’ zei Frits met een grijns - ‘dat vind ik géén baantje, doctor in de letteren. Parasiteeren op de gedachten van anderen.’
‘Wàt blief je?! Je hebt toch - je wou toch niet zeggen, dat.... Ten Brink - Beets....’
‘Beets was een dichter, al beduidt hij niet veel, alleen zijn Camera. Maar al die kerels die doctor in de letteren zijn, doen er hun halve leven over om uit te visschen waarom de een of ander in den derden regel van de vierde strofe, dit of dat woord gebruikte in plaats van een ander zes jaar geleden. Dat is hun eenige bezigheid en eerzucht. Behalve schimpen in critieken op werk van kunstenaars, waar ze geen flauwe notie van hebben. Ik wensch dat leger niet te vergrooten.’
Frederik Craets stond perplex en verontwaardigd. Hij had een naïef respect voor academische graden - en dat een sukkel van een jongen, die tot zijn verdriet op geen enkele school had meegekund, zoo'n vernietigend oordeel uitsprak vond hij absurd. Maar dieper nog stak hem de hautaine toon die geen zijner kinderen ooit gehad had, en hèm scheen buiten te zetten.
‘Wàt moet ik doen?’ foeterde hij tegen Annette 's avonds aan de tafel. ‘Een paar jaar naar 't buitenland, misschien dat hem dat ontbolstert - en dan onder Pieter in de zaak, dat is nog het eenig verschiet dat ik zie....’
Maar op een dag ontzette Frits ieder met de mededeeling, dat hij een dichtbundel wilde uitgeven.
Frederik verstomde.
‘Die jongen - een kind nog haast - en achterlijk altijd geweest - een dichtbundel.... En wat zouden dat voor verzen zijn - en wie zou die willen uitgeven....’
‘Meneer De Roos heeft ze gelezen - hij heeft er een uitgever over gesproken, en die wou er wel eens over denken.’
Eén ding sprong vóór alles in Frederik omhoog: de jongen was met zijn werk naar een vreemde gegaan.
‘Je hadt er je moeder en mij desnoods ook in kunnen kennen,’ zei hij op den ijzigen toon, dien slechts weinigen van hem wisten.
‘Och ja. Maar ik dacht, als 't niets is, waarom zou ik u dan laten schrikken.’
‘Treffend teeder. Dus.... je wil dichter worden....’
‘Och welnee. Ik heb alleen maar die paar verzen gemaakt,’ zei Frits Craets.
Frederik zat hem stil aan te staren. Hij bedacht, hoe hij van klein kind af op dezen jongen geen vat had gehad. En hoe wonderlijk ook viel hij uiterlijk uit den toon. Kort en gezet, bolbleek, met kleine, diepliggende, donkere oogen. Alleen zijn glimlach had iets heel aantrekkelijks. Maar Frits Craets lachte zelden.
‘Zouden wij ze ook misschien mogen lezen die verzen?’ had Frederik even ijzig gevraagd.
‘Och jawel. Natuurlijk. Het kladschrift....’ en mompelend was hij verdwenen, had even later een blauw schoolschrift zwijgend op tafel gelegd, precies zooals hij zijn schoolrapport placht neer te leggen.
Annette las eerst. Ze schrok ervan op tot in haar ziel. ‘Een roos van Saäron’ heette de kleine cyclus van twaalf verzen. Maar hoe wonderlijk zuiver en doordringend was alles uit de ziel van die blijkbaar veel oudere vrouw uitgesproken. Haar liefde, haar zonde, haar eenzaamheid, haar berusting.
‘Ben je verliefd op die.... Alice? Wie is dat? Een getrouwde vrouw?’ vroeg ze angstig.
Hij lachte niet om haar vergissing. Hij had het ook onmogelijk kunnen uitleggen, want 't was nu al lang weg uit hem. Op een avond in een café had hij gezeten, verscholen in een hoek, en gekeken naar een vrouw. Een niet meer jonge vrouw, maar met een gezicht, een
expressie, die hem een schok gaven. Door den opslag van haar moede, eenmaal zeer schoone oogen, onder de zware, gerimpelde oogleden, - de nog blanke huid - en de ontzaggelijke loomheid en verachting in den rooden grooten mond. Zij zat daar temidden van een druk gezelschap of zij alleen was; terwijl zij praatte en lachte bleef die eenzaamheid om haar, en de diepe grondelooze verachting voor alles, in haar lach, in haar oogen.
Lang nadat zij was heengegaan, met een onverschilligen blik langs den jongen die schijnbaar te suffen zat in zijn hoekje - lang nadat hij was thuis gekomen, zat hij en schreef, koortsachtig meegesleept, weggedacht in dat vrouwwezen - onderging die metamorphose scherp belijnd.
Op zijn moeders vragen legde hij geduldig uit, met zijn knippende kleine oogen langs haar ziende, dat hij die vrouw niet kende, slechts eens gezien had. Hij vroeg haar niet hoe zij de verzen vond. Zij was even opgelucht, maar het vreemde van het geval verontrustte haar.
‘Als 't een jong meisje was dat je kende, waar je van hieldt, zou ik 't zooveel natuurlijker vinden.’
‘Ik kan geen meisjes luchten. Vervelende stomme schapen, waar je geen woord mee praten kunt. Ik hou alleen van oudere vrouwen.’
Later met Frederik sprak zij erover. Tusschen hen in lag op de oude huiskamertafel het vreemde: het blauwe schrift met de verzen aan Alice.
‘Begrijp jij zoo iets?’
‘Neen, ik niet, maar....’
‘We zijn de kippen met het eendekuiken.’
‘Je vriend De Roos schijnt hem beter te begrijpen.’
Ze zweeg. Ze dacht: Ja.
‘Wat moet dat nu met hem! Je kunt een jongen van negentien jaar toch maar niet verzen laten maken en verder luieren.’
Ze zat stil in haar stoel. Ze dacht aan de versjes, die hij als kind al maakte en haar zoo dierbaar waren. Eindelijk zei ze:
‘Geloof je heelemaal niet in hem?’
‘Och ik weet niet.... nee.... wat moèt ik gelooven?’
Ze zat rechtop.
‘Ik wèl.’
Hij keek haar aan.
‘En welken waarborg voor zijn leven geeft dat denk je?’
‘Hadt je een waarborg voor Philip toen je dien zijn eigen weg liet gaan? Daar begon je ook met vertrouwen. Je wilde vertrouwen.’
Hij lachte opeens, ofschoon wat moeielijk.
‘Ik zie 't al Aesopus - er is voor jou geen twijfel of je eendekuiken zàl zwemmen.’
Hij zuchtte ondanks zichzelf: ‘Ze stond pal voor den jongen, maar dat kon bij een moeder waarschijnlijk wel niet anders.’
Frits ging zwijgzaam en toegesloten tusschen dit alles door. Op een dag had De Roos hem een brief laten lezen van den uitgever, waarin deze tot de uitgave bereid bleek.
Hij was niet eens blij. Er was een onmacht tot vreugde in hem, dat besefte hij zelf pijnlijk op dit oogenblik, toen hij zijn trouwen ouden vriend opgewonden haast van plezier en voldoening vond. Hij dacht:
‘Wat verandert er eigenlijk. Wat beteekent het. Het beleven, het maken is het. De rest niets meer.’
Francine was de eenige van thuis, wier geest hem begrijpend tegemoet kwam. Die verrukt van de nieuwe litteratuur alles las wat uitkwam, en de verzen uit een verwant gevoel begreep. En dan - Francine had altijd een zwak behouden voor Frits. Ze vertroetelde hem als hij kwam, liet hem zich nestelen in een bolwerk van kussens op de sofa. Hier was 't weldadig, want niets doen en stil zitten denken was 't eenige prettige op de wereld. Werkzame bezige menschen irriteerden hem. Alleen zijn moeder in haar rustige bedrijvigheid was lief. Van Sophie hield hij niet. Hij verdroeg ook absoluut niet, dat Sophie over zijn werk meesprak, met haar waanwijze gedecideerdheid, de bekrompenheid van haar begrensd innerlijk leven. In zijn moeder wist hij een scherpte van voelen en denken - hij wist haar zich na staan in veel dingen. Maar praten kon hij alleen met Frans. Tegen haar ook sprak hij zijn scherpe analyse uit over de kunst van dezen tijd.
Maar bij al zijn afwijking van het gewone familieleven, het scherp besef wat hem van klein kind af al zoo ontwricht had, dat hij de dingen anders zag dan zij allen, was tegelijk in hem de haast pijnlijke verknochtheid, dezelfde blinde gehechtheid van zijn oudste zuster aan ‘thuis’. En déze juist was het die hem zich deed toesluiten in een bijna schaamte voor dat ‘anders zijn’ - sloot tegelijk ook alle wrok of minachting voor hun afwezigheid van begrip uit. Als in de club jongeren waarin hij verzeild was, litteratoren, musici, schilders in den dop, schetterden op de oude generatie, op hun ouderlijk huis, waar men niets van hen begreep, dan zweeg Frits Craets, zijn klein bolbleek gezicht met de knippende oogen uitdrukkingloos; en wist voor zichzelf dat hij die twee werelden absoluut scheiden kon, maar met de oude onverbrekelijk verbonden bleef.
Tenslotte nam Frederik een besluit. Frits zou om te beginnen een jaar naar het buitenland. Een half jaar naar Hamburg bij zijn oude
vrienden, 't huis Aschendahl - daarna een half jaar naar Parijs bij Lepiteau.
Hij bleek opeens met hoop bezield voor dat experiment. In hem herleefde de oude tijd, toen hij als zwierige jonge man het mondaine leven meeleefde in de groote buitenlandsche steden. Hij vertelde er Frits van, schilderde hem die jaren als de wereld voor je openviel, je de machinerie van het internationaal zakenleven leerde onderkennen, je opgenomen voelde in kringen, waar je voor je heele leven leert mensch te zijn.
Frits luisterde beleefd en geduldig. Hij had onmiddellijk toegestemd zonder verzet. Het was hem volkomen onduidelijk wat hij daar op die kantoren zou moeten uitvoeren, en nòg onduidelijker hoe hij daàr mensch zou leeren worden voor zijn leven. En hij keek met een haast pijnlijke liefde, en de beschaming van zijn zware troebele kinderjaren naar den vroolijken wereldschen vader, die zoo roerend kon tobben om hem nader te komen - de beschaming van het weten: ‘Ik kàn niets zijn van dat alles wat hij wenscht.’ Alleen een visioen van vreemd stedenschoon boeide hem even.
Zoo trok Frits Craets weg uit het ouderlijk huis - minder schokkend afscheid voor zijn moeder dan dat van Philip. Dit was een korte reis en gevaarloos ook op den beganen grond.
Maar Annette Craets zat voor den derden keer op een leeggeworden kamer rond te zien, en bedacht hoe stil het in huis zou zijn zonder dezen zwijgenden jongen, die schijnbaar zich nooit gelden deed. In gedachten trok zij de onverschillig op een kier gelaten lade van zijn slordige schrijftafel open. 't Lag er volgepropt met ordeloos dooreengewoelde kladjes van verzen - enkele regels; en ze stond een poos stil te kijken naar dien chaos waaruit Frits' kriebelig klein schrift haar aanzag. Toen sloot zij de la, stak den sleutel in haar zak.
In huis bleef nu alleen nog maar Jetje haar kleine gezel. Want Sophie, behalve dat ze haar huishoudelijke plichten nauwgezet vervulde, was gansch van eigen belangen, die alle om Hartonius draaiden vervuld.
Frederik kon verteederd zeggen: ‘Dat kind is zóó plichtgetrouw, nooit zal ze iets verzuimen in huis....’
Maar Annette dacht: ‘Ja, als een plicht doet Sophie dat alles. Haar aandacht, haar warmte werd volkomen opgezogen in haar gevoel voor Hartonius. In haar trots om hem ook. Dat iedereen van hem hield in huis waar zij maar nauwelijks Melgers verdragen hadden, was haar een diepe bevrediging van haar trots. En dàn, zij wilde Jacques volkomen bezitten. Zij werkte zich met een fanatieken ijver
in de zaken van liefdadigheid - zij kwam op zijn kantoor en aangezien zij den juridischen kant van zijn leven niet benaderen kon, schikte zij daar de meubels, kleinigheden met een aangeboren smaak en handigheid naar zijn gemak, zijn voorliefde. En in haar altijd practisch bezig brein, bouwde zich al het toekomstig huis in de kleinste bizonderheden op.
Hartonius wilde niet lang wachten met trouwen, en ook Sophie verlangde. Niet met den fellen drang die in Francine geleefd had, genomen en meegesleurd te worden in een wilden kolk van overrompeling - het verlangen van een sterke gepassioneerdheid, in haar jeugd nog onbewust maar hevig zich doen geldend, wonderlijk bij haar blanke frêle verschijning.
Bij Sophie was het Het Bezit. Bij al wat nog in haar sliep, de hevige begeerte dezen man volkomen te bezitten tot al wat hij had het hare was. Het was cerebraal maar het drong door in het gebied der zinnen, gestuwd door dien eenen machtigen wensch.
Francine, in dezen tijd voor de geboorte van haar tweede kind overgevoelig, zag dit alles met wetende heldere oogen. Zij zag zichzelf terug in haar verloving - zij zag haar eigen leven in de baan, waarin het gegleden was. Om haar scheen de heele sfeer op onnaspeurlijke wijze verkild. Een verveling doortrok haar bij Jans eeuwige grappen, zijn lach, zijn totaal gemis aan geestelijke belangstelling, terwijl juist in dezen tijd, geleid ook door Frits, haàr geest uitgroeide. En zij zocht verbaasd: wàt was het aureool geweest, waarmee zij eenmaal hem omgeven had gezien in de sportwereld?
Het had haar toen alles belangrijk en aantrekkelijk geleken, al waren er, dat wist zij thans, vanaf den eersten dag kale dorre plekken geweest in hun verhouding, hun gesprekken, hun gansche samenzijn. Het had haar toèn toch iets van het groote leven geleken, die wedstrijden in 't buitenland, die roem. Het was emotie geweest, en ze had er stralend van genoten. Zij keek naar de zilverkast, de bekers, de prijzen en geeuwde: hoe was het mogelijk....
Hartonius zag scherp het verschil der beide zusters. Hij zag dat Francine volkomen vrouw was bij al haar uiterlijke meisjesachtigheid, terwijl in Sophie de vrouw niet wakker was. Maar dat gemis verteederde hem meer dan dat het hem hinderde. Hij vond er een reinheid in, een onschuld, de kuischheid die sterk Sophie omhing en die hem altijd roerde. En zijn melancholische ziel, soms gekweld door een plotselingen twijfel, zocht juist in die reine onbewustheid van zijn meisje de vernieuwing van zijn leven.
De tijd kwam, dat Annette weer met brieven op haar schoot zat in het middaguur - brieven van haar twee zoons en wonderlijk verschillend. Die van Philip altijd nog frisch, vroolijk, een door en door
gezonde knappe man die het leven genoot; gezien en geliefd waar hij kwam en ook argeloos overtuigd daarvan. En dat alles geschreven in den liefkoozenden toon - een nickname ertusschen als een kus - wat haar dezen jongen altijd zoo dierbaar gemaakt had.
Van Frits waren het brieven zonder verslag van eigen ervaren. Zinnetjes van een paar woorden, soms een paar versregels ertusschen over een straat in regen - een toren in den mist - zangers bij een orgel - de havens. Een hééle brief ging over niets anders dan Hagenbeck - met een vermakelijke fantasie over de dieren, hun gedachten, hun psyche....
Frederik las Philips brieven met plezier, die van Frits verontrustten en ergerden hem. Het griefde hem meer dan hij zeggen kon dat geen enkel ernstig woord getuigde van belangstelling in het groote zakenleven, het kantoor der Aschendahls. En op een dag vroeg hij vaderlijk ernstig eens verslag te doen van zijn werk, zijn inzichten....
Het eenig resultaat was, dat Frits een poos heelemaal niet schreef. Toen kwam er plotseling een allergeestigst gesteld tableau de la troupe in alexandrijnen, breed machtig en zwaar - waarin een voor een de leden der firma, hun vrouwen en dochters, hun zakengewichtigheid werden geschilderd en gehekeld.
Annette lachte met innig vermaak. En zei met komische voldoening:
‘Ik zal tenminste geen Duitsche schoondochter krijgen.’
Maar Frederik lachte niet. Hij, die alle bezwaren in huis licht telde, mild beoordeelde, hij kon dit niet verdragen. Hij voelde zichzelf erin aangerand en belachelijk gemaakt. Deze jongen, dien hij als 't de zoon van een ander geweest was een mislukkeling zou noemen - had een geest, die hautain en koel hem ontglipte. Hij had hem willen helpen, hij zou nòg alles ervoor over hebben hem vooruit te brengen, maar hij liet zich niet helpen.
Er bleef hem nog één zwakke hoop: er waren bij de Aschendahls mooie dochters. Als misschien toch ten slotte daar een band zou gelegd worden, een jongen is toch geen stuk steen - dan kon de ernst van 't bestaan nog wel tot hem doordringen.
Hij schreef ook zelf naar Hamburg; maar ontwijkend - sparend, dacht Frederik pijnlijk - waren de antwoorden die hij kreeg. De oude Aschendahl eindelijk schreef zijn handelsvriend:
‘Der junge Mann scheint mir gar kein Interesse für das Geschäft zu haben; und ich möchte wenigstens wissen wohin seine Gedanken fliegen, wenn er so Stunden lang ins Blaue hinein guckt.’
In die dagen ging Annette weer eens naar Karel de Roos.
Wachtend - een oude dame verlangde een goedkoop boek met een mooi bandje - keek zij de lange rijen boeken langs. Oude bekenden zag zij op de planken naast de nieuwe - Dickens, Bosboom, Ten Kate....
De Roos had haar even gegroet, een lichte blos stijgend naar zijn hoog blank voorhoofd, waarboven het donkere haar begon te grijzen. Altijd doortrilde het hem als zij kwam - pijn en vreugde tegelijk. Francine Melgers ook was dikwijls bij hem gekomen het laatste jaar. Frivool, uiterst elegant, fladderde het jonge vrouwtje den ouderwetschen winkel door, en zocht en kocht al wat haar gading leek uit de nieuwste litteratuur.
‘Hoe anders, o hoe anders dan de moeder, ook naar den geest!’ dacht De Roos, de teere handen volgend, die grepen en wezen. Hij wist het wel: al wat boeiende, spannende, diep wroetende liefdesverwikkeling was, zocht zij. Maar ook, heele zangen uit Ellen kende zij van buiten, en het boek, dat hij haar moeder niet in handen had willen geven - Een Liefde van Van Deyssel - had zij verslonden.
Zij kon ook tijden blijven babbelen - vragen naar haar moeder, haar grootmoeder en den ouden tijd. En De Roos praatte voor het eerst met haar over die lang verleden dagen.
Sophie was hem vreemd, die kende hij nauwelijks - en ook Philip niet; een jongen die in een boekwinkel niets van zijn gading vond.
De laatste meneer verdween met een Enkhuizer Almanak; en De Roos kwam haastig naar Annette toe.
‘Heb jij pas wat van Frits gehoord!’ vroeg ze na de begroeting.
Hij lachte. ‘Een brief. Maar of die joù plezier zou doen....’
‘Hij maakt zeker alles belachelijk?’
Nu zat ze op het stoeltje. ‘Karel, ik moet toch eens met je praten over die nieuwe verzen. Wat vindt jij daarvan?’
‘Naar mijn bescheiden meening uiting van een groot talent.’
Zij wachtte - zocht.
‘Maar Karel - jij die zegt, dat een schrijver geven moet het diepste, wat verborgen in een mensch leeft - wat jij en ik noemen de waarheid in een mensch - vindt jij dàt in Frits' werk?’
‘Zie jij het erin?’
‘In het oude schrift - die kinderversjes - daàr vond ik het in. Maar hier - de vorm is me zoo vreemd - de manier van zeggen...’
‘Daarònder moet je het toch vinden.’
‘Ja, langzaam komt het me nader.... Maar het is toch ook wonderlijk in zijn aard.’
‘Je moet misschien een man zijn om een vrouw zóó te zien,’ zei
hij peinzend. ‘Hier en daar is het als uit mijn eigen ziel geschreven, zoo verwant....’
Ze luisterde gespannen. Maar nù nòg trof het hem haast als een uitgesproken beleediging, dat haar aandacht hèm voorbij ging en zich geheel richtte op den jongen.
‘Ik geloof jou,’ zei ze eindelijk. Ze zat er met haar kleine handen in haar schoot, haar ernstig lief gezicht met de heldere oogen wonderlijk weinig veranderd.
‘Ik heb bij mezelf tenslotte vastgesteld, àls dit Frits' weg is, moet hij dien gaan, al is 't hard voor zijn vader.’
‘'t Lijkt me geen buitengewóón hard lot, vader te zijn van een werkelijk begaafden zoon.’
Nù hoorde ze zijn bitterheid. En in de pijn die haar dit gaf om zijnentwil, sloeg in een onbewust verweer de schaal metéén door naar Frederik. Keerde haar instinctieve trouw zich tégen het diep bewust besef van geestelijke saamhoorigheid met den ander.
‘Het is voor mijn man wèl hard. Hij kan in Frits niet anders zien dan een mislukkeling, en het was zijn illusie dat er tenminste een van zijn zoons studeeren zou. Frits is voor ons beiden werkelijk een groote zorg voor de toekomst.’
Zij was warm geworden - wuifde luchtig met haar naar rozen riekenden zakdoek langs haar kleinen neus.
‘Dus - je zult staan aan de zij van je man,’ zei hij koel.
Zij was opgestaan, stond recht voor hem; met een hooghartigen blik weerde ze hem uit haar geslingerd gevoelsleven.
‘Neen. Naast den jongen,’ zei ze.
Hij glimlachte plotseling. Een lach, waarvan de afglans nog lag over zijn gelaat, toen hij dien avond zat in den gesloten stillen winkel en dacht aan Annettes bezoek.